Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
NL17.14108
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, opvolgende aanvraag, bekering tot het christendom, afvalligheid, ongeloofwaardig, motieven voor en proces van bekering, afgelegde verklaringen zijn vaag, summier, oppervlakkig en deels inconsistent; slechts algemeenheden naar voren gebracht;kerkbezoek; basale kennis van het christendom, opvolgende aanvraag kennelijk ongegrond, niet niet-ontvankelijk op grond van ontbreken nova/ nieuwe elementen of bevindingen; beleid verweerder: toch inhoudelijke toetsing; artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw;beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14108


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).


Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.14109, plaatsgevonden op 20 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Salehi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft eerder op 15 januari 2016 asiel aangevraagd. Bij besluit van 19 april 2017 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 13 juni 2017 (AWB17/8834), is het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 3 juli 2017 het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

2. Op 27 november 2017 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij inmiddels is bekeerd tot het christendom. Bij terugkeer naar Iran vreest hij voor zijn leven, omdat hij wordt gezien als afvallige.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers bekering tot het christendom niet geloofwaardig, noch dat hij in Iran als afvallige wordt beschouwd.

4. Eiser betoogt in beroep het volgende. Verweerder heeft de bekering niet geloofwaardig geacht. Dat betekent dat hij de aanvraag niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen (nova), in plaats van deze kennelijk ongegrond te verklaren.

Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat op grond van zijn beleid in het geval van een gestelde bekering een aanvraag niet niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van nova, maar inhoudelijk wordt getoetst.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden is om bij opvolgende aanvragen uitsluitend te toetsen of er sprake is van nova en om vervolgens – bij het ontbreken daarvan – de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Uit de bewoordingen van deze bepaling en van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw (”kan”), blijkt immers dat verweerder de bevoegdheid heeft om opvolgende asielaanvragen niet als niet-ontvankelijk af te doen, maar als kennelijk ongegrond. Gelet op de gegeven toelichting van verweerder ter zitting acht de rechtbank het gebruik van deze bevoegdheid in dit geval niet onredelijk of onbegrijpelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Ten aanzien van eisers standpunt dat zijn bekering wel geloofwaardig is, overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801) volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht mag toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiser - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser over zijn motieven voor en proces van bekering vaag, summier, oppervlakkig en deels inconsistent heeft verklaard. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij specifiek tot het christendom is bekeerd, noch welk innerlijk proces hij daarbij heeft doorgemaakt. Zo heeft eiser verklaard dat de goedheid van [naam 2] ten grondslag ligt aan zijn bekering, maar heeft hij deze goedheid niet nader kunnen benoemen, omdat naar zijn zeggen zijn woorden tekort schieten om te beschrijven hoe goed zij was. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het moment van bekering. Eisers uitleg dat dit komt omdat hij pas achteraf tot de conclusie is gekomen dat hij op een eerder moment is bekeerd, neemt die tegenstrijdigheid niet weg. Voor wat betreft de betekenis die het zijn van christen voor hem heeft, heeft eiser slechts algemeenheden naar voren gebracht, zoals de verklaring dat zijn bekering hem rust en vertrouwen geeft en hem inspireert om zich goed en liefdevol ten opzichte van anderen op te stellen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht tegengeworpen dat een en ander afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers bekering. Van eiser mocht immers worden verwacht dat hij over zijn motieven voor en het proces van bekering en de persoonlijke betekenis daarvan duidelijke verklaringen kon afleggen, nu hij heeft gesteld maandenlang onderzoek te hebben verricht. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het christendom verboden is in eisers land van herkomst, Iran. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder de bekering van eiser niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt. Dat eiser naar de kerk gaat en basale kennis heeft van het christendom en de Bijbel doet daaraan niet af. Het is immers aan eiser om overtuigende verklaringen af te leggen over zijn motieven voor en proces van bekering en daarin is hij niet geslaagd.

8. Eisers beroep op afvalligheid slaagt evenmin. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als afvallige van de islam zal worden beschouwd vanwege het enkele feit dat hij niet-praktiserend moslim is. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij gedurende zijn hele leven in Iran nooit het islamitische geloof heeft gepraktiseerd en daardoor nooit problemen heeft ondervonden. Gelet hierop is evenmin aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Iran problemen zal hebben te verwachten.

9. De slotsom is dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag kan leiden tot een asielvergunning. Nu het een opvolgende aanvraag betreft die niet met toepassing van artikel 30a, aanhef en eerste lid, onder d, van de Vw niet-ontvankelijk is verklaard, is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, aanhef en eerste lid, onder g, van de Vw.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.