Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16306

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
C-09-527162-HA ZA 17-184
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident, intellectuele eigendomszaak, merkenrecht, Uniemerk, Beneluxmerk, onrechtmatige daad, opgeworpen door in België woonachtige gedaagde. Artikel 8 aanhef en onder 1 EEX-Vo. De rechtbank verklaart zich deels bevoegd en deels onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/527162 / HA ZA 17-184

Vonnis in incident van 6 december 2017

in de zaak van

1. de vennootschap naar Frans recht

SOCIÉTÉ EN COMMANDITE SIMPLE MHCS,

gevestigd te Epernay (Frankrijk),

2. de vennootschap naar Frans recht

SOCIÉTÉ JAS HENNESSY & CO.,

gevestigd te Cognac (Frankrijk),

3. de vennootschap naar Pools recht

POLMOS ZYRARDOW SP. ZO. O.,

gevestigd te Zyrardow (Polen),

4. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

MACDONALD & MUIR LIMITED,

gevestigd te Edinburgh (Verenigd Koninkrijk),

eiseressen in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

verweersters in dit bevoegdheidsincident,

advocaat mr. N.W. Mulder te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F. LOENDERSLOOT INTERNATIONALE EXPEDITIE B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINT LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

niet verschenen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINT WAREHOUSING B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

niet verschenen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LLOGS B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

niet verschenen,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 1] ( [land] ),

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

eiser in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PURE HANDLING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCKG B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCE COMPANIES B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JMN B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELICASEA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L.B. 11 B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEST FOR DRINKS (BFD) B.V.,

gevestigd te Soest,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRANDS COLLECTION B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KFW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

15. [gedaagde sub 15],

wonende te [woonplaats 2] ( [land] ),

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

16. [gedaagde sub 16],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk ook wel worden aangeduid als Hennessy c.s. Gedaagde sub 5 zal hierna [gedaagde sub 5] worden genoemd.

Voor Hennessy c.s. wordt de zaak behandeld door mr. S.D. Brommersma, advocaat te Amsterdam. Voor [gedaagde sub 5] wordt de zaak behandeld door mr. G. van der Wal en mr. T. Geerlof, advocaten te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar het procesdossier. Hierin bevinden zich de volgende stukken:

- de dagvaarding van 22 november 2016, tevens houdende incidentele vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 223 Rv1) en tot afschrift van bescheiden (artikel 843a Rv);

  • -

    de akte overlegging producties van Hennessy c.s., met producties 1 tot en met 82;

  • -

    het tegen gedaagden sub 1 tot en met 4 verleende verstek;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring zijdens [gedaagde sub 5] ;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord;

  • -

    de pleitnota’s van Hennessy c.s. en [gedaagde sub 5] , overgelegd tijdens het op 28 augustus 2017 gehouden pleidooi in het incident.

1.2.

Vonnis in het door [gedaagde sub 5] opgeworpen incident is nader bepaald op heden.

2 Vorderingen en grondslagen in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vorderen Hennessy c.s. – voor zover hier van belang – het volgende:

 een verklaring voor recht dat (onder meer) gedaagden sub 1 tot en met 3 inbreuk hebben gemaakt op de in de dagvaarding vermelde merken van Hennessy c.s., alsmede ten aanzien van deze partijen oplegging van een inbreukverbod met betrekking tot die merken;

 een verklaring voor recht dat (onder meer) gedaagden sub 1 tot en met 3 onrechtmatig jegens Hennessy c.s. hebben gehandeld door het (in groepsverband en al dan niet als tussenpersoon) op commerciële schaal verlenen van diensten die door derden zijn gebruikt bij inbreuken op de merken van Hennessy c.s., almede oplegging van een verbod voor deze handelingen;

 een verklaring voor recht dat (onder meer) gedaagden sub 4 en [gedaagde sub 5] onrechtmatig jegens Hennessy c.s. hebben gehandeld vanwege het onbehoorlijk besturen van de rechtspersonen waaraan zij feitelijk leiding geven en/of (indirect) bestuurder zijn, alsmede een gebod aan deze partijen om deze rechtspersonen de inbreuken op de merken van Hennessy c.s. te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

 hoofdelijke veroordeling van gedaagden sub 1 tot en met 6 (waaronder [gedaagde sub 5] ) tot afdracht van nettowinst en een verklaring voor recht dat deze gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Hennessy c.s. hebben geleden ten gevolgen van hun inbreukmakend c.q. onrechtmatig handelen;

 verklaringen voor recht, verboden en hoofdelijke veroordeling als hiervoor vermeld maar dan ten aanzien van gedaagden sub 7 tot en met 14;

 diverse nevenvoorzieningen, waaronder inzage in administratieve gegevens, afgifte ter vernietiging en een recall van inbreukmakende producten;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden in de overeenkomstig artikel 1019h Rv te begroten proceskosten.

2.2.

Hennessy c.s. hebben hiernaast in de inleidende dagvaarding een incident geopend waarin zij vorderen dat de rechtbank diverse provisionele voorzieningen zal treffen in de vorm bevelen tot staking van inbreukmakende en overige onrechtmatige handelingen, opgave van administratieve gegevens en inzage in de in conservatoir bewijsbeslag genomen administraties.

2.3.

Zeer kort samengevat (de dagvaarding beslaat 172 pagina’s) en voor zover in het kader van het thans te beoordelen incident van belang, leggen Hennessy c.s. aan deze vorderingen het volgende ten grondslag:

2.3.1.

Hennessy c.s. maken deel uit van het concern Luis Vuitton Moët Hennessy, dat zich bezig houdt met de handel in (alcoholhoudende) dranken, waaronder producten voorzien van de merken Moët & Chandon, Veuve Clicquot, Krug, Dom Perignon, Belvedere (Vodka), Hennessy, Ardbeg en Glenmorangie (hierna: Hennessy-producten). In dit kader zijn Hennessy c.s. ieder houdster van meerdere, in de dagvaarding nader gespecificeerde Uniemerken, Beneluxmerken en internationale merkregistraties met gelding voor de Europese Unie dan wel de Benelux, (tezamen hierna ook wel: de Hennessy-merken).

2.3.2.

Gedaagden, waaronder gedaagden sub 1 tot en met 4 (hierna: de Loendersloot-vennootschappen), gedaagde sub 6 (hierna: Pure Handling) en gedaagden sub 7 tot en met 14 (hierna: de Van Caem-vennootschappen) zijn betrokken bij grootschalige inbreuk op de Hennessy-merken.

2.3.3.

Van de Loendersloot-vennootschappen maken gedaagden sub 1 tot en met 3 (hierna: Loendersloot c.s.) inbreuk door het zonder toestemming van Hennessy c.s. (doen) invoeren in en (doen) uitvoeren uit de EU van producten die voorzien zijn van de Hennessy-merken, het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de productcodes en merktekens van deze producten, het (doen) aanbrengen van deze merken zonder dat aan de vereisten van de ‘ompakkingsjurisprudentie’ is voldaan en door het gebruik van de Hennessy-merken op een wijze waardoor de suggestie van een commerciële band met Hennessy c.s. wordt gewekt.

2.3.4.

Daarnaast handelen Loendersloot c.s. onrechtmatig jegens Hennessy c.s. doordat zij in groepsverband commerciële diensten verlenen die door derden, waaronder de Van Caem-vennootschappen, (kunnen) worden gebruikt om inbreuk te maken op de Hennessy-merken. Deze diensten bestaan onder meer uit het (doen) invoeren, uitvoeren, opslaan, vervoeren, leveren en decoderen van Hennessy-producten.

2.3.5.

Gedaagde sub 4 (hierna: LLogs) en [gedaagde sub 5] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het inbreukmakende en onrechtmatige handelen door de vennootschappen waarvan zij feitelijk beleidsbepalers en (middellijk) bestuurder zijn, te weten Loendersloot c.s. [gedaagde sub 5] is op de hoogte van de inbreukmakende en onrechtmatige activiteiten binnen de Loendersloot-vennootschappen en gelet op zijn positie is hij in staat en verplicht om die activiteiten te voorkomen. [gedaagde sub 5] is dan ook tezamen met de Loendersloot-vennootschappen en Pure Handling hoofdelijk aansprakelijkheid voor de ten gevolge van die activiteiten door Hennessy c.s. geleden schade. [gedaagde sub 5] dient ook tezamen met de Loendersloot-vennootschappen en Pure Handling te worden veroordeeld tot afdracht van de door hen met die activiteiten genoten nettowinst.

3 Het geschil in het bevoegdheidsincident

3.1.

[gedaagde sub 5] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen tegen hem kennis te nemen. Daartoe voert hij aan dat de door Hennessy c.s. in de dagvaarding gestelde bevoegdheidsgrond, artikel 8, aanhef en onder 1 EEX II-Vo2, toepassing mist, in ieder geval voor wat betreft de vorderingen die (uiteindelijk) gebaseerd zijn op inbreuk op Beneluxmerken en onrechtmatig handelen door de Loendersloot-vennootschappen.

3.2.

Hennessy c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij ambtshalve dient vast te stellen of zij al dan niet internationaal bevoegd is van vorderingen jegens een partij kennis te nemen, ongeacht de rechtsgronden die partijen voor de bevoegdheid aandragen. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het verweer van [gedaagde sub 5] dat de door Hennessy c.s. na dagvaarding ingeroepen grondslag van artikel 7 EEX II-Vo te laat is gedaan.

4.2.

De vorderingen jegens [gedaagde sub 5] in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag liggende stellingen kunnen als volgt worden gecategoriseerd. Naar de rechtbank begrijpt heeft [gedaagde sub 5] volgens Hennessy c.s.:

  1. onrechtmatig jegens Hennessy c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de in Nederland gevestigde Loendersloot-vennootschappen inbreuk maken en/of hebben gemaakt op Uniemerken (dan wel internationale merkregistraties met gelding in de EU) van Hennessy c.s. (de vorderingen in de dagvaarding onder I. en V.);

  2. onrechtmatig jegens Hennessy c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de Loendersloot-vennootschappen inbreuk maken en/of hebben gemaakt op Beneluxmerken (dan wel internationale merkregistraties met gelding in de Benelux) van Hennessy c.s. (de vorderingen in de dagvaarding onder I. en V.);

  3. onrechtmatig jegens Hennessy c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de Loendersloot-vennootschappen diensten verrichten of hebben verricht waarmee derden inbreuk (kunnen) maken of hebben gemaakt op de Hennessy-merken (de vorderingen in de dagvaarding onder III. en V.);

op grond waarvan hij als (feitelijk) bestuurder voor die handelingen aansprakelijk is, zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder als rechtstreeks.

UMVo

4.3.

Voor zover Hennessy c.s. menen (zie dagvaarding onder 15.6) dat de bevoegdheid voor de handelingen beschreven in 4.2 onder (i) (mede) te baseren is op de bepalingen van de Uniemerkenverordening 20173, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het verwijt aan het adres van [gedaagde sub 5] betreft immers een zelfstandige onrechtmatige daad met betrekking tot inbreukmakende handelingen van de Loendersloot-vennootschappen. Artikel 124 UMVo 2017 is op die afgeleide handelingen niet van toepassing en daarvoor bestaat dan ook geen (exclusieve) bevoegdheid voor de rechtbanken voor het Uniemerk. Dit betekent dat op grond van artikel 122 UMVo 2017 moet worden teruggevallen op de bepalingen van de EEX II-Vo.

EEX II-Vo

4.4.

Nederland is niet de woonplaats van [gedaagde sub 5] , zodat de bevoegdheid ten aanzien van de tegen hem ingestelde vorderingen niet kan worden gegrond op het bepaalde in artikel 4 EEX II-Vo. Beoordeeld dient te worden of de bevoegdheid valt te ontlenen aan artikel 8 en/of artikel 7 EEX II-Vo, die beide zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid regelen.

- Artikel 8 EEX II-Vo

4.5.

Op grond van artikel 8 aanhef en onder 1 EEX II-Vo kan bevoegdheid ten aanzien van de tegen [gedaagde sub 5] ingestelde vorderingen alleen worden aangenomen indien (1) deze rechtbank kan worden aangemerkt als het “gerecht van de woonplaats” van (één van) de medegedaagden van [gedaagde sub 5] en bovendien (2) sprake is van een zodanig nauwe band met de vorderingen tegen die medegedaagde(n) dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting teneinde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Nu het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 EEX II-Vo geldt daarbij dat deze vereisten terughoudend dienen te worden uitgelegd4. Dit betekent onder meer dat het enkele feit dat zich divergerende uitspraken kunnen voordoen, onvoldoende is om te kunnen spreken van bedoelde nauwe band. Vereist is dat de divergentie zich kan voordoen in het kader van eenzelfde situatie, zowel feitelijk als rechtens, waarbij overigens niet is vereist dat de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen dezelfde rechtsgrond hebben. Bedoelde terughoudendheid bij de toepassing van artikel 8 brengt echter weer wel mee dat de vereiste nauwe band in het bijzonder dient te bestaan tussen de vordering die is ingesteld tegen de verweerder met woonplaats in het gebied van de aangezochte rechtbank en de vordering tegen de verweerder voor wie de bevoegdheid gebaseerd moet worden op deze bepaling.

4.6.

Voor zover de tegen [gedaagde sub 5] ingestelde vorderingen zijn gegrond op de hiervoor in r.o. 4.2 onder (i) weergegeven grondslag is naar het oordeel van de rechtbank aan deze vereisten voldaan.

4.7.

Daartoe geldt ten aanzien van het onder (1) bedoelde woonplaatsvereiste dat alle Loendersloot-vennootschappen in Nederland zijn gevestigd en dat tegen hen vorderingen zijn ingesteld die zijn gegrond op de Uniemerken van Hennessy c.s.. Op grond van artikel 124 en 125 UMVo 2017 in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk is deze rechtbank binnen Nederland als enige bevoegd van dergelijke vorderingen kennis te nemen. Zoals de rechtbank in een incidenteel vonnis in een met deze zaak vergelijkbare zaak (Bacardi/ B&S) reeds eerder heeft overwogen en beslist, heeft zij daarmee te gelden als het “gerecht van de woonplaats” van deze mede-gedaagden in de zin van artikel 8, aanhef en onder 1 EEX II-Vo.5

4.8.

Voor wat betreft de daarnaast door artikel 8 vereiste nauwe band geldt dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 5] en de medegedaagden weliswaar op verschillende juridische grondslagen berusten, maar dat dit niet wegneemt dat aansprakelijkheid van [gedaagde sub 5] niet aan de orde kan zijn als niet wordt vastgesteld dat de Loendersloot-vennootschappen de aan hen verweten inbreuken op de Uniemerken van Hennessy c.s. hebben gepleegd. Het verwijt dat Hennessy c.s. [gedaagde sub 5] maken, houdt immers in dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door als (feitelijk) bestuurder te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat deze vennootschappen inbreuk maakten op die merken. Zoals de rechtbank ook al heeft overwogen in de hiervoor genoemde zaak Bacardi/B&S is daarmee sprake van eenzelfde situatie, zowel feitelijk als juridisch.

4.9.

Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de in r.o. 4.2 onder (ii) en (iii) genoemde grondslagen kan daarentegen geen bevoegdheid op grond van artikel 8, aanhef en onder 1 EEX II-Vo worden aangenomen. Hier is immers geen inbreuk op Uniemerken aan de orde, zodat voor internationale bevoegdheid op grond van deze bepaling tenminste is vereist dat één of meer medegedaagden van [gedaagde sub 5] woonachtig of gevestigd zijn in het arrondissement Den Haag. Dit is voor wat betreft de Loendersloot-vennootschappen niet het geval. Dat de mede-gedaagden 9 en 10 dat wel zijn, kan Hennessy c.s. in dit verband niet baten, nu deze vennootschappen behoren tot de Van Caem-groep. [gedaagde sub 5] is hiervan geen (feitelijk) bestuurder, waarbij nog komt dat aan de leden van de Van Caem-groep wezenlijk andere inbreukmakende handelingen worden verweten. Voor zover de vestigingsplaats van leden van de Van Caem-groep al kunnen meetellen bij de invulling van het woonplaatsvereiste, is wat die medegedaagden betreft in elk geval niet voldaan aan de vereiste nauwe band.

4.10.

In dit laatste ligt besloten dat de rechtbank, mede gelet op de vereiste terughoudende uitleg van artikel 8 EEX-Vo, geen ruimte ziet voor de door Hennessy c.s. voorgestane ruime interpretatie. Anders dan Hennessy c.s. kennelijk ook nog voorstaan, voorziet de EEX II-Vo naast artikel 8 ook niet in een algemene connexiteitsregel, waarmee via een soort ‘zwaan-kleef-aan-constructie’ bevoegdheid voor één vordering tegen één gedaagde leidt tot bevoegdheid voor alle vorderingen tegen alle gedaagden. Bevoegdheid tot kennisname van één deel van de vordering tegen één gedaagde leidt dan ook niet automatisch tot bevoegdheid tot kennisname van een ander deel tegen dezelfde gedaagde. Zie in dit verband ook artikel 5 EEX II-Vo en het arrest Kalfelis6.

- 7 EEX II-Vo

4.11.

Net als artikel 8 geeft artikel 7 EEX II-Vo een alternatieve bevoegdheid die verwijst naar het gerecht van een plaats (en niet van een land), en daarmee dus zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid regelt. Voor toepassing van deze bepaling is vereist dat het schadebrengend handelen van [gedaagde sub 5] zich (mede) heeft voorgedaan in het arrondissement Den Haag. Dat is evenwel gesteld noch gebleken. De Loendersloot-vennootschappen zijn immers gevestigd in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Uit niets blijkt dat de aan [gedaagde sub 5] verweten handelingen (al dan niet in zijn hoedanigheid van bestuurder) zich (mede) hebben voorgedaan in het arrondissement Den Haag. Dat het handelen van andere gedaagden mogelijk mede in dit arrondissement heeft plaatsgevonden schept geen bevoegdheid ten aanzien van [gedaagde sub 5] .

Conclusie

4.12.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens [gedaagde sub 5] , behoudens voor zover deze zijn gebaseerd op de grondslag dat hij, kort gezegd, inbreuk op de Uniemerken van Hennessy c.s. door Loendersloot c.s. heeft gefaciliteerd.

4.13.

Voor zover de bevoegdheid voor de hoofdzaak ontbreekt, bestaat er anders dan Hennessy c.s. kennelijk menen, ook geen bevoegdheid tot kennisname van de ten aanzien van [gedaagde sub 5] gevorderde provisionele voorzieningen. Aangezien het gaat om een gebrek aan internationale bevoegdheid (rechtsmacht), kan de rechtbank ook niet overgegaan tot de subsidiair door Hennessy c.s. verzochte interne verwijzing.

4.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep toe te staan.

4.15.

De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen voor zover deze zijn gegrond op de stelling dat [gedaagde sub 5] onrechtmatig jegens Hennessy c.s. heeft gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de in Nederland gevestigde mede-gedaagden inbreuk maken en/of hebben gemaakt op Uniemerken van Hennessy c.s.;

5.2.

verklaart zich voor het overige onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak jegens [gedaagde sub 5] kennis te nemen;

5.3.

houdt de proceskostenbeslissing in het door [gedaagde sub 5] opgeworpen bevoegdheidsincident aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist;

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 17 januari 2018 voor conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

3 Verordening (EU) nr. 2017/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (codificatie). Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 nog van toepassing.

4 Zie onder meer HvJEG 13 juli 2006, zaak C-539/03, Roche-Primus en HvJEU 1 december 2011, zaak C‑145/10, Painer - Standard Verlags, HvJ EG, 27 september 1988, 27-09-1988, ECLI:EU:C:1988:459, (Kalfelis/Schröder).

5 Rechtbank Den Haag 18 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2989.

6 HvJ EG 27 september 1988, nr. 189/87, NJ 1990, 425, (Kalfelis), r.o. 19.