Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/09/503036 / HA RK 16-3
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

RWN; ten tijde van Duitse erkenning is nu vastgesteld dat sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen man en dochter. Vanwege family life was het niet onverenigbaar met de openbare orde om de Duitse erkenning in NL te erkennen en dus NL nat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 16-3

Zaaknummer: C/09/503036

Datum beschikking: 23 november 2017

Beschikking op het op 29 december 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

verzoekster,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

advocaat: mr. J.S. Visser te Stadskanaal.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het verzoekschrift;

- de fax van 8 maart 2016, van de zijde van de IND;

- de brieven van 14 mei 2016 en 7 juni 2016, van de zijde van verzoekster, met bijlagen;

- de brieven van 24 en 31 augustus 2016 en 2 november 2016, van de zijde van de IND, met bijlagen;

- de brieven van 23 december 2016 en 28 april 2017, van de zijde van verzoekster;

- de brief van 29 juni 2017, van de zijde van de IND;

- de brief van 28 juli 2017, van de zijde van verzoekster, met bijlagen;

- de conclusie van de officier van justitie van 25 augustus 2017;

- de brief van 24 oktober 2017, van de zijde van verzoekster.

Op 26 oktober 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en tolk mevrouw [naam] alsmede mr. J.E.A. Pesch namens de IND. Voorts zijn ter zitting gehoord de heer [naam] (hierna ook: de man) en mevrouw [naam] , de moeder van verzoekster (hierna ook: de moeder). De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt er thans toe dat:

- indien de rechtbank Duits recht van toepassing acht op de erkenning van verzoekster door de man, te bepalen dat verzoekster door die erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen;

- indien de rechtbank het Nederlands recht van toepassing acht op de erkenning van verzoekster door de man, toe te stemmen in de erkenning door de man en het vaderschap van de man vast te stellen,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De IND voert verweer, dat hierna nader wordt besproken.

De officier van justitie heeft te kennen gegeven zich aan te sluiten bij de conclusie van de IND.

Feiten

- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Duitsland) uit de moeder.

- Op (het uittreksel van) de geboorteakte staat de man als vader vermeld.

- Verzoekster is op [datum] te [geboorteplaats] naar Duits recht erkend door de man.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en had deze ook ten tijde van de erkenning.

- De man was ten tijde van de erkenning gehuwd met [naam ex echtgenote] (hierna: [naam ex echtgenote] ).

- Dit huwelijk is ontbonden op [datum] door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van het Amtsgericht [plaatsnaam] inzake de echtscheiding.

- Verzoekster, de moeder en de man staan sinds de geboorte van verzoekster, met uitzondering van een aantal dagen, op dezelfde adressen ingeschreven in Duitsland.

- De man stond in de periode rondom de geboorte van verzoekster, en wel in de periode [datum] tot [datum] en [datum] tot [datum] eveneens ingeschreven op een adres in Nederland.

Beoordeling

Ingevolge artikel 4, lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) (oud), voor zover hier van belang, wordt Nederlander de minderjarige die door een Nederlander wordt erkend.

Volgens verzoekster heeft de erkenning naar Duits recht tot gevolg dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Zij stelt daartoe dat zij al haar hele leven in gezinsverband met de man en de moeder samenwoont en dat het dus in haar belang is dat zij als kind van haar vader wordt behandeld en dat zij de nationaliteit van de man krijgt.

De IND stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van verkrijging van rechtswege van het Nederlanderschap door verzoekster. De erkenning van verzoekster door de man – die in Duitsland plaatsvond – kwam op het moment daarvan op grond van het vóór 1 april 2014 geldende artikel 10:101 lid 2 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet voor erkenning in Nederland in aanmerking, vanwege strijd met de openbare orde, gelegen in het huwelijk van de man met een ander dan de moeder van verzoekster. Verzoekster is op dat moment niet op grond van de erkenning Nederlander geworden, aldus de IND. Dat een erkenning door een man, die gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder, sinds 1 april 2014 geen strijd meer oplevert met de openbare orde en dus niet langer aan een erkenning in Nederland van een dergelijke erkenning in de weg staat, maakt dit niet anders. De geldigheid van de erkenning, waaronder de vraag of deze in Nederland kan worden erkend, dient immers voor wat betreft de toepassing van de RWN ex tunc en niet ex nunc te worden beoordeeld. Artikel 2 lid 1 RWN verzet zich tegen het met terugwerkende kracht vaststellen van de Nederlandse nationaliteit.

De erkenning door de man van verzoekster zou wel voor erkenning in Nederland (met de Nederlandse nationaliteit tot gevolg) in aanmerking komen als de rechtbank zou vaststellen dat er sprake is van één van de in artikel 1:204 lid 1 sub e (oud) BW genoemde situaties, te weten dat er ten tijde van de erkenning van verzoekster door de man, tussen de moeder en de man sprake was van een band die op één lijn is te stellen met een huwelijk of dat tussen de man en verzoekster sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking. Naar aanleiding van de toelichting die verzoekster, de man en de moeder ter zitting hebben gegeven, heeft de IND aangegeven aannemelijk te achten dat er ten tijde van de erkenning door de man van verzoekster ‘family-life’ tussen verzoekster en de man bestond.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vraag of de Duitse erkenning van verzoekster door de man kan worden erkend naar Nederlands recht dient te worden beantwoord met toepassing van artikel 10:101, lid 1, BW in samenhang met artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW. Op grond van die artikelen wordt – voor zover hier aan de orde – een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte erkend, tenzij:

- aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of-

- de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde.

In artikel 10:101, lid 2, BW wordt met betrekking tot de erkenning een drietal gevallen geconcretiseerd die in strijd met onze openbare orde worden geacht te zijn:

  1. indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;

  2. indien, wat de toestemming van de moeder van het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 10:95 lid 3 BW toepasselijk is, of

  3. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.

Ten tijde van de erkenning door de man van verzoekster bepaalde artikel 1:204, eerste lid, sub e, BW (oud) dat een erkenning nietig was indien zij werd gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man, tenzij de rechtbank had vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder van verzoekster op het moment van erkenning een band heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind op dat moment een nauwe persoonlijke betrekking heeft bestaan. Nu de man ten tijden van de erkenning van verzoekster gehuwd was met een ander dan de moeder van verzoekster, en er geen vaststelling door de rechtbank had plaatsgevonden in voormelde zin, was het erkennen van deze erkenning destijds op grond van artikel 10:101, lid 2 sub a BW onverenigbaar met de openbare orde.

Van strijdigheid met de openbare orde is echter thans geen sprake meer. De openbare orde toets dient voor wat betreft de beoordeling van de familierechtelijke betrekking naar het oordeel van de rechtbank ex nunc te worden toegepast. Sinds 1 april 2014 is voormelde nietigheidsgrond van 1:204 BW, eerste lid, sub e BW (oud) vervallen en is een man bevoegd om een kind te erkennen dat geboren is uit een andere vrouw dan zijn eigen vrouw. In zoverre kan de familierechtelijke betrekking thans worden erkend.

De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie evenwel volgt dat de voor de toepassing van artikel 4 lid 1 RWN (oud), relevante familierechtelijke betrekking dient te (hebben) bestaan op het tijdstip van de erkenning. Aldus komt de rechtbank tot de beoordeling van de vraag of er ten tijde van de erkenning door de man van verzoekster in 1999 voldaan werd aan de uitzonderingsgrond als bedoeld in het destijds geldende artikel 1:204, eerste lid, sub e BW.

Deze vaststelling kan volgens vaste jurisprudentie in geval van buitenlandse erkenningen ook nog achteraf door een rechter worden vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de gedingstukken en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting, voldoende komen vast te staan dat ten tijde van de erkenning door de man van verzoekster, een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoekster en de man heeft bestaan. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat verzoekster sinds de geboorte tot heden met de man en de moeder in gezinsverband heeft samengeleefd.

Nu ten tijde van de erkenning sprake was van een ‘family-life’ tussen verzoekster, de man en de moeder was het - ook destijds in [geboortejaar] - niet onverenigbaar met de openbare orde om de Duitse erkenning door de man van verzoekster in Nederland te erkennen. Als gevolg van de erkenning op [geboortedatum] heeft verzoekster op grond van artikel 4, lid 1, RWN (oud) vanaf dat moment de Nederlandse nationaliteit verkregen.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat verzoekster sinds [geboortedatum] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, S.M. Westerhuis-Evers en
O.F. Bouwman, bijgestaan door mr. M. Molenaar als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2017.