Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16461

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
SGR 17/796
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW-gat. Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad). Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6, eerste lid, EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.R. Stolwijk en mr. C.M.I. Huijts).

en

de Staat der Nederlanden.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 heeft verweerder eiser op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) wachtgeld toegekend tot 1 april 2016.

Bij brief van 15 juli 2015 heeft eiser verzocht de aanspraak op wachtgeld door te laten lopen tot de ingangsdatum van het recht op een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Verweerder heeft de brief van eiser van 15 juli 2015 opgevat als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 5 april 2011.

Bij besluit van 24 september 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 november 2016 naar aanleiding van het rechtstreeks beroep onder meer beslist dat verweerder een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft verweerder opnieuw beslist.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Partijen zijn akkoord met rechtstreeks beroep.

Bij besluit van 29 augustus 2017 heeft verweerder aanvullend beslist.

Desgevraagd heeft eiser bij brief van 8 september 2017 bericht dat hij zich kan verenigen met het besluit van 29 augustus 2017 en dat hij het verzoek om schadevergoeding

handhaaft.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017.

Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1.1

De rechtbank leest de brief van eiser van 8 september 2017 als een intrekking van het beroep en handhaving van het verzoek om schadevergoeding.

1.2

Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade van 2 x € 500,-, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

2 De rechtbank zal hieronder het verzoek om schadevergoeding beoordelen.

2.1

De rechtbank merkt de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie, thans: de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Minister) als partij aan bij eisers verzoek om schadevergoeding, omdat het gaan om het aandeel van de bestuursrechter daarin.

Zoals blijkt uit de Beleidsregel van de Minister van 8 juli 2014, nr. 436935 (zie Stcrt. 2014, nr. 20210) ziet de Minister in zaken als de onderhavige af van het voeren van verweer. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de Minister uit te nodigen verweer te voeren dan wel ter zitting te verschijnen.

2.2

In deze beroepszaak is aan de orde de landelijke kwestie met betrekking tot het wachtgeld en het AOW-gat van (oud) burgerambtenaren van Defensie. Op 1 oktober 2015 is verweerder na overleg met de vakbonden gekomen tot een regeling. Door betrokkenen zijn verschillende procedures aangespannen bij verschillende rechtbanken in het land over de hoogte van de tegemoetkoming. In veel gevallen, zoals ook in dit geval, is op verzoek de bezwaarprocedure overgeslagen met toestemming van verweerder. Omdat de bezwaarprocedure is overgeslagen, is de beroepsprocedure aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Bij de beoordeling van de redelijke termijn geldt de ontvangstdatum van het bezwaarschrift daarom als uitgangspunt.

2.3

Uit het dossier en de behandeling ter zitting blijkt dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van schade. De rechtbank acht de totale duur van de procedure niet onaanvaardbaar lang. Daartoe overweegt zij als volgt. Tussen aanvang van de beroepsprocedure en deze uitspraak zijn twee relevante uitspraken in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) gedaan, waar ook de gemachtigde van eiser bij betrokken was. De eerste uitspraak heeft de Raad gedaan op 18 juli 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2614). Na die uitspraak heeft deze rechtbank uitspraak gedaan in eisers zaak op 30 november 2016. De gemachtigde van eiser had tegen die uitspraak van deze rechtbank toen hoger beroep kunnen indienen. Eiser heeft er echter voor gekozen om de uitspraak van de Raad in de andere soortgelijke zaken af te wachten. De Raad heeft in die zaken op 26 april 2017 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2017:1473) uitspraak gedaan. Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder nieuwe besluiten genomen, zo ook in het geval van eiser, waarmee voor eiser een einde is gekomen aan de kwestie. Uit vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is niet gebleken van onvoldoende voortvarendheid van de rechtbank. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser niet voor vergoeding van schade in aanmerking komt.

2.4

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

3 Eiser heeft bij de intrekking van zijn beroep in de brief van 8 september 2017 niet gelijktijdig verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen, zodat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.