Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16287

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
NL17.14163
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak, Dublin-Italië, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14163


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.G.A. Wever).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 december 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.14164, in Breda plaatsgevonden op 29 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Trimpong. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Ghanese nationaliteit. Op 9 september 2017 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

  2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is immers gebleken dat eiser op 8 februari 2016 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Eisers enkele stelling dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Italië, kan niet afdoen aan het Eurodac resultaat, zodat Italië in beginsel verantwoordelijk is. Italië heeft deze verantwoordelijkheid erkend.

  3. Volgens eiser kan ten aanzien van Italië niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat er weliswaar problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, maar dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454). Ook de door eiser bij zienswijze genoemde rapporten, waar hij in beroep opnieuw naar verwijst, zijn reeds door de Afdeling besproken en hebben niet geleid tot de conclusie dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan (zie de uitspraken van 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:73, en 7 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:971). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

  4. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Daarom zijn er geen feiten of omstandigheden die maken dat Nederland de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken.

5. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de in beroep overgelegde stukken die zien op eisers asielrelaas, omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.