Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2017
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
5787146 RP VERZ 17-50150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft de Ondernemingsraad, gelet op de wijziging van artikel 27 WOR per 1 oktober 2016, instemmingsrecht ten aanzien van een wijziging van de pensioenuitvoerder van de ondernemer, waarvan de besluitvorming rondom 1 oktober 2016 heeft plaatsgevonden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/93
RAR 2018/114
AR-Updates.nl 2018-0507
PR-Updates.nl PR-2018-0055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

CB

Zaaknr.: 5787146 RP VERZ 17-50150

22 mei 2017

[jw.sys.1.rolnummer]

Beschikking van de kantonrechter op verzoekschrift ex artikel 27 WOR in de zaak van:

de stichting Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland,
statutair gevestigd te Den Haag,

verzoekende partij,

hierna te noemen “Holland Casino”,

gemachtigden: mr. E.J. Henrichs en mevr. mr. M. Warmendam (De Brauw Blackstone Westbroek),


tegen

de Ondernemingsraad van Holland Casino,

gevestigd te Den Haag en kantoor houdende te Hoofddorp,
verwerende partij,

hierna te noemen “de OR”,

gemachtigde: mevr. mr. H. de Graaf (PAL Advocatuur).

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    het verzoekschrift, tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met 28 bijlagen, ingekomen bij de griffie op 7 maart 2017;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende verweer tegen het treffen van een voorlopige voorziening, tevens houdende een tegenverzoek, tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening , met 5 bijlagen van 7 april 2017;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Holland Casino van 19 april 2017 met aanvullende bijlage 29;

  • -

    de brief van de gemachtigde van de OR van 21 april 2017 met aanvullende bijlage 6.

1.2

Op 24 april 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn namens Holland Casino verschenen mevr. [B] en de heer [R] en namens de OR de [functie] de heer [K] , alsmede de gemachtigden van beide partijen. Van het verhandelde heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van Holland Casino hebben een pleitnota overgelegd en de gemachtigde van de OR pleitnotities.

1.3

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Holland Casino is de exploitant van een veertiental casino’s in Nederland. Op grond van de Wet op de Kansspelen heeft Holland Casino een exclusieve vergunning voor het organiseren van kansspelen in Nederland.

2.2

Het (nu demissionaire) kabinet heeft het voornemen om de kansspelmarkt te moderniseren en het bestaande gesloten stelsel te vervangen door een beperkt geopend stelsel met een gelimiteerd aantal aanbieders. Holland Casino zou vier van haar veertien vestigingen moeten prijsgeven aan derden en de daarna zou(den de aandelen in) Holland Casino (met dan nog tien vestigingen en na omzetting in een naamloze vennootschap) aan een private partij worden verkocht.

2.3

Holland Casino heeft met vakbonden Vakbond ABC, de Unie en FNV de Collectieve arbeidsovereenkomst voor de werknemers van de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland (hierna: ‘de CAO’) afgesloten. In het ‘Akkoord Pensioenregeling’ van 24 september 2014 hebben Holland Casino en de genoemde vakbonden (nieuwe) afspraken gemaakt over de inhoud van de pensioenregeling van de werknemers van Holland Casino. Via artikel 17 lid 3 van de CAO maakt dit Akkoord, aan te merken als pensioenprotocol, onderdeel uit van de CAO.

2.4

De pensioenverplichtingen ten opzichte van huidige, voormalige en gepensioneerde werknemers van Holland Casino zijn ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds Holland Casino (‘SPHC’). SPHC is tevens de uitvoerder van pensioenregeling.

2.5

Holland Casino heeft het besluit genomen om de uitvoering van de pensioenregeling per 1 juli 2017 over te hevelen van SPHC naar de Stichting Algemeen Pensioenfonds (‘STAP’) (hierna: ‘het Besluit’).

3 Het verzoek, het tegenverzoek en de onderbouwing daarvan

Het verzoek van Holland Casino

3.1

Holland Casino verzoekt (in het incident) op grond van artikel 223 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toestemming te geven voor het Besluit, althans toe te staan het Besluit uit te voeren, zulks voorwaardelijk, te weten uitsluitend voor het geval in de door FNV aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Den Haag zal worden geoordeeld dat Holland Casino geen overeenstemming met de vakbonden behoeft te bereiken voor de overgang naar een andere pensioenuitvoerder; althans zodanige andere verklaring te geven als in goede justitie vast te stellen; (in de hoofdzaak) (a) te verklaren voor recht dat de OR ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het Besluit en dat het Holland Casino daarom vrij staat de pensioenregeling onder te brengen bij STAP, zulks voorwaardelijk, te weten uitsluitend voor het geval in de door FNV aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Den Haag zal worden geoordeeld dat Holland Casino geen overeenstemming met de vakbonden behoeft te bereiken voor de overgang naar een andere pensioenuitvoerder: althans zodanige andere verklaring te geven als in goede justitie vast te stellen; (b) voor het geval de onder (a) gevraagde verklaring wordt geweigerd haar vervangende toestemming te verlenen voor het Besluit, zulks voorwaardelijk, te weten uitsluitend voor het geval in de door FNV aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Den Haag zal worden geoordeeld dat Holland Casino geen overeenstemming met de vakbonden behoeft te bereiken voor de overgang naar een andere pensioenuitvoerder; althans zodanig andere verklaring te geven als in goede justitie vast te stellen, een en ander steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2

Aan het verzoek legt Holland Casino -kort zakelijk weergegeven- ten grondslag dat het besluit tot wisseling van pensioenuitvoerder is genomen voor 1 oktober 2016, toen een dergelijk besluit nog niet instemmingsplichtig was in de zin van de WOR. Voor zover zou komen vast te staan dat het besluit is genomen na 1 oktober 2016 vraagt Holland Casino vervangende toestemming van de kantonrechter, omdat de OR zich steeds zelf op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige kwestie een zaak is tussen de vakbonden en Holland Casino, zich overigens reeds akkoord heeft verklaard met STAP als nieuwe pensioenuitvoerder en het bovendien onredelijk is, gegeven eerdere uitlatingen van de zijde van de OR, thans instemming aan de wisseling van pensioenuitvoerder te onthouden.

Het tegenverzoek van de OR

3.3

Uitsluitend voor het geval in de door FNV aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Den Haag zal worden geoordeeld dat Holland Casino geen overeenstemming hoeft te bereiken met de vakbonden voor de wisseling van pensioenuitvoerder verzoekt de OR (in het incident) om op grond van artikel 223 Rv, voor zover rechtens uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure, bij wege van voorlopige voorziening, Holland Casino te verbieden om van pensioenuitvoerder te wisselen conform de nietige besluiten om de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds te beëindigen c.q. opnieuw aan te gaan dan wel te wijzigen en/of met ingang van 1 juli a.s. de uitvoering van de pensioenregeling bij STAP onder te brengen althans toestemming aan een dergelijk besluit te onthouden zulks op straffe van een dwangsom van € 15.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Holland casino in gebreke mocht blijven aan het te geven verbod te voldoen; (in de hoofdzaak) wanneer het verzoek zou worden toegewezen de beslissing(en) niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; (bij wijze van tegenverzoek) Holland Casino te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering van de nietige besluiten om de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds te beëindigen c.q. opnieuw aan te gaan dan wel te wijzigen en/of met ingang van 1 juli a.s. [2017] de uitvoering van de pensioenregeling bij STAP onder te brengen totdat de OR instemming heeft gegeven aan een voorgenomen besluit van Holland Casino om de uitvoering van de pensioenregeling bij een andere pensioenuitvoerder dan het pensioenfonds onder te brengen, zulks op straffe van een dwangsom van € 15.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Holland Casino in gebreke mocht blijven aan het te geven verbod te voldoen, een en ander, voor zover rechtens mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

Bij haar tegenverzoek stelt de OR zich op het standpunt dat de keuze (het besluit) voor een andere pensioenuitvoerder een nietig besluit is in de zin van artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) en dat in dat licht Holland Casino verboden zou moeten worden per 1 juli 2017 uitvoering aan een dergelijk nietig besluit te geven. De OR wenst dat verbod ondersteund te zien door een dwangsom. Voorts meent de OR dat aan een beslissing in de hoofdzaak de uitvoerverklaring bij voorraad moet worden onthouden.

In het verzoek en het tegenverzoek

3.5

Op de stellingen van Holland Casino en de OR en de verweren tegen de stellingen van de wederpartij zal hierna, voor over nodig, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Uit de overgelegde bijlagen en ook uit hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht blijkt dat vakbond FNV en Holland Casino in een andere procedure, die bij deze rechtbank aanhangig is, strijden over de vraag of de CAO er al dan niet aan in de weg staat dat Holland Casino eenzijdig kan beslissen de uitvoering van de pensioenregeling voor de (ex-)werknemers van Holland Casino onder te brengen bij STAP in plaats van bij SPHC. Uit het verzoekschrift van Holland Casino en het verweerschrift van de OR blijkt dat deze procedure uitsluitend wordt gevoerd voor het geval in die andere procedure beslist zou worden dat voor FNV geen rol is weggelegd bij de beslissing van Holland Casino om van pensioenuitvoerder te wisselen. In dat geval kan een rol weggelegd zijn voor de OR en Holland Casino wil in dat voorkomende geval zeker stellen dat de medezeggenschap rondom de besluitvorming op een juiste manier is afgehecht.

4.2

Het onderhavige verzoek wordt gedaan en het verweer daartegen wordt gevoerd op basis van de bepalingen van de WOR. De kantonrechter zal dan ook op basis van de bepalingen van de WOR het verzoek en het verweer daartegen beoordelen en zich in deze procedure onthouden van een oordeel over de vraag in hoeverre de vakbonden, meer in het bijzonder FNV, op grond van de CAO betrokken dienen te zijn bij de wisseling van pensioenuitvoerder.

4.3

De kernbepaling uit de WOR, aan de hand waarvan de beoordeling in deze procedure dient plaats te vinden is artikel 27 WOR. De relevante artikelleden van dit artikel luiden thans (sinds 1 oktober 2016):

1. De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:

a. regelingen op grond van een pensioenovereenkomst, een winstdelingsregeling of een spaarregeling;

(… )

een en ander voor zover betrekking hebbende op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen.

2. (…)

3. De in het eerste lid bedoelde instemming is niet vereist, voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan. (…)

4. Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

5. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, genomen zonder de instemming van de ondernemingsraad of de toestemming van de kantonrechter, is nietig, indien de ondernemingsraad tegenover de ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. (…)

6. De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te verklaren dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op nietigheid als bedoeld in het vijfde lid.

7. Onder regelingen op grond van een pensioenovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden mede verstaan regelingen opgenomen in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1&g=2017-05-15&z=2017-05-15) of een uitvoeringsreglement als bedoeld in onderdeel b van de definitie van uitvoeringsreglement in artikel 1 van de Pensioenwet, die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst waaronder in ieder geval worden begrepen: regelingen over de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld, de maatstaven voor en de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt en de keuze voor onderbrenging bij een bepaalde pensioenuitvoerder, pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=23&g=2017-05-15&z=2017-05-15).

4.4

In deze procedure dient de kantonrechter echter als voorvraag eerst te beoordelen of het uitsluitend het wisselen van pensioenuitvoerder is, waartoe Holland Casino besloten heeft, zoals Holland Casino betoogt, of dat ook tot inhoudelijke wijzigingen van de pensioenregeling is besloten, zoals de OR betoogt.

4.5

Holland Casino neemt een eenvoudig standpunt in. Zij stelt dat uitsluitend besloten is tot een wijziging van de pensioenuitvoerder van SPHC in STAP en dat alle overige regelingen en bepalingen met betrekking tot het pensioen, althans voor het moment, ongewijzigd blijven. Holland Casino stelt wel dat door de wijziging van SPHC naar STAP de uitvoering van de pensioenregeling meer in overeenstemming met (onder meer) aangescherpte governance eisen kan worden uitgevoerd en dat de uitvoering door STAP, mede vanwege de terugloop van het aantal actieve deelnemers, zeker na de privatisering van Holland Casino, goedkoper en professioneler door STAP kan geschieden. Lagere kosten in de uitvoering komt het rendement van de pensioenreserves ten goede. Van enige inhoudelijke wijziging van de pensioenregeling is echter geen sprake, zo stelt Holland Casino.

5.6

De argumenten van de OR tegenover deze stelling van Holland Casino dat er ook sprake is van andere (inhoudelijke) wijzigingen van de pensioenregeling dan alleen het wisselen van pensioenuitvoerder overtuigen de kantonrechter niet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de OR verwezen naar het verweerschrift en haar pleitnotities. De punten 6.2, 6.5, 6.6 en 6.10 tot en met 6.16 van het verweerschrift komen nog het dichtst in de buurt van eventuele wijzigingen in de pensioenregeling van Holland Casino, maar daaruit valt niet af te leiden dat de pensioenregeling inhoudelijk verandert. Ten aanzien van het karakter van de regeling, Collective Defined Contribution, wordt juist bevestigd dat die niet wijzigt. Holland Casino heeft in tegenstelling tot de OR onderbouwd dat de medezeggenschapstructuur na de overgang naar STAP niet wijzigt. De premiesystematiek wijzigt niet, zo blijkt uit punt 6.12 van het verweerschrift. En tegenover de stelling dat de beheerskosten bij STAP eerder zullen toenemen, stelt Holland Casino, dat STAP eenmalig een bedrag van € 4.270.000,- zal ontvangen in verband met de migratie van de uitvoering van SPHC naar STAP, terwijl de beheerskosten van STAP op een lager niveau zullen liggen dan bij SPHC in verband met de grotere kritische massa van STAP. Na daarover op dit punt doorbevraagd te zijn, heeft (de gemachtigde van) de OR uiteindelijk onvoldoende concreet kunnen aangeven op welke punten de pensioenregeling inhoudelijk verandert, anders dan de uitvoering daarvan. Voor de verdere beoordeling zal de kantonrechter er daarom vanuit gaan dat het enkele wijzigen van pensioenuitvoerder voor de beoordeling van dit geschil de enige wijziging is, waarvan moet worden beoordeeld of de OR daarover instemmingsrechten heeft.

4.7

Relevant voor de beoordeling van verzoek is dat lid 7 van artikel 27 WOR, zoals genoemd in rechtsoverweging 4.3, pas van kracht is sinds 1 oktober 2016. Voor die datum luidde lid 7 van artikel 27 WOR als volgt:

7. De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit:

a. tot vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst die wordt ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

b. tot vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst die wordt ondergebracht bij een niet verplicht bedrijfstakpensioenfonds;

c. tot vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, voor het deel dat de pensioenovereenkomst dat niet verplicht door het bedrijfstakpensioenfonds hoeft te worden uitgevoerd;

voor zover hetgeen in de pensioenovereenkomst is of wordt bepaald overeenkomt met hetgeen in pensioenovereenkomsten van elle of een groep van de in de onderneming werkzame personen is bepaald.

(…)

4.8

In de vergelijking tussen de tekst van lid 7 artikel 27 WOR zoals dat voor 1 oktober 2016 luidde en thans luidt valt op dat juist op het punt van de medezeggenschap met betrekking tot de uitvoering van pensioenregelingen het een en ander is gewijzigd. In de toelichting bij Nota van Wijziging van 20 april 2016 (Kamerstukken 34 378, nr. 7) wordt de wijziging als volgt toegelicht:

Tenslotte wordt de keuze van de ondernemer voor de onderbrenging bij een bepaalde uitvoerder toegevoegd aan de (niet limitatieve) opsomming van onderwerpen opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst. Daarbij gaat het om de keuze voor een specifieke uitvoerder, waarbij op grond van artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet de pensioenovereenkomst kan worden ondergebracht. Dan kan het gaan om een pensioenuitvoerder in de zin van de Pensioenwet (dus een pensioenfonds, een premiepensioeninstelling of een verzekeraar met zetel in Nederland), een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

4.9

Voor 1 oktober 2017 was het instemmingsrecht van de ondernemingsraad met betrekking tot uitvoeringsovereenkomsten niet geregeld of in ieder geval onduidelijk, zo blijkt uit verschillende passages, die te vinden zijn in de Memorie van Toelichting en de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken 34 378, nrs. 3 en 6).

4.10

Bepalend voor de vraag of in het onderhavige geval de OR instemming gevraagd had moeten worden is derhalve het antwoord op de vraag of het desbetreffende besluit door Holland Casino is genomen voor of na 1 oktober 2016. Is het besluit genomen voor 1 oktober 2016 dan had de OR geen medezeggenschap op het punt van de wisseling van pensioenuitvoerders en is voor de beoordeling van de vraag of de OR al dan niet instemming had kunnen of moeten verlenen niet relevant of de betrokken aangelegenheid al dan niet inhoudelijk is geregeld in een cao, tenzij de cao-partijen op dat punt specifieke afspraken zouden hebben gemaakt. Is het besluit genomen na 1 oktober 2016 dan had de OR instemmingsrecht, tenzij de betrokken aangelegenheid inhoudelijk geregeld was in een cao. Of er specifieke afspraken in de CAO zijn gemaakt of de betrokken aangelegenheid inhoudelijk is geregeld in de CAO is onderwerp van de andere procedure die bij deze rechtbank aanhangig is.

4.11

Overigens kan de kantonrechter reeds nu beslissen dat voor het verlenen van vervangende instemming, zoals door Holland Casino verzocht, in deze nimmer ruimte zal zijn. De bepalingen voor vervangende instemming zien namelijk op situaties, waarin de ondernemer wel instemming gevraagd (voorafgaand aan het nemen van het betreffende besluit), waarbij de OR de gevraagde instemming beslist geen instemming te geven en dit onredelijk is, of indien het voorgenomen besluit gevergd wordt door zwaarwegende redenen (artikel 27, lid 4 WOR). In dit geval staat echter vast dat Holland Casino voorafgaand aan het nemen van het besluit geen instemming aan de OR heeft gevraagd, zodat voor toepassing van lid 4 van artikel 27 WOR geen ruimte is.

4.12

Holland Casino heeft aangegeven dat de aanloop naar het besluit tot wijziging van de pensioenuitvoerder een lange is geweest: reeds vanaf eind 2013/begin 2014 is dit onderwerp van gesprek. In ieder geval vloeit uit de brief van Holland Casino van 27 juni 2016 (bijlage 5 bij verzoekschrift) voort dat Holland Casino de uitvoeringsovereenkomst met SPHC met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden per 1 januari 2017 heeft opgezegd. In diezelfde brief geeft Holland Casino reeds aan dat zij er de voorkeur aan geeft om de uitvoering onder te brengen bij STAP. Uit de opzegging van de overeenkomst met SPHC en het uitspreken van een voorkeur voor STAP vloeit echter nog niet voort dat Holland Casino op dat moment reeds voor STAP had gekozen, wel dat STAP op dat moment in beeld was als mogelijke, misschien zelfs de beoogde opvolger van SPHC.

4.13

Het tijdstip van de keuze voor STAP blijkt niet uit schriftelijke stukken. De heer Roijers heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat in de periode rondom juni 2016 de CEO van Holland Casino de keuze voor STAP heeft gemaakt, nadat daarover met de Raad van Commissarissen van Holland Casino was gesproken. Notulen van die besprekingen, waaruit dit zou blijken, zijn niet gemaakt. Pas na het nemen van het besluit om over te gaan naar STAP is de transactie verder uitgewerkt, volgens Roijers. Rondom december 2016 was er overeenstemming op hoofdlijnen, hoewel de overeenkomst toen nog niet door partijen is getekend.

4.14

Op zichzelf genomen zijn de verklaringen van de heer Roijers nog niet voldoende om aan te nemen dat omstreeks juli 2016 de keuze voor STAP is gemaakt, maar zijn verklaringen in combinatie met de presentatie van pensioenadviesbureau Montae (bijlage 13 bij verzoekschrift) en het memo van Pensioen Perspectief, namens de OR, van 1 september 2016 (bijlage 14 bij verzoekschrift) overtuigen de kantonrechter dat Holland Casino in ieder geval omstreeks eind augustus 2016 de keuze heeft gemaakt voor STAP als nieuwe pensioenuitvoerder. Op bladzijde 15 van de presentatie van Montae staat dat HC op basis van een gedegen toekomstverkenning [is] gekomen tot het voorgenomen besluit om ‘toekomst vanaf 1/1/2017’onder te brengen bij Stap APF. En het memo van Pensioen Perspectief begint met: Holland Casino (HC) is voornemens de pensioenregeling onder te brengen bij STAP APF. Vooral ook uit het feit dat noch in de presentatie van Montae noch in het betreffende memo enige andere aanbieder van pensioenuitvoeringsdiensten genoemd wordt leidt de kantonrechter af dat de keuze voor STAP was gemaakt en dat er geen alternatieve aanbieders (meer) in beeld waren.

4.15

Zoals reeds in rechtsoverweging 4.8 is uiteengezet gaat het bij de uitbreiding van het instemmingsrecht van de ondernemingsraad, die met de wetswijziging van 1 oktober 2016 is beoogd, om de keuze voor de (nieuwe) pensioenuitvoerder. Die keuze is voor 1 oktober 2016 gemaakt, zo is in de vorige rechtsoverweging beslist. Dat pas in december 2016 de hoofdlijnen met STAP waren uitgewerkt, dat de overeenkomst met STAP pas op 31 maart 2017 is getekend (bijlage 3 bij verweerschrift) en dat de beoogde overgangsdatum is opgeschoven van aanvankelijk 1 januari 2017 naar 1 juli 2017, doet niet af aan het oordeel dat de keuze voor STAP voor 1 oktober 2016 is genomen.

4.16

Uit het voorgaande vloeit voort dat volgens de tekst van artikel 27 WOR, zoals dat luidde voor 1 oktober 2016, de OR geen instemmingsrecht toekwam op het punt van de keuze voor een nieuwe pensioenuitvoerder en dat Holland Casino het besluit daartoe derhalve zonder medezeggenschap van de OR kon nemen. Nu Holland Casino zodanig kon beslissen kon de OR ook niet de nietigheid van dat besluit inroepen.

4.17

Met het oordeel dat de OR geen instemmingsrecht toekwam voor de keuze voor STAP als nieuwe pensioenuitvoerder geeft de kantonrechter geen oordeel over de vraag of
-wellicht- FNV op grond van de CAO bij deze keuze gekend had moeten worden. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter, die oordeelt over de aanhangige procedure tussen FNV en Holland Casino. Het is in dat licht dat de kantonrechter het verzochte in de hoofdzaak onder (a) zal toewijzen, met dien verstande dat de kantonrechter een onvoorwaardelijke beslissing zal geven, nu, zoals reeds in rechtsoverweging 4.2 is aangegeven, in deze procedure alleen vanuit het oogpunt van de medezeggenschapsbepalingen van de WOR een oordeel wordt verzocht. De tekst van het verzoek van Holland Casino biedt daartoe de ruimte. Gelet op de toewijzing van het verzochte onder (a) komt de kantonrechter niet toe aan het verzochte onder (b). Een verklaring voor recht leent zich niet voor uitvoerbaarheid bij voorraad en daarom zal de kantonrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad aan zijn beslissing onthouden. In die zin komt de kantonrechter tegemoet aan hetgeen de OR in haar tegenverzoek verzoekt.

4.18

Omdat de kantonrechter als eindoordeel heeft gegeven dat de OR geen instemmingsrecht toekwam op het punt van de keuze voor STAP als nieuwe pensioenuitvoerder is voor toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de kantonrechter geen ruimte, nu deze niet kan treden in het ondernemingsbeleid van Holland Casino. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen, zoals mede door de OR verzocht.

4.19

Omdat de OR bij wijze van tegenverzoek het treffen van een voorlopige voorziening heeft verzocht, maar dat alleen heeft gedaan voor de duur van de procedure en met deze beschikking een eindoordeel wordt gegeven en aan de procedure derhalve een eind komt, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

4.20

Het tegenverzoek tot het verplichten van Holland Casino om zich te onthouden, op straffe van een dwangsom, tot uitvoering van nietige besluiten in verband met de wisseling van pensioenuitvoerder, zal evenzeer worden afgewezen, nu, als hiervoor beslist, geen sprake is van instemmingsplichtige besluiten en de genomen besluiten in dat kader derhalve niet nietig (kunnen) zijn.

4.21

Gelet op artikel 22a WOR is er geen ruimte de OR, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure te veroordelen, als daar al om zou zijn verzocht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek

- verklaart voor recht dat Holland Casino voor het nemen van het Besluit geen instemming de OR behoefde en dat bijgevolg de OR ten onrechte de nietigheid van het Besluit heeft ingeroepen;

- wijst het anders of meer verzochte af.

In het tegenverzoek

- wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.