Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16483

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
09/766084-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Politierechter - vrijspraak - klacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer: 09/766084-16

Tegenspraak

Proces-verbaal van de terechtzitting

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 3 augustus 2017.

Tegenwoordig:

mr. J. Eisses, politierechter,

mr. L. Kooijmans, officier van justitie,

en mr. M. van Haalem, griffier.

De politierechter doet de zaken tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1960 te [plaats] (Suriname),

[adres] .

Als raadsman van de verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag.

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen zij zal horen en deelt haar mee dat zij niet tot antwoorden verplicht is.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van alle stukken van het onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de politierechter te nemen beslissing.

De verdachte legt op vragen van de politierechter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat ik de bedoelde brief en e-mail heb verstuurd. Ik vond het handelen van de politie niet passend: het was te heftig. Ik heb alleen maar gevraagd waarom ze mijn identiteitsbewijs wilden zien en toen escaleerde het. De rust was al helemaal weergekeerd in mijn huis toen de politie kwam. De politie had een deurklem op de deur gedaan, waardoor de deur wagenwijd openstond. Ik vond dit vreselijk, want iedereen kon naar binnen kijken. Ik heb de klem eraf gehaald om de deur toch dicht te kunnen doen. Ik heb de deur twee keer dichtgedaan. Ik werd uiteindelijk tegen de muur gegooid, met mijn kaak links tegen de muur gedrukt, mijn armen werden op mijn rug gedraaid en ik werd in de boeien geslagen waar mijn kinderen bij waren. Mijn zoons zeiden hier iets van en vervolgens werd de ene geslagen met een knuppel en werd de ander weggeduwd.

Ik heb me niet afgevraagd waarom de deur open moest blijven. Als dit was –zoals u zegt- zodat andere politiemensen zo nodig naar binnen konden, hadden ze mij dit toch kunnen uitleggen. Ik wilde gewoon de deur dicht doen, zodat mensen niet naar binnen konden kijken, maar de politie had de deur makkelijk weer open kunnen doen als dat nodig was. Ze zijn het hele huis doorgelopen en het was rustig en er was niets kapot.

Ik heb in de brief duidelijk aangegeven dat ik de toedracht wilde uitleggen.

U vraagt mij wat ik bedoeld heb met de tenlastegelegde uitspraken. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.

Mijn raadsman vraagt mij welke instructies ik van de klachtenbeoordelaar heb gekregen voor het schrijven van de brief. Hij heeft mij geen restricties opgelegd en hij heeft niet gezegd dat hij mijn brief door zou sturen naar de betreffende agent. Hij heeft geen enkel advies gegeven. Ik dacht dat hij als klachtencoördinator een geheimhoudingsplicht had. Ik heb het verwoord zoals ik het voorval beleefd heb. Het klopt dat ik ook nog gebeld heb met de politie, maar dat was om een afspraak te maken voor het doen van aangifte. Ik heb toen niet gezegd dat de betreffende agent een racist was, zoals in het dossier wordt beweerd. Ik heb bovendien nooit een naam genoemd, omdat ik die nooit heb geweten.

Afgelopen maandag ben ik ook bij de rechter geweest, omdat mij naar aanleiding van het voorval een bekeuring in het kader van de Wet op de identificatieplicht is opgelegd.

Over mijn persoonlijke omstandigheden kan ik u vertellen dat ik 30 dienstjaren als ambtenaar achter de rug heb en nu wachtgeld krijg. Ik ben niet direct op zoek naar een andere baan, omdat dat niet nodig is. Ik ben nog onder behandeling van een therapeut naar aanleiding van het incident. Eind december/ begin januari kon ik niet doorgaan met de behandeling omdat alles zich in mijn hoofd bleef herhalen. Mijn therapeute heeft mij toen geadviseerd de behandeling te onderbreken. Nu gaat het fysiek en mentaal slecht met mij. Ik heb nog steeds last van mijn armen door (de manier van) het boeien. Ik heb foto’s van hoe mijn armen er na het incident uit zagen en die wil ik graag laten zien. Ze hebben mijn armen zodanig naar achteren gedraaid, dat ik binnenkort geopereerd moet worden.

De verdachte laat de politierechter en de officier van justitie foto’s op haar telefoon zien van polsen/armen vol blauwe plekken.

De officier van justitie vraagt mij of het klopt dat mijn klacht op 25 april 2017 ongegrond is verklaard. Mijn raadsman verklaart dat hij niet met deze beslissing bekend is, maar dat hij alleen weet dat het beklag in de artikel 12-procedure is afgewezen . Ik hoor mijn raadsman zeggen dat het zo kan zijn dat naar aanleiding van die beslissing ook een beslissing door de politie is genomen op de klacht, maar dat hij hiermee niet bekend is.

De officier van justitie zegt in haar requisitoir dat er het voorval alweer enige tijd geleden is en er in de tussentijd veel is gebeurd: er is een tegenaangifte gedaan, die inmiddels is geseponeerd, er is een klacht ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de dagvaarding is ongegrond verklaard en het verzoek tot het horen van een getuige is door de rechter-commissaris afgewezen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de deurklem op de deur had moeten blijven zitten. De situatie is geëscaleerd nadat verdachte aan meerdere waarschuwingen niet had voldaan. De politie heeft alleen maar zijn wettelijke bevoegdheden gebruikt na een melding van huiselijk geweld. Verdachte heeft heftig verzet gepleegd. Ze heeft blijkens het dossier al met al een uurtje op het bureau gezeten en toen mocht ze weer naar huis.

De brief en de e-mail zijn te beschouwen als geschriften, rechtstreeks gericht aan brigadier [brigadier] , nu de geschriften zijn gericht aan het politiebureau waar de betreffende agent werkzaam was. Ook de opmerking over het neerschieten slaat op de toen aanwezige politiemensen, gezien de zin daarvoor. Door het latere telefoongesprek wordt dit ingekleurd: verdachte noemde [brigadier] daarin een racist en verwees naar het doodschieten van zwarte mensen door de politie in de Verenigde Staten. Dat telefoontje is niet ten laste gelegd, maar dat was de aanleiding voor de aangifte. Tegen die achtergrond voelt [brigadier] zich beledigd. Verdachte beroept zich op haar zwijgrecht, maar het had in de rede gelegen dat zij uitgelegd had hoe zij de opmerkingen bedoeld heeft. Nu moeten wij het doen met het dossier en beoordelen hoe een gemiddelde burger de gebruikte teksten zou opvatten.

De uitzondering van artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is niet aan de orde; de uitlatingen waren onnodig zwaar grievend. De beperking van de vrijheid van meningsuiting is voorzien bij de wet. Een ambtenaar in functie hoeft zich niet alles te laten welgevallen. Verdachte is met deze opmerkingen de grens overgegaan en het waren geen teksten die bijdroegen aan het algemeen belang of het maatschappelijk debat.

De officier van justitie verklaart bij haar eis rekening te houden met de grote consequenties die een en ander voor verdachte heeft gehad en met de ouderdom van het feit.

De vordering houdt in dat de verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis waarvan € 175,- voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie legt de vordering aan de politierechter over.

De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, die hij aan de politierechter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

De officier van justitie voert andermaal het woord, als volgt.

Ik ben het met de raadsman eens dat niet kan worden vastgesteld of [brigadier] in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was toen hij kennis nam van de beledigende teksten, dus ik vraag u verdachte voor dat deel vrij te spreken. Ik wil benadrukken dat uit

de folder blijkt dat de klacht wordt voorgelegd aan de persoon in kwestie en dat het om die reden een geschrift is dat kan worden geacht rechtstreeks te zijn verzonden. Verdachte heeft hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de beledigende teksten bij de beledigde aan zouden komen. Op pagina 16 is op ambtseed geverbaliseerd dat er een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met iemand die zich voorstelde als verdachte, iemand die wist van de inhoud van de zaak en opmerkingen maakte die aansloten bij de eerder door verdachte gemaakte opmerkingen. Ik ben van mening dat we er daarom vanuit kunnen gaan dat het verdachte was die belde. Dit telefoontje zou ook de reden kunnen zijn dat [brigadier] wel aangifte heeft gedaan en de andere agenten die bij de aanhouding betrokken waren niet. Het had op de weg van verdachte gelegen om uit te leggen wat zij met de opmerkingen heeft bedoeld, maar nu zij zich wat dat betreft op haar zwijgrecht beroept, moeten wij kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm en de context.

De raadsman voert andermaal het woord.

In de meegestuurde folder staat alleen maar dat wat de klachtenbehandelaar met iemand bespreekt, wordt voorgelegd aan de betrokken persoon. Er is dus niet vermeld dat dit één op één wordt doorgestuurd. In de folder staat bovendien dat de klachtenbehandelaar zich onafhankelijk opstelt en de belangen van beide partijen in ogenschouw neemt. Het stond cliënte vrij om zich over de politie te beklagen in deze procedure.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij verklaart:

Ik wil nogmaals benadrukken dat ik niemand een racist heb genoemd in het telefoongesprek en ook nooit een naam heb genoemd. Ik voel mij nu degene die wordt aangevallen, terwijl ik ben mishandeld.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt onmiddellijk mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

De inhoud van de tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 22 juni 2015 tot en met 26 juni 2015 te Zoetermeer opzettelijk een ambtenaar, [brigadier] , brigadier van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, door een toegezonden of aangeboden geschrift heeft beledigd, door op 22 juni 2015 een brief te schrijven (gericht aan Hoofdbureau Politie) met daarin de tekst: “Betreft: Mishandeling/huisvredebreuk door de politie van Zoetermeer op d.d.:20-06-2015” en/of “Het gedrag van de agenten dat ze op zo’n brute wijze handelen, deze agenten waren oneerbiedig, nors en onmenselijk.” en/of “Het doet mij zeer sterk denken aan weer eens een allochtoon kwestie met vaste etiket behandeling.” en/of door op 26 juni 2015 een e-mail te sturen aan [naam] (werkzaam als klachtbehandelaar bij de politie Zoetermeer) met daarin de tekst “Vandaag gebruiken de agenten grof geweld en morgen kunnen agenten mij neerschieten. Het past bij het beeld van de Amerikaanse strategie.” althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vrijspraak

De politierechter acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De politierechter heeft hiertoe het volgende overwogen.

De politierechter merkt ten eerste op dat dit bij uitstek een zaak is die zich had geleend voor mediation en dat het een gemiste kans is dat verdachte hiervan heeft afgezien. Verder moet verdachte beseffen dat de politie beschikt over allerlei bevoegdheden die burgers, zeker in hun eigen huis, niet graag tegen zich uitgeoefend zien maar onder bepaalde omstandigheden hebben te tolereren. Hieronder vallen het openhouden van een deur zodat eventuele versterking makkelijk de woning kan betreden en het moeten tonen van een identiteitsbewijs. De politierechter is van oordeel dat het recalcitrante gedrag van verdachte jegens de politie niet op zijn plaats was en dat zij er zelf de aanleiding van was dat de zaak escaleerde en er geweld toegepast moest worden.

De politierechter stelt vast dat de tenlastegelegde teksten door verdachte naar de politie van Zoetermeer zijn verstuurd. Zij is van oordeel dat een schriftelijke klacht indienen niet hetzelfde is als een vertrouwelijke brief sturen en dat uit de toegestuurde folder blijkt dat de klacht op zijn minst met de betrokken persoon wordt besproken, wat ook voor de hand ligt. In de Uitvoeringsregeling klachtbehandeling politie staat onomwonden dat de betrokken politiefunctionaris een afschrift van de klacht krijgt. Verdachte had moeten beseffen dat zij niet bij de politie over de politie kon klagen zonder dat de betrokkenen daarover geraadpleegd zouden worden.

Verdachte heeft in haar klacht de betrokken politieambtenaren beschuldigd van mishandeling, huisvredebreuk en –naar de politierechter begrijpt- discriminatie (‘weer eens een allochtoon kwestie met vaste etiket behandeling’ en ‘Het past bij het beeld van de Amerikaanse strategie’).

Natuurlijk kan men in een klacht te ver gaan. Iemand ervan beschuldigen dat hij je grof heeft mishandeld en heeft gediscrimineerd kan smaad dan wel belediging opleveren. Het gaat hier echter niet om een scheldkanonnade, zoals in de door de raadsman aangehaalde arresten van het Hof Amsterdam. Er kan ook niet gezegd worden dat het latere, niet tenlastegelegde telefoongesprek waarin verdachte de aangever heeft aangeduid als een racist, de brief en de e-mail ‘inkleurt’ oftewel de bedoeling van verdachte met de tenlastegelegde teksten verduidelijkt. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt juist, dat het gebeurde in het hoofd van verdachte steeds groter is geworden. Zij is er nog steeds voortdurend mee bezig.

In dit geval zijn de genoemde kwalificaties geuit door een burger die met deze termen in haar eigen woorden beschreef hoe zij het politieoptreden jegens haar had beleefd en waarom zij daar boos over was. Onder omstandigheden kan een normaal woord (jood, homo) een belediging opleveren. In dit geval neemt de context, namelijk de klachtprocedure, het beledigende karakter van de gebruikte termen juist weg. De politierechter is met de raadsman van oordeel dat de klachtprocedure zou worden uitgehold als klagers al te zeer op hun woorden zouden moeten letten en anders het risico lopen vervolgd te worden. Zij is dan ook gezien al het vorenstaande van oordeel dat de tenlastegelegde teksten geen belediging opleveren en verdachte moet worden vrijgesproken.

Beslissing

De politierechter:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Waarvan is opgemaakt dit proces‑verbaal dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

N.B. Op 17 augustus 2017 is een afschrift van het originele proces-verbaal op diens verzoek verstrekt aan de raadsman van verdachte. Nadien is het originele proces-verbaal in het ongerede geraakt. De rechter en griffier verklaren dat bovenvermeld proces-verbaal conform het origineel is.