Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
AWB 16/26192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

intrekking asiel+irv; communautair openbare orde begrip nvt op verblijfsvergunning ogv 'd-beleid', bb niet ism 8EVRM; beroep gegrond voor zover gericht tegen irv want onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van werk., actu, en voldoende ernstige bedreiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/26192

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.D. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2016, uitgereikt op 17 oktober 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 juni 2009 en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar.

Op 14 november 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser te laten reageren op door verweerder net voor de zitting overgelegde stukken. Na ontvangst van de reactie van eiser van 3 februari 2017 is verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren, waar hij gebruik van heeft gemaakt in zijn brief van 8 februari 2017. Hierop heeft eiser nog gereageerd bij brief van 17 februari 2017.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 13 juni 2017. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. A.H. Noordeloos.

Overwegingen

1.1

Eiser is naar eigen zeggen op 21 december 1999 naar Nederland gekomen. Op 30 december 2009 heeft eiser zijn eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag is op 16 augustus 2000 afgewezen, gehandhaafd in bezwaar op 11 juni 2002. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft vervolgens op 21 januari 2003 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 15 juni 2003 ingewilligd met ingang van 21 januari 2003. De verblijfsvergunning is gegrond op het destijds geldende categoriale beschermingsbeleid voor centraal-Irak (‘d-grond’). Op 5 april 2006 is eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 21 januari 2006.

1.2

Op 18 maart 2014 is eiser door het Landgericht Essen (Duitsland) veroordeeld tot zes jaar en drie maanden gevangenisstraf voor het plegen van verschillende fiscale strafbare feiten. Op 25 juni 2014 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om eisers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt, een terugkeerbesluit uit te vaardigen en een inreisverbod op te leggen van vijf jaar. Eiser heeft op 14 juli 2014 een zienswijze ingediend en is op 20 juni 2016 gehoord. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit eisers asielvergunning ingetrokken en een inreisverbod voor vijf jaar opgelegd op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.

2. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken en dat verweerder ten onrechte het inreisverbod tegen hem heeft uitgevaardigd.

3. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)1 heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van de intrekking van een verblijfsvergunning. De daartegen gerichte beroepsgronden moeten in dat geval worden beoordeeld alsof zij gericht zijn tegen het inreisverbod.

Inreisverbod

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder voor het opleggen van het inreisverbod ten onrechte geen concrete beoordeling van het individuele geval heeft gemaakt volgens het arrest Z. Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van de Europese Unie2.

4.2

Verweerder heeft het inreisverbod gegrond op artikel 66a, tweede lid, in samenhang met het vierde lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, omdat eiser is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer voor belastingfraude. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beoordeling zoals genoemd in het arrest Z. Zh en I.O. plaatsvindt als de vertrektermijn wordt onthouden en/of een inreisverbod wordt opgelegd van langer dan vijf jaar. Nu de vertrektermijn in afwijking van het voornemen niet meer wordt onthouden en het inreisverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar hoeft deze beoordeling in dit geval niet plaats te vinden.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Z. Zh. en I.O. is bepaald dat de lidstaten bij het aannemen van een gevaar voor de openbare orde in het kader van de Terugkeerrichtlijn3 per geval moeten beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Inreisverboden vinden hun grondslag in de Terugkeerrichtlijn.

4.4

Gelet op vaste jurisprudentie van deze rechtbank en zittingsplaats4 is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat, nu het inreisverbod is gebaseerd op de veroordelingen van eiser voor belastingfraude, dit niet anders kan worden begrepen dan dat eiser volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde. Daaraan doet de lengte van het inreisverbod niet af. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725) eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats bevestigd. In rechtsoverweging 10.2 van deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat “omdat alle in artikel 6.5a, derde en vierde lid, van het Vb 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde en de staatssecretaris dus bij de toepassing van deze bepalingen betrekt dat de desbetreffende vreemdeling een gevaar hiervoor vormt, moet hij per geval beoordelen of het persoonlijke gedrag van die vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast”. Deze verplichting geldt dus ook in het geval een lidstaat een inreisverbod uitvaardigt voor de duur van maximaal vijf jaar.

4.5

Dit betekent dat ook voor dit opgelegde inreisverbod de uitleg van het Hof van Justitie in het arrest van Z. Zh. en I. O. van belang is en dat verweerder in zijn motivering moet betrekken of de misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld gezien de aard en de ernst daarvan, het tijdsverloop sinds het plegen ervan en het persoonlijke gedrag van eiser tot de conclusie leiden dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantasten. Daarnaast dient verweerder blijkens voornoemde uitspraak van de Afdeling toe te lichten waarom het persoonlijk gedrag van eiser voldoende werkelijk, voldoende actueel en voldoende ernstig is om het inreisverbod op de krachtens artikel 6.5a, vierde lid, van het Vb 2000 maximale duur van vijf jaar te stellen. Verweerders handelwijze waarbij inreisverboden standaard werden uitgevaardigd voor de maximale duur die voortvloeit uit artikel 6.5a, derde of vierde lid, van het Vb 2000 is zonder de uit het arrest Z. Zh en I. O. afgeleide onderzoeks- en motiveringsplicht niet meer toegestaan. Hetzelfde geldt indien aan het inreisverbod de in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vermelde rechtsgevolgen zijn verbonden. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat verweerder ten onrechte het arrest Z. Zh en I. O. niet heeft betrokken bij zijn besluitvorming. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep tegen het besluit voor zover het betreft het opgelegde inreisverbod is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op het inreisverbod wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee herleeft het belang van eiser bij een beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning.

Intrekking

6.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ook ten aanzien van de intrekking ten onrechte het openbare orde criterium uit het arrest Z.Zh. en I.O. (communautair openbare orde begrip) niet heeft toegepast. Dat die uitleg van het openbare orde begrip ook van toepassing is bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd volgt volgens eiser uit jurisprudentie van de Afdeling5. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de intrekking in strijd met het Unierecht.

6.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het communautair openbare orde begrip enkel van toepassing is bij asielvergunningen die op internationale gronden zijn verleend. Nu aan eiser een asielvergunning is verleend op grond van het destijds geldende nationale categoriale beschermingsbeleid, valt de intrekking daarvan niet onder de werking van het Unierecht.

6.3

De rechtbank overweegt als volgt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het Unierecht alleen van toepassing is op asielvergunningen voor zover die vallen onder het toepassingsbereik van de Kwalificatierichtlijn6. Onder deze richtlijn vallen alleen vergunningen verleend aan vluchtelingen wegens vervolging op individuele gronden en vergunningen verleend voor subsidiaire bescherming wegens ernstige schade.

6.4

Dat eiser niet in aanmerking komt voor vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming is al door verweerder vastgesteld in het besluit van 11 juni 2002, dat in rechte vast is komen te staan met de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 23 augustus 2002. Bij de daarop volgende aanvraag heeft eiser uitdrukkelijk afgezien van een beroep op genoemde bescherming en laten weten dat hij zich uitsluitend beroept op het door Nederland gevoerde categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak. Op grond van dat beleid heeft verweerder eiser zijn verblijfsvergunning asiel dan ook verleend in het besluit van 15 juni 2003.

6.5

Hieruit volgt dat op de intrekking van de aan eiser verleende asielvergunning, die is omgezet in een asielvergunning voor onbepaalde tijd, niet het communautaire openbare orde begrip van toepassing is. De door eiser in dit verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling kan hem niet baten, omdat het daar ging om intrekking van een verblijfsvergunning die was verleend op grond van (internationale) vluchtelingenstatus. Hieruit volgt dat verweerder terecht heeft getoetst aan de in artikel 35, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000 en de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Verder heeft eiser aangevoerd dat de door het Openbaar Ministerie (OM) uitgevoerde strafmaatvergelijking met betrekking tot het Duitse vonnis, summier en bovendien onjuist is. Het bestreden besluit voldoet daarom niet aan het vereiste van een deugdelijke motivering en is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen, aldus eiser.

7.2

Verweerder heeft het OM verzocht een strafmaatvergelijking uit te voeren met betrekking tot de veroordeling van eiser door de Duitse rechter. Bij brief van 7 mei 2014 heeft de officier van justitie aan verweerder medegedeeld dat de inhoud van de bewezenverklaring in Nederland als een misdrijf worden aangemerkt en wordt gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met artikel 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, welk artikel een maximale strafbedreiging van zes jaar kent. Aan de hand van de geldende richtlijnen en na vergelijking met soortgelijke strafzaken zou voor het in het vonnis omschreven feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur van ongeveer 4 jaar worden geëist.

7.3

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.86, achtste lid, van het Vb 2000 wordt mede betrokken de buiten Nederland gepleegde of bestrafte inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert waartegen een gevangenisstraf van twee, onderscheidenlijk drie of zes jaren of meer is bedreigd en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd.

7.4

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 22 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2206) is het advies van de officier van justitie een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Eveneens volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zoals de uitspraak van 18 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK8644) dat indien verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, verweerder op grond van artikel 3:2 van de Awb zich ervan moet vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Een vreemdeling kan desgewenst een eigen deskundigenadvies laten uitbrengen, in welk geval verweerder de officier van justitie opnieuw om advies zal moeten vragen om op het door de vreemdeling overgelegde deskundigenadvies te reageren.

7.5

In de reactie van verweerder van 8 februari 2017 op de brief van eiser van 19 januari 2017, benadrukt verweerder dat de strafmaatvergelijking naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De rechtbank constateert dat het OM in zijn beoordeling de inhoud van de bewezenverklaring en de geldende richtlijnen heeft betrokken. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat eiser niet eerder was veroordeeld, maar anderzijds dat hij een leidende rol vervulde en de fraude betrekking had op een bedrag van ongeveer 4,8 miljoen euro. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de strafmaatvergelijking zorgvuldig tot stand gekomen, inzichtelijk en concludent is. Daarnaast merkt de rechtbank op dat eiser heeft nagelaten een eigen deskundigenadvies uit te brengen in welk geval verweerder het OM mogelijk opnieuw om advies had moeten vragen. Daarvan is nu geen sprake. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de strafmaatvergelijking aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen en dat is voldaan aan de criteria van artikel 3.86 van de Vb 2000. De beroepsgrond faalt.

8 EVRM

8.1

Eiser heeft ten slotte nog aangevoerd dat verweerder in de belangenafweging in het kader van zijn recht op gezins- en privéleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) meer gewicht had moeten toekennen aan het lange verblijf van eiser in Nederland en de intensiteit van de sociale banden met Nederland.

8.2

Op grond van paragraaf C5/4 van zijn beleid in de Vc 2000 in samenhang met artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000 trekt verweerder een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet in als dat in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

8.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het kader van de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet heeft gemotiveerd waarom dit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarmee is het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser hiermee niet in zijn belangen is geschaad. Bij het opleggen van het inreisverbod heeft verweerder immers uitgebreid gemotiveerd waarom het uitvaardigen van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij alle van belang zijnde aspecten meegewogen en is hij niet ten onrechte tot die conclusie gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

8.4

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat hij alsnog in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in te dienen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, nu verweerder in het bestreden besluit uitvoerig heeft getoetst of eiser alsnog in aanmerking komt voor internationale bescherming. Verweerder heeft naar aanleiding van het voornemen eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven en eiser is ook gehoord in het kader van zijn zienswijze. Eiser heeft daarbij voldoende mogelijkheden gehad om naar voren te brengen waarom hij in aanmerking zou komen voor internationale bescherming. Nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft gericht tegen de door verweerder verrichte toetsing, houdt het besluit ook op dit punt stand.

9. Hieruit volgt dat het beroep voor zover dat gericht is tegen het besluit tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ongegrond is.

10. Omdat het beroep gegrond is verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat gelet op de aard van het in rechtsoverweging 8.3 gepasseerde gebrek uitsluitend aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht omdat het beroep ten aanzien van het inreisverbod gegrond is.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het inreisverbod gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op het inreisverbod;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298).

2 Arrest van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377.

3 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

4 Zie onder meer de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RBDH:2016:5784.

5 Uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550.

6 Richtlijn 2011/95/EU van het Europees parlement en de raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.