Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
AWB 16/12932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd eiser op te vangen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). In bezwaar is een aanvullend besluit genomen en is het bezwaar gegrond verklaard. Eiser krijgt toegang tot de VBL. Eiser heeft geen procesbelang meer bij het beroep omdat hij in de VBL geplaatst kan worden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om deze plaatsing in de VBL te behouden, vormen geen onderwerp van de beroepsprocedure. Het beroep is niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/12932

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 december 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1961, van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Op 26 april 2016 heeft verweerder geweigerd eiser op te vangen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel (de feitelijke handeling). Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juni 2016 (het bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

Op 14 juni 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Op verzoek van verweerder is deze zaak aangehouden. Verweerder heeft eiser vervolgens op 3 maart 2017 gehoord en op 24 juli 2017 een aanvullend besluit (bestreden besluit II) genomen. In dit aanvullend besluit is het bezwaar gegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht

1. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) volgt dat een rechtzoekende hiervan kan worden vrijgesteld als hij aan de in dezelfde uitspraak genoemde criteria voor betalingsonmacht voldoet. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de daarvoor geldende eisen voldoet en wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe.

Ten aanzien van het beroep

Feiten en besluitvorming verweerder

2.1

Eiser is op enig moment Nederland ingereisd. Hij heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Op 8, 11 en 20 april 2016 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om onderdak in de VBL. Op 26 april 2016 heeft eiser zich bij de VBL gemeld en verweerder verzocht om opvang. Eiser heeft zich in Ter Apel gemeld bij de aanmeldbalie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en is niet juist doorverwezen naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Er heeft daarom geen gesprek met een medewerker van de DT&V plaatsgevonden. Eiser is hierop de toegang tot de VBL geweigerd.

2.2

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder gesteld dat het niet mogelijk is om op grond van beperkte schriftelijke informatie vast te stellen of eiser daadwerkelijk bereid is zelfstandig terug te keren of dat het vertrek binnen (in beginsel) twaalf weken te realiseren is. Mocht eiser bereid zijn actief en aantoonbaar te werken aan zijn vertrek, dan kan hij zich alsnog melden bij de balie van de VBL.

2.3

Hangende de beroepsprocedure tegen bestreden besluit I heeft verweerder de rechtbank bij brief van 13 december 2016 verzocht om aanhouding van de behandeling van deze procedure, omdat eiser in de bezwaarfase ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Dit verzoek is toegewezen en eiser is vervolgens door verweerder alsnog gehoord. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit II genomen. Hierin heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij actief zal werken aan zijn terugkeer naar Somalië en daarom was plaatsing in de VBL aan de orde, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank: het bestreden besluit I

3.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, waardoor het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I geacht wordt mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

3.2

Voorts stelt de rechtbank vast dat het procesbelang van eiser bij de beoordeling van het bestreden besluit I is komen te vervallen, nu verweerder dit besluit bij het bestreden besluit II heeft herzien. Gelet hierop is het beroep van eiser voor zover dit gericht is tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk en ligt enkel het bestreden besluit II ter beoordeling voor.

3.3

Omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, voor zover dit beroep is gericht tegen het bestreden besluit I. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om de proceskosten in bezwaar te vergoeden, nu niet gebleken is dat het primaire besluit onrechtmatig was.

Standpunt eiser

4. Eiser voert aan dat de eisen die worden gesteld aan het bieden van opvang in de VBL, namelijk dat eiser bereid is actief te werken aan zijn terugkeer naar zijn land van herkomst, in strijd zijn met het Europees Sociaal Handvest en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Verder voert hij aan dat het bestreden besluit II gebrekkig is, omdat daarin niet staat wat van hem tijdens zijn verblijf in de VBL wordt verlangd. Eiser kan hierdoor niet opkomen tegen eventuele onmogelijke eisen. Deze zijn daardoor niet aan verdragsrecht te toetsen.

Oordeel rechtbank: het bestreden besluit II

5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste jurisprudentie bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

6. De rechtbank overweegt dat eiser bezwaar heeft ingesteld tegen de aanvankelijke weigering hem op te vangen in de VBL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser thans geen procesbelang meer voor wat betreft het verkrijgen van opvang, nu verweerder in het bestreden besluit II eisers bezwaar gegrond heeft verklaard, omdat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij actief zal werken aan zijn terugkeer naar Somalië en hij daarom in de VBL geplaatst kan worden. Onderhavige beroepsprocedure heeft daarom geen feitelijke betekenis meer. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat voor hem onvoldoende duidelijk is wat hij concreet moet doen om zijn recht op plaatsing in de VBL te behouden, overweegt de rechtbank dat onderhavige beroepsprocedure ziet op de plaatsing in de VBL en niet op het behoud van deze plaatsing. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om deze plaatsing te behouden vormen dan ook geen onderwerp van deze beroepsprocedure. De rechtbank overweegt ten overvloede ervan uit te gaan dat tijdens het verblijf in de VBL in gesprekken met DT&V besproken zal worden wat eiser concreet doet aan zijn vertrek en of dit voldoende is. Verwacht mag worden dat schriftelijk verslag van de gesprekken wordt gemaakt. Indien beëindiging van de plaatsing vervolgens plaatsvindt vanwege het onvoldoende werken aan vertrek, dan zal in de eventuele daarop volgende (voorlopige voorziening-)procedure beoordeeld moeten worden of verweerder terecht meent dat de inspanning onvoldoende is.

7. Vanwege het ontbreken van procesbelang verklaart de rechtbank het beroep voor zover dit ziet op het bestreden besluit II niet-ontvankelijk. Nu dit beroep niet-ontvankelijk is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen zowel het bestreden besluit I als tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.