Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16425

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
C/09/521016 / FA RK 16-8300
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Int. kinderontvoeringszaak. Kenia. In geschil: gewone verblijfplaats. Rb oordeelt dat het verblijf van de minderjarige in Nederland van tijdelijke aard was, zodat de gewone verblijfplaats Kenia is. Beroep op weigerigsgronden faalt. Terugkeer gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-8300

Zaaknummer: C/09/521016

Datum beschikking: 13 januari 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 1 november 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de vader,

wonende te [woonplaats vader] , Kenia,

advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.H.A. van Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 14 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 15 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 15 december 2016, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 15 november 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M. Vink. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 30 november 2016 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

Op 16 december 2016 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige naar Kenia te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Kenia, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Kenia, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] Uganda.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [woonplaats vader] , Kenia.

- De vader heeft de Ugandese nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarige heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

- De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

- De ouders hebben in Kenia een tehuis voor straatkinderen opgezet, genaamd [naam tehuis] ( [naam tehuis] ). Het inkomen van partijen is afhankelijk van sponsoren uit onder meer de Verenigde Staten en Nederland (onder andere de Stichting Beats of Hope) die het project steunen. Daarnaast geeft de vader muziekoptredens in binnen- en buitenland.

- Partijen zijn als gezin op 1 oktober 2015 naar Nederland gegaan en op 28 december

2015 weer teruggekeerd naar Kenia. Sinds eind januari 2016 verblijft de moeder met de minderjarige in Nederland.

Beoordeling

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Hoewel Kenia geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen en gaat daarmee voorbij aan het verweer van de moeder op dit punt.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats minderjarige en gezagsrecht

Partijen zijn het erover eens dat de minderjarige vanaf de geboorte tot het vertrek naar Nederland – in ieder geval tot oktober 2015 – met haar ouders in [woonplaats vader] , Kenia, heeft gewoond. Partijen verschillen van mening over de vraag of de vader mede met het ouderlijk gezag over de minderjarige is belast. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het Keniaanse recht. De vader heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij mede is belast met het ouderlijke gezag over de minderjarige een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut, alsmede een brief van mrs. Mueni-Nyokabi, advocaat in Nairobi, overgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat uit Section 24 van de Keniaanse Children’s Act volgt dat ten aanzien van een staande huwelijk geboren kind, beide ouders met de ‘parental responsibility’ (ouderlijk gezag) belast zijn (lid 1). Wanneer iemand de ‘parental responsibility’ eenmaal heeft, blijft hij in beginsel ook daarmee belast (lid 5). Nu partijen nog steeds met elkaar gehuwd zijn, stelt de rechtbank op grond van het voorgaande vast, dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Voorafgaande toestemming?

Van een rechterlijke beslissing tot vervangende toestemming is niet gebleken. De moeder behoefde daarom de toestemming van de vader om de verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen.

De moeder stelt het volgende. Het huwelijk van partijen stond de laatste jaren onder druk door ernstige relationele en financiële problemen. Partijen zijn in oktober 2015 als gezin naar Nederland gegaan om nieuwe sponsoren te werven en om actief aan de slag te gaan met het opstellen van voorwaarden om het huwelijk in Kenia te kunnen voortzetten. Daarbij hebben partijen ook de optie bezien in hoeverre een definitief verblijf in Nederland mogelijk was. Partijen hebben afspraken gemaakt over herstel van hun huwelijk en zijn, ervan uitgaande dat de situatie zou verbeteren, in december 2015 teruggekeerd naar Kenia. De moeder is slechts onder voorwaarden met de vader mee teruggegaan naar Kenia. Kort na aankomst in Kenia bleek dat de vader zich niet aan de gemaakte afspraken hield en dat er niets zou veranderen. Nu de gemaakte afspraken golden als voorwaarden om het huwelijk in Kenia te kunnen voortzetten en deze niet werden nagekomen, stond het de moeder vrij om in januari met de minderjarige terug te keren naar Nederland. De moeder stelt zich dan ook op het standpunt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in oktober 2015 is gewijzigd naar Nederland.

De vader betwist de stelling van de moeder dat er een gezamenlijk voornemen was van partijen om zich definitief in Nederland te vestigen. Het bezoek aan Nederland was een regulier bezoek van tijdelijke aard. Gedurende het verblijf is wel gesproken over een eventuele vestiging in Nederland, maar partijen zijn het daar niet over eens geworden. Het gezin is volgens plan op 28 december 2015 weer teruggegaan naar Kenia. Van een definitief verblijf van de minderjarige in Nederland per oktober 2015 kan dan ook geen sprake zijn. De moeder heeft vervolgens eind januari 2016 besloten om met de minderjarige naar Nederland te gaan. Zij had hiervoor niet de benodigde toestemming van de vader. Er is daarom sprake van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige. Deze overbrenging vond plaats eind januari 2016, zodat het verzoek tot teruggeleiding binnen de éénjaarstermijn van artikel 12 van het Verdrag ingediend.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen een ticket hebben gekocht voor een verblijf van het gezin in Nederland met een heenvlucht op 1 oktober 2015 en een terugvlucht op 28 december 2015. In de aanloop naar dit verblijf hebben de vader en de moeder aan vrienden en familie een e-mail gestuurd waarin zij aangeven voor een periode van drie maanden in Nederland te zullen verblijven voor fondsenwerving en dat zij voor die periode op zoek zijn naar woonruimte. Ook vermelden zij in dit bericht dat hun neefje Isaac, die bij hen inwoont, gedurende die periode in Kenia zou blijven. Tijdens hun verblijf in Nederland hebben partijen intensief contact onderhouden met Stichting Beats of Hope, waarbij zij hebben gesproken over de financiën (het werven van sponsoren) en de toekomst van het project. Uit de notulen van de stichting Beats of Hope blijkt voorts dat de vraag ‘toekomst: (wonen in) Uganda of Nederland?’ in de context van het project een onderwerp van gesprek is geweest en dat de standpunten van partijen hierover sterk uiteenliepen. Niet is gebleken dat partijen op enig moment consensus hebben bereikt over het wijzigen van hun woonplaats, en daarmee van de minderjarige, naar Nederland. Op 28 december 2015 zijn partijen, conform hun gezamenlijke voornemen, teruggekeerd naar Kenia. Van een afspraak tussen partijen dat deze terugkeer naar Kenia slechts ‘voorwaardelijk’ was, zoals door de moeder gesteld, en dat het haar vrij zou staan om met de minderjarige terug te keren naar Nederland indien de vader zich niet aan de afspraken of voorwaarden zou houden, is niet gebleken.

Vervolgens is de moeder eind januari 2016, op het moment dat de vader op tournee was, met de minderjarige naar Nederland vertrokken om - zoals zij na aankomst in Nederland aan de vader heeft medegedeeld - tot rust te komen. Uit de door de moeder overgelegde verklaring van geestelijke [naam] , die op de hoogte was van de huwelijksproblemen van partijen, blijkt dat de moeder met deze [naam] het voorgenomen vertrek met de minderjarige naar Nederland heeft besproken en dat zij er bewust voor heeft gekozen de vader niet te informeren over haar vertrek. De vader zou daar volgens haar niet mee instemmen, omdat hij wilde dat partijen naar Uganda zouden verhuizen. Met [naam] besprak de moeder dat zij de vader op de hoogte zou stellen van haar vertrek op het moment dat zij in Nederland was. Uit alles blijkt dat de moeder dienovereenkomstig heeft gehandeld. Ter terechtzitting heeft de moeder nogmaals verklaard dat het aanvankelijk haar intentie is geweest om na een korte periode van rust in Nederland in het najaar van 2015 terug te keren naar Kenia.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien komt de rechtbank tot de conclusie dat het verblijf van partijen in Nederland in oktober 2015 een tijdelijk karakter kende. Niet is gebleken dat partijen in die periode afspraken hebben gemaakt over een definitief verblijf van de minderjarige in Nederland. Evenmin is gebleken van een ‘voorwaardelijke’ terugkeer naar Kenia in december 2015. Hieruit volgt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige – anders dan de moeder stelt – niet is gewijzigd. De moeder heeft vervolgens eenzijdig en zonder voorafgaande toestemming van de vader de beslissing genomen om eind januari 2016 met de minderjarige naar Nederland te gaan, zodat op dat moment sprake is geweest van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eind januari 2016 dan ook te gelden als begin van de éénjaarstermijn van artikel 12 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De moeder is van mening dat de vader met de woorden ‘you can stay with [minderjarige] if you want’ in zijn e-mailbericht van 16 augustus 2016 er blijk van heeft gegeven alsnog in te stemmen met c.q. te berusten in het verblijf van de minderjarige in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat deze uiting dient te worden bezien in de context waarin zij is gedaan; het e-mailbericht is geschreven op het moment dat partijen (in Nederland) in onderling overleg trachtten te komen tot een oplossing voor hun relatieproblemen en voor het geschil over het verblijf van de minderjarige en bevat een emotionele oproep van de vader aan de moeder om het huwelijk met hem voort te zetten. Het citaat van de moeder is bovendien niet volledig; de vader heeft in voormelde e-mail nog toegevoegd ‘but that means we should decide on stopping the marriage permanently, so that we are both free to make our own choices. You mention I should leave you in Holland but I know as far as the situation is, it’s wrong for me to do that after this long separation.’ Uit deze toevoeging blijkt dan ook geenszins dat de vader met de door de moeder geciteerde zinsnede zijn onvoorwaardelijke toestemming heeft gegeven voor een definitief verblijf van de minderjarige in Nederland.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de minderjarige bij een terugkeer naar Kenia zal worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De moeder heeft in Kenia geen middelen van bestaan om voor de minderjarige te kunnen zorgen. De sponsorgelden van de kerk nemen af en de moeder heeft zelf geen mogelijkheden om inkomsten te vergaren. Zij zal dan ook niet met de minderjarige mee naar Kenia gaan als de rechtbank daartoe beslist. De moeder acht de vader ook overigens niet in staat op verantwoorde wijze voor de minderjarige te zorgen. Tijdens het huwelijk is sprake geweest van huiselijk geweld, ook in aanwezigheid van de minderjarige, zodat de moeder vreest dat de veiligheid van de minderjarige bij de vader onvoldoende gewaarborgd is. Gelet op het feit dat de vader in strijd met de gemaakte afspraken nog steeds regelmatig (langdurig) van huis is voor zijn muziekoptredens, zal de verzorging van de minderjarige worden overgelaten aan de oppas of – indien dit financieel niet langer haalbaar is – familie van de vader in Uganda, met alle gevolgen van dien. Het gebrek aan financiële middelen zal ertoe leiden dat de minderjarige niet naar school zal kunnen gaan en dat de vader zich niet langer de huidige woning zal kunnen veroorloven. Overigens zijn de veiligheidsrisico’s in [woonplaats vader] zodanig, dat de minderjarige ook in de huidige woning nauwelijks naar buiten kon en eigenlijk nauwelijks een band had met haar omgeving. Dit alles in tegenstelling tot de veilige opvoedomgeving die de moeder de afgelopen maanden voor de minderjarige in Nederland heeft gecreëerd, waar de veiligheid van de minderjarige zonder meer gewaarborgd is, zij omringd wordt door familie en vrienden en de moeder in staat is de minderjarige financieel te onderhouden en de minderjarige goede educatie kan krijgen. De minderjarige weghalen uit deze omgeving en laten terugkeren naar Kenia, waar haar veiligheid in het geding is en zij geen mogelijkheden heeft om zich optimaal te ontwikkelen en bovenal zal opgroeien zonder haar moeder, is naar de mening van de moeder zeer schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarige en brengt de minderjarige bij terugkeer in een ondragelijke toestand.

De vader betwist de door de moeder gestelde omstandigheden. Deze vormen volgens de vader geen grond vormen om de teruggeleiding van minderjarige te weigeren. Van financiële zorgen, zoals de moeder stelt, is naar de mening van de vader geen sprake. Hij verwijst daarvoor naar de verklaringen van de penningmeester van de Stichting Beats of Hope, die partijen financieel ondersteunen voor het project in Kenia. Mocht de moeder met de minderjarige terugkeren en niet met de vader samen willen wonen, dan acht hij zichzelf in staat de moeder en de minderjarige ook in dat geval te onderhouden en te huisvesten. Ook zijn er voor de moeder voldoende mogelijkheden om te werken.

De vader acht zich in staat de zorg voor de minderjarige feitelijk en financieel op zich te nemen, naast zijn andere activiteiten, als de minderjarige zonder de moeder zal terugkeren naar Kenia. De minderjarige zal door hemzelf of de oppas die haar vanaf haar geboorte mede heeft verzorgd, worden opgevoed. Voorts is hij deels gestopt met zijn muziekactiviteiten en is hij bereid minder te reizen, zodat hij meer tijd heeft voor de verzorging van de minderjarige. De minderjarige zal worden ingeschreven op een internationale school. De vader betwist daarnaast dat hij geen werkvergunning voor Kenia zou hebben en dat er een arrestatiebevel tegen hem loopt in Uganda. Er zijn geen belemmeringen voor hem om terug te keren naar Kenia.

Tot slot stelt hij dat de levensstandaard in Kenia weliswaar lager is dan die in Nederland, maar dit is volgens hem niet relevant voor de minderjarige die immers in Kenia is opgegroeid.

De rechtbank stelt voorop dat doel en strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b restrictief moet worden uitgelegd en een beroep daarop slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van de minderjarige is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van de minderjarige in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar de minderjarige het uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, dient immers plaats te vinden in een bodemprocedure en past in beginsel niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van een kind van een van de ouders slechts onder stringente voorwaarden de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig risico dat de minderjarige wordt blootgesteld aan het gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich voordoet en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de financiële situatie van partijen is de rechtbank het volgende gebleken. De vader wordt financieel ondersteund door de Stichting Beats of Hope vanwege zijn betrokkenheid bij en werkzaamheden voor het project [naam tehuis] . Voor een juiste interpretatie van de financiële stukken die over en weer in het geding zijn gebracht, gaat de rechtbank uit van de schriftelijke verklaringen van de penningmeester [naam] van de Stichting Beats of Hope. Uit de verklaring van de heer [naam] volgt – in tegenstelling tot het door de moeder gestelde – dat er tussen november 2014 en november 2015 een fors aantal sponsoren zijn bijgekomen. De financiële situatie van dit moment is, zo stelt de penningmeester, een direct gevolg van het vertrek van de moeder met de minderjarige naar Nederland. Doordat (ook) de betrokkenheid van de vader bij het project op dit moment minimaal is, vallen er sponsoren af en dalen de inkomsten. Gezien de onzekere afloop van de procedure is het moeilijk om op dit moment sponsoren te motiveren voor het project. Mochten de ouders gezamenlijk of de vader alleen met de minderjarige terugkeren naar Kenia, dan zal het bestuur van Beats of Hope zich inspannen om nieuwe sponsoren te vinden. De penningmeester verwacht dat dat, gezien het animo voor sponsoring in het verleden, zal lukken. Voorts is gebleken dat de moeder in 2013 van de erfenis van haar opa, welke € 25.000,- bedroeg, twee stukken land heeft gekocht in Uganda die uitsluitend aan haar toebehoren en die volgens de eigen stelling van partijen kunnen worden verkocht voor een goede prijs.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat financiële situatie van partijen zodanig is gewijzigd, dat zij (of de vader alleen) niet in staat zullen zijn de minderjarige bij terugkeer in Kenia te onderhouden. De moeder heeft dan ook niet aangetoond dat er in dat opzicht een ernstig risico bestaat dat de minderjarige bij terugkeer naar Kenia wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de moeder, naast haar stelling dat zij geen middelen van bestaan heeft, niet heeft aangetoond dat het voor haar om objectieve redenen onmogelijk is om met de minderjarige mee terug te gaan naar Kenia teneinde aldaar de gevolgen van het uiteengaan van partijen aan de rechterlijke autoriteiten voor te leggen. De rechtbank beschouwt het als een eigen keuze van de moeder om al dan niet met de minderjarige mee terug te gaan naar Kenia.

De moeder heeft haar feitelijke stellingen omtrent de opvoedkwaliteiten en –mogelijkheden van de vader in het licht van zijn betwisting onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat de minderjarige de afgelopen periode ook zonder de moeder bij de vader heeft verbleven en een enkele keer bij hem heeft overnacht.

Tot slot passeert de rechtbank de stelling van de moeder dat de algemene veiligheid van de minderjarige in het geding is bij een terugkeer naar Kenia. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat er in Kenia sprak is van armoede, geweld, een corrupt politiesysteem en terroristische dreiging, doch dit heeft haar tot januari 2016 er niet van weerhouden om zich daar met de minderjarige te vestigen. Voorts heeft zij deze bedreigingen niet geconcretiseerd en niet onderbouwd. De rechtbank kan hierin dan ook geen grond vinden om de teruggeleiding te weigeren. Dat de opvoedomgeving in Nederland wellicht, zoals de moeder stelt, in een aantal opzichten beter of aangenamer is maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat een terugkeer van de minderjarige naar Kenia, waar zij is geboren en tot voor kort is opgegroeid, haar in een ondragelijke toestand zal brengen.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 4 februari 2017, zijnde een week na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Sterke arm

Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

kosten

Gelet op het feit dat de onderhavige procedure van familierechtelijke aard is zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats vader] , Kenia;

naar Kenia uiterlijk op 4 februari 2017, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Kenia en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Kenia, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 4 februari 2017, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Kenia;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, H.M. Boone en J.C. Sluymer, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.