Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16423

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
C/09/527702 / FA RK 17-1415
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering, Letland. Rechtbank wijst verzoek tot teruggeleiding naar Letland af. Gewone verblijfplaats van de minderjarige is Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-1415

Zaaknummer: C/09/527702

Datum beschikking: 12 april 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 22 februari 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] , Letland,

advocaat: mr. R.E.F. Bergwerf Bok te Arnhem.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vader,

wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat: tot 10 maart 2017 mr. S.R. van Laar te Arnhem, sindsdien: geen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.

Op 14 maart 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [naam] , tolk in de Letse taal;

  • -

    de vader, bijgestaan door mevrouw [naam] , tolk in de Engelse taal;

Namens de Raad voor de Kinderbescherming is verschenen: mevrouw [naam] .

Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

Na deze zitting heeft de rechtbank van de zijde van de moeder nog de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief van 10 maart 2017, met bijlagen;

  • -

    de brief van 24 maart 2017, met bijlagen;

  • -

    de brief van 27 maart 2017, met bijlagen.

Op 29 maart 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de eerdergenoemde tolk in de Letse taal;

  • -

    de vader, bijgestaan door de eerdergenoemde tolk in de Engelse taal.

Voorts zijn verschenen:

  • -

    namens de Raad voor de Kinderbescherming: mevrouw [naam] ;

  • -

    mevrouw J.E.A. van Beveren, de bijzondere curator;

  • -

    namens de voogdijinstelling Jeugdbescherming Gelderland: de heer [naam] .

Tevens is met instemming van beide partijen verschenen mevrouw [naam] , Third Secretary Consul van de Letse ambassade te Den Haag.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige [minderjarige] te bevelen vóór 1 maart 2017, althans de terugkeer van deze minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Letland, dan wel
– indien de vader nalaat [minderjarige] terug te brengen – te bepalen op welke datum de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Letland, met veroordeling van de vader in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, alsmede de proceskosten, nader op te maken bij staat, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [datum] te [woonplaats moeder] , Letland.

  • -

    De moeder en [minderjarige] hebben beiden de Letse nationaliteit. Volgens de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie is de vader geboren in de Sovjet-Unie en is zijn nationaliteit onbekend.

  • -

    De vader en de moeder zijn de ouders van het minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats moeder] , Letland (verder: [minderjarige] ). Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats [woonplaats vader] , van10 maart 2017 zijn de ouders voor de duur van drie maanden geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] en is voor die periode Jeugdbescherming Gelderland, locatie [woonplaats vader] , belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .

  • -

    De vader, de moeder en [minderjarige] (hierna: het gezin) hebben van september/oktober 2012 tot mei 2016 in Nederland gewoond. In mei 2016 is het gezin naar Letland vertrokken.

  • -

    De vader heeft [minderjarige] zonder voorafgaande toestemming van de moeder op 24 juni 2016 heeft meegenomen naar Nederland. De moeder heeft zich op 14 november 2016 via het ministerie van Justitie van de Republiek Letland gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 160088.

  • -

    De moeder heeft op 20 juni 2016 bij de rechtbank van het arrondissement [plaatsnaam] van de stad [woonplaats moeder] in Letland een verzoek ingediend om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te verkrijgen. De Letse rechtbank heeft zich bij uitspraak van 4 oktober 2016 onbevoegd verklaard, omdat het oordeelde dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] zich in Nederland bevindt. Het Gerechtshof te [woonplaats moeder] heeft deze beslissing bekrachtigd.

  • -

    [minderjarige] is sinds 10 oktober 2016 geplaatst in een pleeggezin.

  • -

    Bij beschikking van 27 januari 2017 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats [woonplaats vader] , is mevrouw J.E.A. van Beveren benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .

- Tot op heden is geen verzoek tot echtscheiding ingediend.

Beoordeling

Horen van de minderjarige

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] is opgeroepen voor het kindgesprek per brief van
21 maart 2017 aan het adres van de advocaat van de moeder. [minderjarige] is niet verschenen.

Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] niet op de hoogte was van deze oproep. De bijzondere curator heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] daags voor de zitting aan haar te kennen heeft gegeven dat zij inmiddels met meerdere personen heeft gesproken en niet met nog meer personen zou willen spreken. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van de bijzondere curator van 15 februari 2017, uitgebracht in een voorlopige-voorzieningenprocedure voor de rechtbank Gelderland, locatie [woonplaats vader] , waarin zowel de vader als de moeder om de toevertrouwing van [minderjarige] aan hem/haar heeft gevraagd. In dit verslag is de mening van [minderjarige] , ook op de punten waarover de rechtbank haar in de onderhavige procedure vragen zou willen stellen, duidelijk weergegeven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding [minderjarige] (opnieuw) uit te nodigen voor een gesprek.

Verzoek tot teruggeleiding

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Letland zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag?

De rechtbank overweegt als volgt. Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

De moeder stelt zich op het standpunt dat het verblijf in Nederland van meet af aan tijdelijk is geweest en dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Letland heeft gehouden. Zij voert daartoe aan dat partijen in 2012 besloten voor een tijdelijk verblijf van maximaal twee jaar naar het buitenland af te reizen. Aan de internationale school te [plaatsnaam] zou [minderjarige] de Engelse taal leren. In verband met sluiting van de internationale school in [plaatsnaam] zijn partijen naar [woonplaats vader] verhuisd, alwaar [minderjarige] verder onderwijs ging volgen aan de internationale school. De moeder benadrukt dat dit onderwijs is gericht op kinderen van buitenlandse ouders die tijdelijk in Nederland verblijven. De tijdelijkheid van het verblijf in Nederland blijkt volgens de moeder verder uit de omstandigheden dat de vader zich nimmer heeft ingeschreven in Nederland, partijen hier te lande geen sociaal leven hebben opgebouwd, de moeder niet buitenshuis werkzaam was en de woning schaars was ingericht.

In december 2015 zouden de ouders, aldus de moeder, in overeenstemming met hun onderlinge afspraak, terugkeren naar Letland, maar de vader gaf aan dat hij zich in Europa niet meer op zijn gemak voelde en zich buiten Europa zou willen vestigen. De moeder verzette zich daartegen, omdat dit haars inziens in strijd was met de afspraak die zij in 2012 hadden gemaakt. Desalniettemin gaf de vader medio april 2016 aan dat hij alles gereed zou maken voor vertrek naar Letland. Vervolgens is het gezin in mei voor een in de visie van de moeder definitief verblijf naar Letland vertrokken. In juni zouden de ouders met [minderjarige] een korte vakantie ondernemen naar de Letse kust en de vader stelde voor om vooruit te reizen, waar de moeder mee instemde. Op 24 juni 2016 bleek de vader met [minderjarige] , zonder toestemming van de moeder, naar Nederland te zijn afgereisd. Nu zij de vader hiervoor geen toestemming had gegeven, is daarmee sprake van ongeoorloofde overbrenging naar Nederland en dient [minderjarige] te worden teruggeleid naar Letland.

De vader betwist het door de moeder gestelde en stelt zich op het standpunt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] sinds 2012 in Nederland is geweest. Er is nooit sprake geweest van een definitieve terugkeer naar Letland. Partijen zijn het daar nooit over eens geworden en de vader heeft zich daar altijd tegen verzet. In de visie van de vader is het gezin in mei 2016 naar Letland gegaan voor een vakantie. Dit blijkt zijns inziens uit de omstandigheden dat bij vertrek de huur van de door partijen gehuurde en bewoonde woning in [woonplaats vader] niet was opgezegd, [minderjarige] niet was uitgeschreven van school en ook uit het feit dat de buitenschoolse activiteiten van [minderjarige] gewoon doorliepen.

Toen de vader bleek dat de moeder niet voornemens was met [minderjarige] terug te keren naar Nederland, heeft hij haar zelf mee teruggenomen naar [woonplaats vader] . Hij betwist dat met de terugkeer van [minderjarige] naar Nederland sprake is geweest van ongeoorloofde overbrenging. Het is volgens de vader de moeder die haar in strijd met zijn gezagsrecht heeft achtergehouden in Letland.

Gelet op de standpunten van partijen ligt ter beantwoording aan de rechtbank voor de vraag wat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] was onmiddellijk voor haar overbrenging door de vader naar Nederland in juni 2016. De rechtbank overweegt als volgt.

Het conflictrechtelijk begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 HKOV is een feitelijk begrip dat zich laat bepalen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. De gewone verblijfplaats betreft de plaats waarmee de betrokkene (in dit geval [minderjarige] ) de nauwste bindingen heeft. De duur van het feitelijke verblijf speelt daarbij een belangrijke rol. Daarnaast kunnen tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat dit feitelijke verblijf niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn.

Reeds gelet op de feitelijke duur van haar verblijf (vier jaar) in Nederland, bezien in verhouding tot haar leeftijd (thans negen jaar) heeft [minderjarige] tot mei 2016 dermate lange tijd in Nederland gewoond dat van een tijdelijk verblijf in Nederland geen sprake (meer) kan zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] van Letland naar Nederland is gewijzigd.

Hierbij komt dat de leefomgeving van [minderjarige] sinds 2013, toen het gezin vanwege de schoolkeuze naar [woonplaats vader] is verhuisd, ongewijzigd is gebleven, waardoor naar het oordeel van de rechtbank voor [minderjarige] stabiliteit in haar leefsituatie is ontstaan. [minderjarige] gaat in [woonplaats vader] naar de internationale school en uit een brief van de schooldirecteur blijkt in dit verband dat [minderjarige] goed haar best doet, vriendschappen heeft gesloten en gelukkig oogt in de klas. Het feit dat het onderwijs op de internationale school is gericht op kinderen van buitenlandse ouders die tijdelijk in Nederland verblijven, zoals de moeder heeft aangevoerd, doet daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aan af. Ook van andere kinderen die jarenlang in Nederland een internationale school bezoeken kan – en zal in veel gevallen – de gewone verblijfplaats Nederland zijn. Hobby’s en sport van [minderjarige] vonden evenzeer plaats in de directe woonomgeving van het gezin.

Het is de rechtbank duidelijk dat de moeder al lange tijd een bestendige wens heeft om naar Letland terug te keren en het lijkt erop dat zij daarom zelf niet heeft geïnvesteerd in een langduriger verblijf in Nederland. Dat ook de vader steeds een tijdelijk verblijf in Nederland voor ogen zouden hebben gehad, is op grond van hetgeen hierna nog zal worden overwogen niet aannemelijk. Ook al zou dat echter zo zijn geweest, en hebben de ouders om die reden – anders dan de minderjarige – zelf niet geïnvesteerd in de inrichting van hun woning of het sociale of maatschappelijk leven in Nederland en iedere vakantie in Letland doorgebracht, dan laat dat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat [minderjarige] zich in de afgelopen vier jaar wel in Nederland heeft geworteld.

De rechtbank is verder van oordeel dat het vertrek van het gezin naar Letland in mei 2016 geen wijziging heeft gebracht in de gewone verblijfplaats van [minderjarige] , nu daarvoor de instemming van beide ouders is vereist. De moeder heeft wel gesteld dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over een definitief verblijf van [minderjarige] in Letland, maar de vader heeft dit betwist en de moeder heeft daarop haar standpunt niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk kunnen maken. Uit de overgelegde stukken, waaronder het rapport van de bijzondere curator, en het verhandelde ter zitting komt juist naar voren dat een definitieve vestiging in Letland in het bijzonder gedurende het laatste jaar in Nederland een voortdurend twistpunt tussen de ouders vormde en nog steeds vormt: de ouders hadden sinds de verhuizing naar [woonplaats vader] voortdurend ruzie en dat deze ruzies in de loop van de tijd steeds erger werden. Eén van de redenen van de ruzies was dat de moeder wilde terugkeren naar Letland en dat de vader dit niet wilde. De moeder heeft ook niet betwist dat de huur van de echtelijke woning voor het vertrek naar Letland niet is opgezegd en dat [minderjarige] niet is uitgeschreven van school en van haar buitenschoolse activiteiten. Van een afscheid van school of van vriendinnetjes – zo heeft de moeder desgevraagd verklaard – was evenmin sprake. Aan de verklaring van de moeder dat zij de administratieve afhandeling van de verhuizing aan de vader had overgelaten en dat het gezin gewoon was zonder enige voorbereiding op stel en sprong te verhuizen, gaat de rechtbank voorbij, nu dit de rechtbank in het licht van een onafgebroken verblijf van vier jaar in Nederland en het voortdurende verzet van de vader niet plausibel voorkomt.

Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen overeenstemming was over een definitief vertrek naar Letland en dat de gewone verblijfplaats in Nederland is gebleven.

Dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats steeds in Nederland heeft gehad, is overigens ook en onder dezelfde omstandigheden vastgesteld door de rechtbank en het gerechtshof te [woonplaats moeder] , die zich om die reden onbevoegd achtten om over het verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te worden belast, te oordelen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank het verblijf in mei/juni 2016 tijdelijk van aard was kan het doen terugkeren van [minderjarige] naar Nederland – haar gewone verblijfplaats – niet als ongeoorloofd worden beschouwd, al heeft de rechtbank er begrip voor dat de wijze waarop de man dit heeft gedaan bij de moeder tot verontwaardiging heeft geleid.

Het voorgaande betekent dat het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Letland niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting bovenal naar voren komt dat de ouders zich volledig hebben ingegraven in hun onderlinge strijd over [minderjarige] . Waar de ouders zich ook in deze procedure vooral lijken te concentreren op het behalen van hun eigen gelijk voor wat betreft de verblijfplaats van [minderjarige] en vanuit die strijd niet meer open lijken te kunnen staan voor enig compromis, gaan zij geheel voorbij aan het belang van [minderjarige] bij een stabiele opvoedingssituatie, verblijf bij een van haar ouders en goed contact met de ouder bij wie zij niet overwegend verblijft. Het is schadelijk voor een kind als de twee mensen die het meest voor haar betekenen zo langdurig en ernstig ruzie met elkaar hebben. Ondanks de verstrekkende maatregelen die sinds de terugkeer van [minderjarige] naar Nederland omwille van haar welzijn zijn getroffen – plaatsing in een pleeggezin, die inmiddels bijna zes maanden duurt, en daarbij recentelijk de schorsing van de ouders in de uitoefening van het ouderlijk gezag – lijken de ouders de schadelijke gevolgen van hun optreden voor hun nog jonge dochter nog steeds niet te onderkennen. De rechtbank wijst de ouders erop dat uit de rapportage van de bijzondere curator onmiskenbaar naar voren komt dat [minderjarige] klem zit tussen haar beide ouders en dat de schade aan haar ontwikkeling steeds zichtbaarder wordt; Oliva wordt in de klas steeds stiller, isoleert zich van anderen en kan zich minder goed concentreren. Gelet op dit alles doet de rechtbank een dringend beroep op het verantwoordelijkheidsbesef van beide ouders om het belang van [minderjarige] voorop te stellen en hun onderlinge strijd te staken.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten

De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot betaling van de door haar gemaakte kosten door de vader conform artikel 26, lid 4, van het Verdrag afwijzen, nu voorwaarde voor een dergelijke kostenveroordeling is dat de terugkeer van het kind wordt gelast, hetgeen thans niet het geval is.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats moeder] , Letland,

naar Letland;

wijst af het verzoek van de moeder tot betaling door de vader van de door haar gemaakte reiskosten ;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, J. Visser en M. van Paridon, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.