Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
C/09/501593 / FA RK 15-9614
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

adoptie en gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-9614

Zaaknummer: C/09/501593

Datum beschikking: 15 maart 2017

Adoptie en gezag

Beschikking op het op 10 december 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker]

de man,

wonende te [woonplaats]

en

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats]

hierna ook te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. G. Alkilic te ’s-Gravenhage,

Als belanghebbende worden aangemerkt:

[1. belanghebbende] en [2. belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] , India,

hierna te noemen: de draagmoeder en haar echtgenoot.

Ten aanzien van het vaststellen van de geboortegegevens van de minderjarigen wordt als belanghebbende aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,

hierna: de ambtenaar.

Als informant wordt aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Procedure

Bij beschikking van 6 juni 2016 van deze rechtbank is:

  • -

    het ouderlijk gezag van de draagmoeder en haar echtgenoot over de minderjarigen beëindigd;

  • -

    verzoeker benoemd tot voogd over de minderjarigen;

  • -

    de behandeling van het verzoek tot adoptie aangehouden teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 30 november 2016, met bijlage, van verzoekers;

- de brief d.d. 8 december 2016, met bijlagen, van verzoekers.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Adoptie

Het verzoek tot adoptie is aangehouden om verzoekers in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over het volgende:

  • -

    de medische indicatie voor draagmoederschap;

  • -

    raadpleging door verzoekers van de raad voor de kinderbescherming of een soortgelijke instantie in India;

  • -

    de vraag of vaststaat dat de minderjarigen zijn geboren met toepassing van eiceldonatie van een donor niet zijnde de draagmoeder (de door verzoekers overgelegde verklaring van [bedrijfsnaam] d.d. 3 maart 2015 is niet helemaal duidelijk);

  • -

    in hoeverre de identiteit van de eiceldonor raadpleegbaar is;

  • -

    in hoeverre onafhankelijke medische, psychologische en juridische begeleiding heeft plaatsgevonden.

Verzoekers hebben zich uitgelaten. De rechtbank zal hierna allereerst weergeven wat verzoekers nader naar voren hebben gebracht en daarna beoordelen of met deze informatie in voldoende mate is voldaan aan de door de rechtbank bij tussenbeschikking geformuleerde aanvullende voorwaarden voor de verzochte adoptie.

Aan deze aanvullende voorwaarden dient naar het oordeel van de rechtbank zo veel mogelijk te zijn voldaan, nu verzoekers bij toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland aan deze eisen zouden hebben moeten voldoen en in het algemeen voorkomen moet worden dat aan de Nederlandse eisen kan worden ontkomen door te kiezen voor draagmoederschap in het buitenland. De Nederlandse eisen zijn immers opgesteld ter bescherming van de rechten van zwakkeren, zoals het kind dat uit draagmoederschap geboren wordt (en onder omstandigheden ook de draagmoeder). Deze bescherming acht de rechtbank van groot belang. Ook in het inmiddels uitgebrachte rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap "Kind en ouders in de 21ste eeuw" worden nadere eisen voor draagmoederschap geformuleerd die aansluiten bij de reeds eerder door de rechtbank geformuleerde aanvullende voorwaarden. De eis dat geen gebruik mag zijn gemaakt van anonieme donoren sluit bovendien aan bij de Nederlandse wetgeving over inzage in donorgegevens, welke wetgeving weer aansluit bij het internationale recht van elk kind om zijn ouders te kennen.

Verzoekers hebben naar aanleiding van de tussenbeschikking het volgende naar voren gebracht.

Medische indicatie voor draagmoederschap

Door verzoekers is een medische verklaring van Huisartsenpraktijk [naam] overgelegd waarin is vermeld dat het voor verzoekster medisch niet mogelijk is om zwanger te worden.

Raadpleging door verzoekers van de raad voor de kinderbescherming

Verzoekers hebben verklaard in India niet de raad voor de kinderbescherming of een soortgelijke instantie te hebben geraadpleegd omdat er in de woonplaats waar de vrouw met de minderjarigen verbleef geen raad voor de kinderbescherming of soortgelijke instantie is. Verzoekers hebben aangegeven de raad voor de kinderbescherming in Nederland te hebben verzocht om een onderzoek te doen, maar dat de raad heeft aangegeven dat hij alleen onderzoek doet in opdracht van de rechtbank. Omdat de minderjarigen inmiddels bij verzoekers in Nederland verblijven is een onderzoek van een instantie in India niet meer mogelijk. Verzoekers hebben zich bereid verklaard mee te werken aan een onderzoek door de raad in Nederland.

Heeft er onafhankelijke medische, psychologische en juridische begeleiding plaatsgevonden?

Verzoekers hebben gesteld dat de draagmoeder medisch is begeleid door de kliniek [bedrijfsnaam] , die verzoekers van het gehele proces op de hoogte heeft gehouden. Verzoekers hebben zich in India gewend tot een advocaat om zich te laten informeren over de juridische aspecten van het draagmoederschap. Er heeft geen psychologische begeleiding plaatsgevonden omdat hiertoe geen aanleiding was, aldus verzoekers.

Zijn de minderjarigen geboren met toepassing van eiceldonatie van een donor niet zijnde de draagmoeder/ is de identiteit van de eiceldonor raadpleegbaar?

Verzoekers hebben verwezen naar de Indiase richtlijn die toeziet op accreditatie, begeleiding en reguleren van Assisted Reproductive Technologies, de zogenaamde Assisted Reproductive Technologies Clinics in India 2005 (ART-Richtlijn). Deze richtlijn bepaalt onder meer dat de draagmoeder geen eiceldonor mag zijn. De wensouders moeten zelf donoren zijn of gebruik maken van anoniem donormateriaal. Noch de wensouders noch de kliniek hebben het recht de identiteit van de donoren te kennen. Verzoekers geven aan dat op basis van die richtlijn geconcludeerd kan worden dat het in India onmogelijk is om de identiteit van de eiceldonor te raadplegen en dat tevens vaststaat dat de eicel niet van de draagmoeder afkomstig is.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de medische indicatie voor draagmoederschap voldoende door verzoekers is aangetoond. Echter hetgeen verzoekers nader naar voren hebben gebracht acht de rechtbank nog onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat het adoptieverzoek kan worden toegewezen.

Allereerst acht de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat de eicel niet van de draagmoeder afkomstig is. De enkele verwijzing door verzoekers naar de ART-richtlijn (die overigens geen status van wet heeft) acht de rechtbank onvoldoende. Daaruit is immers niet op te maken welke eiceldonatie in dit concrete geval bij de draagmoeder is toegepast. Nu verzoekers stellen dat er anonieme eiceldonatie heeft plaatsgevonden via het bureau [bedrijfsnaam] , ligt het op de weg van verzoekers hieromtrent objectieve bewijsstukken over te leggen, zoals een concrete hierop toegespitste verklaring van [bedrijfsnaam] . Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de eerder in de procedure overgelegde stukken tegenstrijdige feiten lijken te blijken. Immers in de draagmoederschapsovereenkomst is vermeld dat de draagmoeder zich bereid heeft verklaard om via hoogtechnologisch draagmoederschap (waarbij het zaad van de man en de eicel van de vrouw wordt gebruikt) een kind voor verzoekers te dragen, terwijl in de verklaring van [bedrijfsnaam] van 3 maart 2015 is vermeld dat een eicel is gebruikt die beschikbaar is gesteld door de kliniek [bedrijfsnaam] . Daarbij is niet vermeld of dit van een anonieme of bekende eiceldonor is geweest. Hiermee is ook niet uit te sluiten dat het een eicel van de draagmoeder is geweest.

De rechtbank zal verzoekers in de gelegenheid stellen een verklaring van [bedrijfsnaam] over te leggen waaruit blijkt of er sprake is geweest van anonieme eiceldonatie dan wel van donatie door een bekende eiceldonor, en indien dit het geval is, wat er kan worden vermeld over de identiteit van de eiceldonor.

Gelet op het belang van de minderjarigen om in de toekomst hun ontstaansgeschiedenis te kunnen achterhalen, dienen verzoekers tevens een verklaring van [bedrijfsnaam] in het geding te brengen waarin wordt vermeld wat de mogelijkheden van de minderjarigen zijn om identiteit van de eiceldonor (al dan niet als zij ouder zijn) te raadplegen.

Het verzoek tot adoptie zal in verband met het voorgaande worden aangehouden.

Gelet op het gegeven dat er in India geen onderzoek door een met de raad voor de kinderbescherming vergelijkbare instantie heeft plaatsgevonden en er evenmin sprake is geweest van psychologische begeleiding van verzoekers (en de draagmoeder) is de rechtbank van oordeel – vooruitlopend op de ontvangst van de hiervoor gevraagde verklaring van de [bedrijfsnaam] – dat een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming geïndiceerd is.

Het onderzoek dient de vraag te betreffen: is adoptie door verzoekers in het belang van de minderjarigen? De raad wordt verzocht bij het onderzoek in ieder geval de volgende aspecten te betrekken:

  • -

    de wijze waarop het traject is verlopen, waaronder de omstandigheid dat het draagmoederschap tot stand is gekomen zonder psychologische begeleiding vooraf;

  • -

    de mate waarin verzoekers bereid en in staat zijn om recht te doen aan het belang van de minderjarigen om in de toekomst hun ontstaansgeschiedenis te kunnen achterhalen (ook indien er sprake mocht blijken te zijn van een anonieme eiceldonor).

De rechtbank verzoekt de raad van het onderzoek rapport uit te brengen en te adviseren omtrent de gestelde vragen.

Geboortegegevens minderjarigen

Indien de adoptie van de minderjarigen wordt uitgesproken dient de rechtbank (ambtshalve) een last tot inschrijving van de buitenlandse geboorteakten te geven dan wel de geboortegegevens van de minderjarigen vast te stellen. In de beschikking van 6 juni 2016 is reeds overwogen dat de in India opgemaakte geboorteakten van de minderjarigen niet kunnen worden erkend nu verzoekers in deze akten vermeld staan als ouders van de minderjarigen. Daarom dienen, indien de adoptie wordt uitgesproken, de geboortegegevens te worden vastgesteld. De rechtbank heeft in voornoemde beschikking vastgesteld dat de draagmoeder en haar echtgenoot worden aangemerkt als de juridische ouders van de minderjarigen.

Nu de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage belanghebbende is ten aanzien van de vaststelling van de geboortegegevens stelt de rechtbank de ambtenaar om proceseconomische redenen reeds nu in de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze op dit punt kenbaar te maken.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot adoptie wordt aangehouden tot 1 juli 2017 pro forma teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen een verklaring van [bedrijfsnaam] over te leggen als hiervoor vermeld;

*

bepaalt dat indien de verzoekers aan het hierbij bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoen, de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal kunnen worden afgedaan;

*

stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gelegenheid om uiterlijk 4 weken voor genoemde pro forma datum schriftelijk zijn standpunt ten aanzien van het vaststellen van de geboortegegevens van de minderjarigen kenbaar te maken;

*

bepaalt dat de verzoekers hierop uiterlijk twee weken voor de genoemde proformadatum, voor zover daarop wordt prijs gesteld, kunnen reageren;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 juli 2017 pro forma;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies van de raad, de rechtbank zal beslissen of een nadere behandeling ter terechtzitting noodzakelijk is of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de adoptie aan.

*

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, J.M. Vink, S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechters, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2017.