Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16528

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
C-09-518761-HA ZA 16-1103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/518761 / HA ZA 16-1103

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[BV I] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [A],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. V.J.M.H.Y. van Haaster te Haarlem,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.C.J. Hiebendaal te Den Haag.

Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, zullen hierna afzonderlijk [BV I] en [A] en gezamenlijk [BV I c.s.] worden genoemd. Gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, zal hierna [B] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 september 2016, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 23 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2017 en de daarin genoemde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de brief van mr. Hiebendaal van 5 juli 2017 met een opmerking over het proces-verbaal,

  • -

    de antwoordakte van [BV I c.s.] van 5 juli 2017,

  • -

    de antwoordakte van [B] van 19 juli 2017, houdende een reactie op de punten 15 t/m 19 van de bovenstaande antwoordakte van [BV I c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is bestuurder van [BV I] . [B] is bestuurder van [X BV] (hierna: [X BV] ). [BV I] heeft een aandelenbelang van 30% in [X BV] .

2.2.

Tussen [BV I] enerzijds en [B] anderzijds is op 26 januari 2010 een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst houdt in, voor zover van belang:

De ondergetekenden:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BV I] (…) (hierna ook te noemen: “schuldeiser”) (…) en

2. de heer [B] (…) (hierna ook te noemen: “schuldenaar”):

stellen vast

Wegens op heden van de schuldeiser ter leen ontvangen gelden is de schuldenaar verschuldigd aan de schuldeisers (…) de som van (..) EUR 60.000,--, hierna te noemen: “de hoofdsom”.

en komen overeen als volgt:

(…)

Artikel 1.

De geldlening is verstrekt voor een tijdsduur die eindigt op 31 december 2010.

(…)

Artikel 2.

1. Over de hoofdsom of het niet-afgeloste deel daarvan is een cumulatieve rente verschuldigd van (..) 1,25% per maand.

2. De rente gaat heden in en dient in één termijn bij achterafbetaling te worden voldaan over het sedert heden verstreken tijdvak.

(…)

Artikel 3.

(…) De schuldenaar zal zich nimmer op verrekening kunnen beroepen (…)’

2.3.

[B] heeft op 20 januari 2012 een bedrag van € 7.200,- betaald op de bankrekening van de toenmalige advocaat van [A] , onder de vermelding “ [BV I] + [A] ”.

2.4.

Bij brief van 14 februari 2012 heeft een door [BV I] ingeschakeld deurwaarderskantoor [B] tot terugbetaling van de geleende hoofdsom van € 60,000,- gemaand, vermeerderd met rente en kosten.

2.5.

[B] is nadien niet tot betaling aan [BV I] van enig geldbedrag overgegaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[BV I c.s.] vordert samengevat - veroordeling van [B] tot betaling van:

  1. een bedrag van € 67.916,21, vermeerderd met de contractuele rente;

  2. de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf 1 januari 2011, althans 20 januari 2012, althans datum dagvaarding;

  3. een bedrag van € 1.454,16 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2.

[B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[B] vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [BV I c.s.] tot betaling van een bedrag van € 244.800,- (exclusief b.t.w.), althans van een bedrag aan redelijk loon, vermeerderd met de proceskosten.

3.5.

[BV I c.s.] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [BV I] een rentedragende lening van € 60.000,- aan [B] heeft verstrekt en dat deze hoofdsom, inclusief verschuldigde rente, op 1 januari 2011 aan [BV I] moest worden terugbetaald.

4.2.

[B] heeft aangevoerd dat hij de geldlening, met instemming van [BV I] (althans haar bestuurder [A] ), in natura heeft terugbetaald, doordat hij in opdracht van [A] verschillende werkzaamheden heeft verricht op diverse projecten van [A] .

4.3.

Dit verweer slaagt niet. Partijen zijn overeengekomen dat de hoofdsom en rente in geld zou worden terugbetaald. [B] kan alleen met toestemming van [BV I] zijn verbintenis door een andere prestatie dan geldelijke betaling voldoen (artikel 6:45 BW). [B] heeft gesteld dat [BV I c.s.] die toestemming in een gesprek in november 2011 heeft gegeven, maar [B] heeft die overeenkomst - die door [BV I c.s.] wordt betwist - verder niet onderbouwd. Voor nadere bewijslevering is dan geen plaats.

4.4.

Dat betekent het navolgende. Tussen partijen is niet in geschil dat de onder 2.3. vermelde betaling van € 7.200,- van [B] op 20 januari 2012, voor een bedrag van
€ 3.600,00 betreft een aflossing op de verschuldigde contractuele rente in verband met de onderhavige geldlening. Voor het overige is de geldlening nog niet afgelost. [BV I c.s.] heeft onweersproken gesteld dat [BV I] , na aftrek van de genoemde betaling, met ingang van 20 januari 2012 nog een bedrag van € 67.916,21 aan hoofdsom (inclusief verschuldigde contractuele rente) van [B] te vorderen heeft. Die hoofdsom kan dan ook worden toegewezen.

4.5.

[B] is over deze openstaande hoofdsom rente verschuldigd. Met betrekking tot die rente is het petitum van de dagvaarding tegenstrijdig; immers, [BV I] vordert onder I. de hiervoor genoemde som van € 67.916,21, te vermeerderen met de contractuele rente, terwijl zij onder II. de wettelijke rente over dit bedrag vordert. [BV I] heeft echter in het lichaam van de dagvaarding onder punt 9 gesteld dat de uiteindelijke hoofdsom € 67.916,21 bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2012. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan en de vordering dienovereenkomstig toewijzen.

4.6.

De vordering tot vergoeding van een bedrag van € 1.454,16 in verband met buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is niet van toepassing, aangezien onweersproken is dat [B] op 1 januari 2011 (en dus voor de inwerkingtreding van het Besluit) in verzuim was. [BV I] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht die meer omvatten dan die waarvoor de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bedoelde kostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten. De gevorderde vergoeding stemt overeen met het gebruikelijke - en als redelijk aanvaarde - tarief van het Besluit en zal daarom worden toegewezen.

4.7.

De vorderingen worden uitsluitend ten aanzien van [BV I] toegewezen, nu onweersproken is dat [A] zelf geen partij is bij de geldlening en uit hoofde daarvan ook geen vordering op [B] heeft.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [B] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [BV I] begroot op € 79,35 aan explootkosten, € 1.929,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 894,-), aldus in totaal: € 3.796,35.

in reconventie

4.9.

[B] stelt dat hij in opdracht van [A] in de periode van februari 2010 tot en met 2011 gedurende gemiddeld drie dagen per week (advies)werkzaamheden heeft verricht op verschillende projecten. [B] heeft in conventie gesteld dat hij met [BV I c.s.] is overeengekomen dat hij met deze werkzaamheden de geldlening van [BV I] zou aflossen, maar die stelling is hiervoor onder 4.3. verworpen. Volgens [B] is [A] alsdan, in reconventie, op grond van artikel 7:405 BW een gebruikelijk, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon voor de uitgevoerde werkzaamheden verschuldigd. [B] heeft in dat verband gesteld dat een gemiddeld uurtarief van € 100,- exclusief btw gebruikelijk, en ook redelijk, is, zodat zijn totale loon kan worden berekend op € 244.800,-, exclusief btw.

4.10.

De rechtbank stelt voorop dat het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [B] is om, bij betwisting, voldoende gemotiveerd te stellen (en indien nodig, te bewijzen) dat tussen hem en [A] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen en dat hij op basis van die overeenkomst werkzaamheden heeft verricht, waarvoor [A] als opdrachtgever loon is verschuldigd. De rechtbank ziet, anders dan door [B] bepleit, geen aanleiding om het bestaan van een overeenkomst van opdracht voorshands aannemelijk te achten. Het is aan [B] om per genoemd project door middel van concrete feiten en omstandigheden aan te tonen dat (en zo ja, tussen welke) partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen.

4.11.

[B] heeft niet aan die stelplicht voldaan. De rechtbank zal dat hierna, per aan de orde gesteld project, nader motiveren.

[adres 1]

4.11.1.

[A] heeft betwist dat [B] op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden heeft verricht, waarbij hij tevens heeft aangevoerd dat [B] nooit in privéhoedanigheid, maar uitsluitend in zijn hoedanigheid van directeur van [X BV] advieswerkzaamheden verrichte. [B] heeft hiertegenover onvoldoende gesteld dat hij op basis van een overeenkomst van opdracht met [A] (in privé) werkzaamheden heeft verricht.

[het Complex]

4.11.2.

[B] stelt dat hij in opdracht van [A] onder meer onderhandelingen heeft gevoerd met een huurder van het [het Complex] , met de beheerder daarvan overleg heeft gevoerd, verschillende verbouwingen heeft gecoördineerd en de verkoop van het complex heeft voorbereid. [A] heeft betwist dat hij dergelijke opdrachten aan [B] heeft gegeven, waarbij hij ook, opnieuw, heeft aangevoerd dat [B] alleen in hoedanigheid van directeur van [X BV] een adviesonderneming voerde en dus nooit als privépersoon opdrachten aannam. [B] heeft tegenover deze betwisting geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen waaruit van het bestaan van de door hem gestelde overeenkomst van opdracht tussen hem en [A] voor werkzaamheden in het [het Complex] blijkt.

[adres 2]

4.11.3.

[A] heeft gesteld dat het project in [plaats] een project van [X BV] was. [B] heeft hiertegenover niets gesteld waaruit blijkt dat met betrekking tot dit project een overeenkomst van opdracht tussen hem (in privé) en [A] (in privé) is gesloten. Integendeel, de eigen verklaring van [B] ter comparitie dat dit een boekhoudkundige kwestie was die betrekking had op [X BV] weerspreekt dat en ondersteunt de lezing van [A] dat dit een project van [X BV] betrof.

[adres 3]

4.11.4.

[A] heeft gesteld dat het project voor de vestiging van een supermarkt op de begane grond van het (aan [BV I] in eigendom toebehorende) complex aan de [adres 3] een project van [X BV] was en dat [B] in verband met dit project handelde in hoedanigheid van directeur van [X BV] . [B] heeft hiertegenover geen feiten en omstandigheden gesteld die dit verweer van [A] weerleggen en waaruit blijkt dat hij de gestelde werkzaamheden op dit project op basis van een overeenkomst van opdracht tussen hem (in privé) en [A] (in privé) heeft verricht.

[adres 4]

4.11.5.

Ook hier heeft [A] gesteld dat dit een project van [X BV] betreft en heeft [B] geen feiten en omstandigheden gesteld die deze stelling weerleggen en waaruit kan blijken dat hij in privé in opdracht van [A] als hoofdaannemer is opgetreden. De rechtbank merkt in dat verband op, dat de door [B] als productie overgelegde factuur van […] B.V. ook aan hem in hoedanigheid van bestuurder van [X BV] is gericht.

[adres 5]

4.11.6.

[B] heeft in zijn eis in reconventie (nrs. 38 tot en met 45) nog verschillende andere projecten genoemd, waarop hij, zo stelt hij, in privé in opdracht van [A] werkzaamheden heeft verricht. Ook daarvoor geldt echter dat [A] heeft gesteld dat dit in alle gevallen projecten van [X BV] betroffen en dat [B] de door hem gestelde werkzaamheden aldus in hoedanigheid van directeur van [X BV] , en niet op basis van een opdracht van [A] heeft verricht. [B] heeft daartegenover verder geen feiten en omstandigheden aangedragen die dit verweer van [A] weerleggen. Aldus heeft [B] ook ten aanzien van deze projecten onvoldoende gesteld dat aan de door hem omschreven werkzaamheden een overeenkomst van opdracht tussen hem en [A] ten grondslag lag.

4.12.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat [B] verschillende van de door hem in het geding gebrachte door hem geschreven e-mails heeft ondertekend namens [X BV] en, naast de onder 4.11.5. vermelde factuur ook andere door [B] in het geding gebrachte – in het kader van door [B] verrichte werkzaamheden – facturen aan [X BV] zijn gericht en niet aan [B] in privé, evenals verschillende op de projecten opgestelde offertes. De slotsom is dat [B] in alle gevallen onvoldoende heeft gesteld dat hij in privé een overeenkomst van opdracht met [A] heeft gesloten en op grond van die overeenkomst werkzaamheden voor [A] heeft verricht waarvoor [BV I c.s.] aan [B] enige vergoeding zou zijn verschuldigd. Bij die stand van zaken is nadere bewijslevering niet aan de orde. De vordering in reconventie wordt afgewezen, de overige stellingen en verweren van partijen kunnen daarmee onbesproken blijven.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [B] worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [BV I c.s.] begroot op € 1.788,- aan salaris advocaat
(2 punten x liquidatietarief € 894,-).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [B] tot betaling aan [BV I] van een bedrag van € 67.916,21, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 januari 2012 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [B] tot betaling aan [BV I] van een bedrag van € 1.454,16 ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [BV I] begroot op € 3.796,35;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [BV I c.s.] begroot op € 1.788,-;

in conventie en in reconventie

5.7.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. de Coninck en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.