Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6501
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd omdat hij zonder omgevingsvergunning vergunningplichtige dan wel onvergunbare (bouw)werken op het perceel heeft uitgevoerd. Het betreft de volgende (bouw)werken: de in de zijgevel geplaatste (schuif)deur, het laadplatform / de volledige aanbouw, de overkapping boven het laadplatform / aanbouw en de aangebrachte in/uitrit (uitweg). Ook dient de brandtrap onder de nooddeur in de zijgevel terug geplaatst te worden en de nooddeur voorzien te worden van het opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’.

De rechtbank heeft overwogen dat het grote geschilpunt het antwoord op de vraag betreft of het overkapte laadplatform vanaf het moment dat dit is losgekoppeld van het hoofdgebouw en is voorzien van uitschuifbare wielen nog kan worden aangemerkt als een bouwwerk. De rechtbank is van oordeel dat het laadplatform, ook nadat het mobiel is gemaakt, als een bouwwerk aangemerkt moet worden. Hierbij wordt overwogen dat het platform tijdens de bouw overduidelijk was bedoeld om ter plaatse te functioneren en dus een plaatsgebonden constructie betreft. Pas nadat verweerder is overgegaan tot invordering van de last onder dwangsom wordt het platform mobiel gemaakt en gescheiden van het hoofdgebouw. Dat eiser vanaf dat moment de mogelijkheid heeft om het laadplatform naar een andere plek te verplaatsen, doet aan het plaatsgebonden karakter, gelet op het feitelijk gebruik zoals dat heeft plaatsgehad, niet af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het laadplatform met uitzondering van de één controle telkens op de oorspronkelijke plek stond. Eiser heeft derhalve niet voldaan aan de last nu hij het laadplatform niet heeft verwijderd en verwijderd heeft gehouden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin de uitweg heeft verwijderd dan wel verwijderd heeft gehouden. Ook was ten tijde van primaire besluiten I en II de nooddeur niet voorzien van het opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’ en was er evenmin een brandtrap onder de nooddeur aanwezig was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet aan de last heeft voldaan, zodat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd en verweerder terecht tot invordering is overgegaan. Evenmin zijn bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan van invordering kan worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.I. Assink),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. G.P.H.A. Peijnenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2016 (primair besluit I) heeft verweerder de door eiser van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 29 januari 2016 (primair besluit II) heeft verweerder de door eiser van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 4 februari 2016 (primair besluit III) heeft verweerder de door eiser van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 12 februari 2016 (primair besluit IV) heeft verweerder de door eiser van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 3 mei 2016 (primair besluit V) heeft verweerder de door eiser van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,- ingevorderd.

Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn bestuurder [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser is gelast om binnen zes weken na dagtekening van het besluit de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde vergunningplichtige dan wel onvergunbare (bouw)werken op het perceel / aan het pand gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend als gemeente De Lier, sectie E nummer 1248, te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Het betreft de volgende (bouw)werken: de in de zijgevel geplaatste (schuif)deur, het laadplatform / de volledige aanbouw, de overkapping boven het laadplatform / aanbouw en de aangebrachte in/uitrit (uitweg). Ook dient de brandtrap onder de nooddeur in de zijgevel terug geplaatst te worden en de nooddeur voorzien te worden van het opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 10.000,- voor iedere week dat niet is voldaan aan de last tot een maximum van € 50.000,-.

1.2.

Bij besluit van 9 december 2015 heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van twee gevels door middel van het aanbrengen van twee overheaddeuren. Verweerder heeft op 8 januari, 15 januari, 22 januari, 29 januari en 8 april 2016 dwangsomcontroles uitgevoerd. De bevindingen van deze controles hebben geleid tot de primaire besluiten. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat eiser niet aan de last heeft voldaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder baseert zijn standpunt op het advies van de Commissie bezwaarschriften Westland van 16 juni 2016. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan de last heeft voldaan, zodat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd en terecht tot invordering is overgegaan. Verweerder heeft geconstateerd dat de uitweg nog steeds aanwezig is. Daarnaast is het overkapte laadplatform, ondanks de mogelijkheid tot verplaatsing, nog altijd een vergunningplichtig bouwwerk, dat nog altijd niet is verwijderd. Er zijn dan ook geen bijzondere omstandigheden aanwezig die maken dat van invordering moet worden afgezien.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hiertoe voert hij – samengevat – aan dat hij aan de last heeft voldaan nu hij een vergunning heeft gekregen voor de geplaatste schuifdeuren en er een opschrift ‘nooduitgang’ is geplaatst. Daarnaast is het laadplatform verrijdbaar en wordt het slechts incidenteel bij de betreffende schuifdeur gebruikt, waardoor de constructie niet plaatsgebonden is. Gelet hierop is geen sprake meer van een bouwwerk, zodat aan de last is voldaan. Ook stelt eiser dat door het plaatsen van de betonnen trottoirbanden de uitweg is geblokkeerd en onbruikbaar is. Bovendien is geen sprake van een uitweg. Voorts voert eiser aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgezien van invordering dan wel tot matiging van de dwangsommen. Eiser stelt daartoe dat het invorderen van de dwangsom leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen voor het voortbestaan van het bedrijf van eiser, de situatie reeds 18 jaar bestaat en hem door de betreffende ambtenaar mondeling is toegezegd dat de situatie gedoogd zal worden, de hoorplicht is geschonden, de dwangsommen onredelijk hoog zijn en bewijs van deskundigheid van de betreffende ambtenaar ontbreekt.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2015. Gelet hierop heeft de aan eiser opgelegde last onder dwangsom formele rechtskracht gekregen.

Dit betekent dat de rechtbank bij haar beoordeling dient uit te gaan van de juistheid van de last onder dwangsom, zowel naar inhoud als naar wijze van tot stand komen. Ter toetsing ligt slechts de rechtmatigheid van het besluit op het bezwaar tegen de invorderingsbesluiten voor. De gronden gericht tegen de last onder dwangsom, behoeven dan ook geen verdere bespreking.

4.2.

De rechtbank begint bij de vraag of er sprake is van een overtreding. Hierbij is het grote geschilpunt het antwoord op de vraag of het overkapte laadplatform vanaf het moment dat dit is losgekoppeld van het hoofdgebouw en is voorzien van uitschuifbare wielen nog kan worden aangemerkt als een bouwwerk. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet daarvoor sprake zijn van een plaatsgebonden constructie van een zekere omvang. Plaatsgebondenheid betekent evenwel niet dat de constructie onlosmakelijk met de grond verbonden moet zijn. Ook verplaatsbare, mobiele constructies kunnen als plaatsgebonden worden beschouwd als de bedoeling aanwezig is om de constructie permanent of gedurende een lange tijd op één plaats aanwezig te laten zijn (uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3145).

4.3.

Uit de stukken volgt dat eiser eind 2014, begin 2015 een schuifdeur in de zijkant van het hoofdgebouw heeft aangebracht en een uitweg heeft gecreëerd, juist met de bedoeling om vrachtwagens te laden en te lossen. Vervolgens heeft eiser in 2015 het laadplatform ter hoogte van deze schuifdeur tegen het hoofdgebouw gebouwd. Dit laadplatform is later voorzien van een overkapping. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het platform tijdens de bouw overduidelijk was bedoeld om ter plaatse te functioneren en dus een plaatsgebonden constructie betreft. Pas nadat verweerder is overgegaan tot invordering van de last onder dwangsom wordt het platform mobiel gemaakt en gescheiden van het hoofdgebouw. Dat eiser vanaf dat moment de mogelijkheid heeft om het laadplatform naar een andere plek te verplaatsen, doet aan het plaatsgebonden karakter, gelet op het feitelijk gebruik zoals dat tot en met 8 april 2016 heeft plaatsgehad, niet af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het laadplatform met uitzondering van de controle van 22 januari 2016, telkens op de oorspronkelijke plek stond. Op 22 januari 2016 stond het platform slechts enkele meters van de oorspronkelijke plek. Dat eiser vanaf 15 juli 2016 het platform als podiumaanhanger verhuurt doet aan het voorgaande niet af nu deze huurovereenkomst is aangegaan nadat de laatste dwangsom is ingevorderd. De door eiser overgelegde foto’s, waarop te zien is dat het laadplatform in augustus en september 2016 elders is geplaatst, kunnen om dezelfde reden daaraan niet afdoen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het laadplatform, ook nadat het mobiel is gemaakt, als een bouwwerk aangemerkt moet worden. Eiser heeft derhalve niet voldaan aan de last nu hij het laadplatform niet heeft verwijderd en verwijderd heeft gehouden.

4.4.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin de uitweg heeft verwijderd dan wel verwijderd heeft gehouden. Het enkele feit dat eiser drie betonbalken heeft neergelegd ter blokkering van deze uitweg is daartoe onvoldoende, omdat hiermee geen sprake is van een blijvende situatie. Uit de foto’s behorende bij de rapportages van 22 en 29 januari 2016 volgt ook dat deze betonbalken op een andere plek en in een andere positie liggen. Onder deze omstandigheden is de aangebrachte uitweg niet definitief verwijderd en dus bruikbaar. Dat eiser thans een container heeft geplaatst om de uitweg te blokkeren kan hieraan niet afdoen, omdat dit pas is gedaan na de laatste invordering en derhalve na de periode in geding. Het betoog van eiser dat geen sprake is van een uitweg in de juridische zin, omdat slechts sprake is van een modderige groenstrook zonder fysieke voorzieningen, behoeft geen bespreking.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat de strook grond in de last onder dwangsom is geformuleerd als de aangebrachte in/uitrit (uitweg), zodat duidelijk is wat van eiser werd verwacht. Zoals overwogen onder 4.1. gaat de rechtbank bij haar beoordeling uit van de juistheid van de last onder dwangsom, zowel naar inhoud als naar wijze van tot stand komen.

4.5.

Tot slot overweegt de rechtbank dat uit de rapportages van 8 januari 2016 en 15 januari 2016 genoegzaam is gebleken dat ten tijde van primaire besluiten I en II de nooddeur niet was voorzien van het opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’ en er evenmin een brandtrap onder de nooddeur aanwezig was. Ook ten tijde van primair besluit III was de brandtrap niet onder de nooddeur aanwezig.

4.6.

Gelet op het voorgaande waren de overtredingen ten tijde van de primaire besluiten niet (volledig) beëindigd. Hiermee staat vast dat eiser niet tijdig aan de last onder dwangsom heeft voldaan, zodat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de bevoegdheid om verbeurde dwangsommen in te vorderen niet reeds is verjaard. De dwangsommen die verweerder thans invordert zijn van rechtswege verbeurd op 12 december 2015. Op grond van artikel 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Deze termijn wordt ingevolge artikel 4:106 van de Awb gestuit door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 en door een dwangbevel. Ingevolge artikel 4:110, eerste en tweede lid, begint door stuiting van de verjaring de volgende dag een nieuwe verjaringstermijn te lopen die gelijk is aan de oorspronkelijke termijn. Vast staat dat verweerder in januari 2017 een dwangbevel heeft laten betekenen ter inning van de dwangsommen. Gelet hierop, mede in het licht van de onweersproken stelling van verweerder dat er voor 12 december 2016 aanmaningen zijn verstuurd die door het uitblijven van een betaling hebben geleid tot het dwangbevel, is voldoende gebleken dat de verjaring van de bevoegdheid tot invordering is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn van een jaar is gaan lopen, die nog niet is verstreken. Verweerder was dan ook bevoegd om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan.

5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7685). Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

5.2.

Voor zover de beroepsgronden van eiser betrekking hebben op de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom, zoals de hoogte van de dwangsommen en het tijdsverloop alvorens tot handhaving is overgegaan, behoeven dan ook geen verdere bespreking. De rechtbank verwijst naar haar overweging 4.1..

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiser dergelijke bijzondere omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij overweeg de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling het enkele feit dat eiser deels aan de last heeft voldaan onvoldoende is voor het oordeel dat verweerder geheel dan wel gedeeltelijk van invordering dient af te zien (zie onder andere de uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:648).

De in dat kader door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:32) heeft geen betrekking op een vergelijkbaar geval. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat aan het doel waarvoor de last is opgelegd is voldaan. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake nu de illegale situatie niet is opgeheven (doel van de last onder dwangsom). Dat eiser heeft getracht aan de last onder dwangsom te voldoen levert evenmin een bijzondere omstandigheid op. Hetzelfde geldt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voor de situatie waarbij na de begunstigingstermijn aan de last wordt voldaan. (zie onder meer de uitspraak van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7685).

5.4.

Dat derden niet om invordering hebben verzocht kan evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij overweegt de rechtbank dat ook verweerder tot invordering kan besluiten. Anders dan eiser heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat de situatie, waarop de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5649, betrekking heeft, niet vergelijkbaar is met die van eiser. Immers, de rechtbank Utrecht heeft in die uitspraak overwogen – anders dan in de onderhavige situatie – dat het beoogde doel niet werd bereikt met de invordering.

5.5.

Evenmin is gebleken dat de hoorplicht is geschonden. Volgens vaste rechtspraak is het besluit tot invordering van de dwangsom een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting (zie onder andere de uitspraak van de RvS van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012BX8985). Tegen dit besluit kan bezwaar worden gemaakt en niet gebleken is dat de nadelige gevolgen van de invorderingsbesluiten niet volledig ongedaan kunnen worden gemaakt, zodat toepassing van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, terecht achterwege is gelaten en dit geen bijzondere omstandigheid oplevert.

5.6.

Eiser heeft zich voorts beroepen op een door een medewerker van de gemeente gedane toezegging dat de verbeurde dwangsommen niet zouden worden ingevorderd. Ook hieraan gaat de rechtbank voorbij. Eiser heeft de gestelde toezegging niet concreet en verifieerbaar onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Voorts stelt de rechtbank vast dat de overtredingen door een gemeentelijke toezichthouder zijn geconstateerd en hiermee door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag (zie de uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3632). De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de toezichthouder. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat in de rapportages relevante feiten en omstandigheden zijn opgenomen, ondersteund door foto’s.

5.7.

Het betoog van eiser dat invordering van de verbeurde dwangsommen onaanvaardbare financiële gevolgen heeft, betreft geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Hierbij wordt overwogen dat eiser dit betoog niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de door eiser overgelegde resultatenrekening over de periode 1 januari tot en met 30 september 2016 een negatief resultaat laat zien is daartoe onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank dat deze resultatenrekening niet is ondertekend door een accountant. Bij gebreke van overige stukken, zoals jaarrekeningen, is de financiële situatie van eiser onvoldoende na te gaan. De verklaring van accountant [persoon 2] van 16 september 2016 maakt dit niet anders.

6. Het beroep is dan ook ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.