Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
C/09/541596 / FT RK 17/1854
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoek toepassing schuldsaneringsregeling. Art. 288 Fw. Schulden aan de belastingdienst zijn niet te goeder trouw ontstaan. Kinderopvangtoeslag aangewend voor andere uitgaven dan kinderopvangkosten. Beroep op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw. afgewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-02-2018
FutD 2018-0498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/541596 / FT RK 17/1854

uitspraakdatum: 29 november 2017

[verzoekster],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

heeft op 20 oktober 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is op 15 november 2017 behandeld. Verzoekster is gehoord. Mede verscheen schuldhulpverlener [A] van PLANgroep.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekster dient te voldoen.

Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting verklaard, is het volgende gebleken.

Uit stukken die ter terechtzitting zijn overgelegd blijkt de schuld van verzoekster aan de belastingdienst onder meer te bestaan uit terug te betalen kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 (€ 1.070,-), 2012 (€ 8.476,-) en 2013 (€ 6.198,-). Op grond hetgeen verzoekster ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank er van uit dat zij er mee bekend was dat er geen recht (meer) bestond op kinderopvangtoeslag, maar dat zij de door haar toeslagen heeft aangewend voor andere uitgaven dan kinderopvangkosten. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan van deze belasting schulden te goeder trouw is geweest.

Namens verzoekster is ter terechtzitting een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 van de Faillissementswet. Daartoe is aangevoerd dat verzoekster sinds 2016 geen nieuwe schulden meer heeft gemaakt, dat inmiddels sprake is van een stabiele woonsituatie, dat zij een opleiding tot kapper heeft afgerond en dat zij sinds 2015/2016 solliciteert. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de hand hiervan worden aangenomen dat verzoekster zich sinds 2015 inspant om haar leefsituatie op orde te krijgen. Echter, (nog) niet kan worden geconcludeerd dat verzoekster daar structureel in is geslaagd. Bovendien maakt dit niet automatisch dat voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. Immers, de schuldenlast van verzoekster bestaat voor een belangrijk deel (bijna 28%) uit hoge schulden waarvan de oorzaak is terug te voeren tot verwijtbaar handelen van verzoekster. Dit laat zich niet zomaar ‘wegstrepen’ tegen een (verbeterde) leefwijze die strikt genomen kan worden gevergd van een ieder die in een problematische schuldensituatie verkeert. Dit alles maakt dat de rechtbank voorbij gaat aan het beroep op de hardheidsclausule.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1986 [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats].

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2017 in tegenwoordigheid van A.S. Snel, griffier.