Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16278

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
NL17.5465
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Nigeria en heeft een asielaanvraag ingediend. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij slachtoffer is geworden van een aanval van Boko Haram en van mensenhandel.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verweerder eisers homoseksualiteit niet geloofwaardig vindt. Volgens verweerder kan eiser zich elders in Nigeria vestigen om te voorkomen dat hij weer problemen ondervindt van Boko Haram of van de mensenhandelaren. Ook kan hij tegen de dreiging van de mensenhandelaren bescherming vragen in Nigeria.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser overgelegde bewijsmiddelen niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers homoseksualiteit. Ook heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers huidige homoseksuele relatie ten onrechte niet betrokken bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder moet verrichten. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er in eisers specifieke situatie sprake is van een vestigingsalternatief en dat er aan eiser bescherming kan worden geboden door de Nigeriaanse autoriteiten. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5465

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 december 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1987, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H. Kroes).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 december 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Op 20 juli 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J-A. Nijland, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig mw. I. Huygens, tolk in de Engelse taal en [de persoon 1] , gesteld partner van eiser. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft het volgende asielrelaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit [plaats] in Nigeria en is homoseksueel. Vanaf zijn vijftiende heeft hij een relatie gehad met [de persoon 2] . Zijn homoseksualiteit heeft hij altijd geheim gehouden. In [de maand] 2013 is eisers dorp aangevallen door Boko Haram. Bij deze aanval is zijn moeder omgekomen en is zijn zusje ontvoerd door Boko Haram. Dit was voor eiser de directe aanleiding om Nigeria te verlaten. Eiser is vervolgens door een man genaamd [de persoon 3] naar Como in Italië gebracht, heeft daar illegaal verbleven en is daar door de broer van [de persoon 3] gedwongen zich te prostitueren. Na meer dan twee jaar is eiser naar Amsterdam gebracht, waar hij wederom in de prostitutie zou moeten werken. Na een paar dagen in Amsterdam is eiser ontsnapt en heeft hij asiel aangevraagd. Inmiddels heeft een relatie met [de persoon 1] , die hij in het asielzoekerscentrum heeft leren kennen.

Geloofwaardigheidsbeoordeling door verweerder

2.1.

Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld en in dat kader de volgende relevante elementen onderscheiden:

a. a) identiteit, nationaliteit en herkomst;

b) homoseksuele geaardheid;

c) aanval van Boko Haram.

2.2.

Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de aanval van Boko Haram geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat deze twee elementen er niet toe kunnen leiden dat eiser heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag1 of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.2 Verweerder heeft de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig geacht.

Homoseksuele geaardheid

3.1.

Verweerder legt aan zijn geloofwaardigheidsoordeel over eisers geaardheid ten grondslag dat eiser zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie niet aannemelijk heeft gemaakt en onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat het voor hem betekende om anders te zijn in de Nigeriaanse maatschappij. Ook heeft eiser geen overtuigende verklaringen afgelegd over zijn relatie met [de persoon 2] . Verweerder is verder van mening dat de gestelde relatie van eiser met [de persoon 1] voldoende in de besluitvorming is betrokken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een in Nederland ontstane homoseksuele relatie geen doorslaggevende betekenis heeft, als de vreemdeling zijn geaardheid niet geloofwaardig heeft gemaakt. Ook de brieven van het COC zijn onvoldoende onderbouwing van eisers geaardheid, aldus verweerder.

3.2.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder zijn homoseksuele geaardheid niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel voldoende heeft verklaard over zijn proces van zelfacceptatie. Hij heeft uitgelegd dat geen sprake was van een interne worsteling of negatieve gevoelens omdat hij en [de persoon 2] hun relatie geheim hielden. Eiser heeft voldoende toegelicht hoe het voor hem was om als homoseksueel in Nigeria te leven. Verweerder heeft op een aantal punten onvoldoende doorgevraagd en heeft onvoldoende rekening gehouden met de cultuur, het intellect en de taalkundige problemen van eiser. Eiser verwijst in dit verband naar een rapportage van Buro KleurKracht, die volgens eiser als deskundigenbericht moet worden aangemerkt. Daarnaast had verweerder de brief van het COC en de omstandigheid dat eiser inmiddels in Nederland een relatie heeft bij de beoordeling moeten betrekken.

3.3.

Verweerder beoordeelt de geloofwaardigheid van een homoseksuele geaardheid aan de hand van de werkinstructie 2015/9. Uit die werkinstructie blijkt dat verweerder een interne vragenlijst gebruikt, gebaseerd op de volgende thema’s:

  • -

    privéleven (waaronder familie, vrienden, (voorgaande) relaties) en religie;

  • -

    huidige en voorgaande relaties, homoseksuele contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van homoseksuele groepen;

  • -

    contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;

  • -

    discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst;

  • -

    toekomst.

3.4.

De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 15 juni 20163 heeft geoordeeld dat de werkinstructie 2015/9 op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Bij de beoordeling van verweerders beoordelingsmethode heeft de Afdeling overwogen dat verweerder in individuele zaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Hij beziet hiertoe de verklaringen over de in werkinstructie 2015/9 vermelde aspecten uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang, en in het licht van overige verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal, en brengt die weging in zijn besluitvorming tot uitdrukking. De Afdeling heeft voorts geoordeeld dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas terecht veel waarde hecht aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Een vreemdeling die een seksuele gerichtheid als motief aanvoert, is zich op enig moment van die gerichtheid bewust geworden en heeft zich gerealiseerd dat zijn gerichtheid in zijn omgeving of land van herkomst niet geaccepteerd wordt. Hij moet daarom kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles bezien tegen de achtergrond van de omgeving waaruit hij afkomstig is.

3.5.

Uit deze uitspraak volgt dat verweerder terecht veel waarde hecht aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Verweerder dient blijkens de uitspraak die verklaringen echter ook te bezien in het licht van de overige verklaringen van de vreemdeling en het overgelegd bewijsmateriaal.

3.6.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn geaardheid de volgende stukken overgelegd:

  • -

    een brief van [de medewerker 1] van het COC Noordoost Brabant van 15 juni 2016;

  • -

    een brief van [de medewerker 2] van het COC Eindhoven van 30 augustus 2017;

  • -

    een op zijn persoon ziende ‘culturele analyse’ van Buro KleurKracht van 31 oktober 2017;

  • -

    een brief van eisers gestelde partner [de persoon 1] van 11 juli 2017;

  • -

    een aantal foto’s waar eiser en [de persoon 1] samen op staan.

3.7.

Hoewel niet vanzelfsprekend doorslaggevende betekenis hoeft te worden gegeven aan voornoemde stukken, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder gemotiveerd uiteen dient te zetten op grond waarvan deze stukken niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Dit heeft verweerder niet gedaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.8.

Verweerder heeft blijkens het voornemen de inhoud van de brief van het COC Noordoost Brabant tegenstrijdig geacht met eisers eerder afgelegde verklaringen met betrekking tot de aanleiding van eisers vlucht uit Nigeria. In de zienswijze heeft eiser evenwel nader toegelicht waarom zijns inziens geen sprake is van tegenstrijdigheid. Het COC Noordoost Brabant heeft onder meer verklaard dat eiser hen heeft verteld over de bedreigende gebeurtenissen die voor hem aanleiding zijn geweest Nigeria te verlaten, inhoudende dat hij gevaar loopt vanwege zijn geaardheid en dat hij dit in de praktijk van alledag zelf heeft ervaren. Eisers verklaring in het nader gehoor dat hij nooit problemen in Nigeria heeft ondervonden vanwege zijn geaardheid acht verweerder hier tegenstrijdig mee. Eiser heeft in het nader gehoor echter ook verklaard dat hij in Nigeria altijd heeft moeten verbergen dat hij homoseksueel is omdat hij anders gevaar loopt en dat zijn homoseksualiteit een van de redenen is geweest voor zijn vertrek uit Nigeria, omdat hij daardoor gevaar loopt. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om op deze gemotiveerde weerlegging van eiser nader te reageren en toe te lichten waarom deze brief van het COC niettemin niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers geaardheid.

3.9.

Ter onderbouwing van eisers gestelde huidige relatie met [de persoon 1] heeft hij een brief van het COC Eindhoven, een brief van [de persoon 1] en een aantal foto’s van hen beiden overgelegd. Verweerder heeft zich noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift, uitgelaten over de geloofwaardigheid van eisers relatie met [de persoon 1] . Verweerder heeft over de relatie enkel opgemerkt dat hier geen doorslaggevende betekenis aan kan worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank zou een geloofwaardige affectieve homoseksuele relatie in Nederland als ondersteunend bewijs kunnen dienen om aannemelijk te maken dat eiser een homoseksuele gerichtheid heeft. Dit geldt temeer omdat uit verweerders werkinstructie blijkt dat huidige en voorgaande relaties een thema zijn in verweerders beoordelingskader en het dus een rol kan spelen bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder moet verrichten. Als verweerder twijfelt of daadwerkelijk sprake is van een affectieve relatie dan beschikt hij over de middelen om dat te onderzoeken, bijvoorbeeld door de betrokkenen te horen. Juist omdat een relatie of het hebben van contacten een objectieve manier is om de gerichtheid te onderbouwen, had het op de weg van verweerder gelegen om daar voor het nemen van het besluit onderzoek naar te doen.

3.10.

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.8. en 3.9. is overwogen, heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank geeft verweerder in dit kader mee om bij het nemen van een nieuw besluit voornoemd rapport van Buro KleurKracht nader te betrekken bij zijn beoordeling, nu dit rapport eerst in beroep door eiser is ingebracht. Daarnaast kan het standpunt van verweerder over het rapport, namelijk dat de culturele analyse niet leidt tot het oordeel dat de werkinstructie 2015/9 geen toepassing mag hebben, niet afdoen aan het feit dat de culturele analyse niettemin relevant kan zijn voor een juiste duiding van de consistentie en coherentie van de verklaringen van eiser en daarmee van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De rechtbank ziet aanleiding om zich voorts ook uit te laten over het volgende.

Vestigingsalternatief

4.1.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat eiser in Nigeria problemen zal ondervinden van de zijde van [de persoon 3] en zijn broer, aan wiens gezag eiser is ontsnapt. Eiser vreest dat zij wraak op hem zullen willen nemen. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat ten aanzien van de vrees voor Boko Haram sprake is van een vestigingsalternatief in Nigeria, aldus eiser.

4.2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt gesteld dat eiser zich in een ander deel van Nigeria kan vestigen om aan de dreiging van [de persoon 3] te ontkomen. Ook ten aanzien van de vrees voor Boko Haram is sprake van een vestigingsalternatief elders in Nigeria, aldus verweerder.

4.3.

In paragraaf C2/3.4. heeft verweerder zijn beleid over het tegenwerpen van een vestigingsalternatief neergelegd. Hieruit blijkt dat verweerder aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen dient te beoordelen of een vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

4.4.

De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat verweerder aan de hand van over Nigeria beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen in eisers individuele zaak heeft beoordeeld of een vestigingsalternatief voor eiser aanwezig is. Dit geldt zowel voor de vrees die eiser heeft voor [de persoon 3] en zijn broer, alsook voor de vrees van eiser voor Boko Haram. Ook op dit punt heeft verweerder zijn besluit dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Bescherming in land van herkomst

5.1.

Verder voert eiser in beroep aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser tegen de dreiging van [de persoon 3] de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten kan inroepen.

5.2.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling4 dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient verweerder informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht.

5.3.

De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of in het algemeen door de Nigeriaanse autoriteiten bescherming wordt geboden aan een slachtoffer van mensenhandel dat vreest voor de wraak van de mensenhandelaren. Ook op dit punt is het bestreden besluit daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

6. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, nu nog nader onderzoek moet worden gedaan, geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. Niet uit te sluiten valt dat dit nadere onderzoek enige tijd zal vergen. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit daarom een termijn van tien weken.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FvS

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 ECLI:NL:RVS:2016:1630.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2087.