Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16366

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
AWB 17/13495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een verblijfsstatus in Italië en heeft een mvv aangevraagd voor verblijf bij zijn vrouw en kinderen in Nederland . Referente wenst vrijstelling van het middelenvereiste. Referente heeft namelijk medische problemen en is vanaf mei 2015 tot en met 1 mei 2018 ontheven van de sollicitatieplicht. Verweerder ziet geen aanleiding om af te wijken van beleid en neemt niet aan dat referente blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de brief van het VUmc van 18 juli 2016 niet kan leiden tot vrijstelling van het middelenvereiste. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13495

[V-nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 november 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1991, van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was [de vrouw] (echtgenote en referent) ter zitting aanwezig.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank (hierna te noemen: rechtbank) onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen zes weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 990,- (zegge: negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- (zegge: honderdachtenzestig euro) te vergoeden.

Motivering

1. Voor eiser is een machtiging voorlopig verblijf aangevraagd. Eiser heeft een verblijfstatus in Italië, maar hij wil zich graag bij zijn gezin in Nederland voegen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referente vanwege haar bijstandsuitkering niet aan het middelenvereiste voldoet en daar niet van wordt vrijgesteld.

3. De rechtbank moet beoordelen of verweerder dat op goede gronden heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt.

4. Het toetsingskader veronderstelt de rechtbank als bekend.

5.1

De rechtbank stelt vast dat eiser ten behoeve van deze aanvraag vier beschikkingen van de gemeente Amsterdam heeft overgelegd. Uit deze beschikkingen blijkt dat referente vanaf mei 2015 tot en met 1 mei 2018 is ontheven van de sollicitatieplicht.

5.2

Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat referente voorafgaand aan de aanvraag van 21 juli 2016 op grond van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) gedurende vijf jaar was ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Pw. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat referente ten tijde van het bestreden besluit niet op grond van de in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 neergelegde voorwaarden in aanmerking kwam voor vrijstelling van het middelenvereiste.

5.3

Verweerders beleid biedt ruimte om ook onder andere omstandigheden aan te nemen dat een referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen. Verweerder heeft in dit kader gekeken naar de individuele omstandigheden en heeft erkend dat referente medische problemen heeft. Verweerder ziet daarin alleen geen aanleiding om af te wijken van het beleid. Eiser vindt dat verweerder op grond van de individuele omstandigheden van referente wel moet afwijken van het beleid.

5.4

De rechtbank constateert dat referente medische problemen heeft. Referente is sinds mei 2015 ontheven van de sollicitatieplicht. Referente heeft diverse stukken overgelegd over haar medische situatie, waaronder een brief van het VUmc van 18 juli 2016. In deze brief staat onder meer het volgende:

(…) Anamnese

Sinds ongeveer zes jaar ervaart patiënte klachten van zwellingen in de tong en hals aan de rechterzijde (…). Soms wordt de tong ook rood. Zij bezocht hiervoor diverse andere ziekenhuizen, zonder dat er een therapie mogelijk bleek. Tillen is pijnlijk. (…)

Conclusie

Zeer uitgebreide veneuze malformaties in hoofd-half gebied, leidend tot forse klachten van zwellingen in het gelaat (…)

Beleid

Patiënte werd diverse malen besproken (...) Helaas zijn de therapeutische opties beperkt. Een chirurgische benadering zou een te uitgebreide en risicovolle ingreep worden (…).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom deze brief van het VUmc niet kan leiden tot vrijstelling van het middelenvereiste op grond van individuele omstandigheden van referente. In het bestreden besluit wordt in het geheel geen melding gemaakt van deze brief. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de zogenaamde minuut, waaruit zou blijken de inhoud van de brief van VUmc door verweerder is betrokken, maar naar het oordeel van de rechtbank had dit uit het bestreden besluit uitdrukkelijk naar voren moeten komen. Ter zitting heeft verweerder het motiveringsgebrek dan ook niet voldoende gerepareerd. De beroepsgrond slaagt. De overige gronden behoeven geen nadere bespreking.

6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van zes weken.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonnen van de zitting, met een waarde per punt van € 495,-, en een wegingsfactor 1).

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. E.D. Dalman mr. A.K. Mireku

griffier

rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.