Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16273

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4916
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bulgaarse nationaliteit, nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan gehad, geen arbeid in loondienst of als zelfstandige verricht, niet als werkzoekende of als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Bij besluit van 10 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. A. Abdi, de zaakwaarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Bulgaarse nationaliteit. Eiseres staat sinds 6 september 2012 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) in de gemeente [X]. Naar aanleiding van een melding van de gemeente [X] heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres. In deze melding staat dat eiseres vanaf 21 juli 2016 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt.

2. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad. Niet is gebleken dat eiseres arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige heeft verricht. Aangezien eiseres geen rechtmatig verblijf als werknemer heeft gehad, is de uitzondering voor het niet eindigen van het verblijfsrecht in het geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte niet aan de orde. Ook is niet gebleken dat eiseres rechtmatig verblijf als werkzoekende heeft gehad. Evenmin is gebleken dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiseres heeft aangegeven dat zij maandelijks zorg- en huurtoeslag heeft gekregen en dat zij hiervan heeft geleefd. Hiertoe heeft eiseres bankafschriften overgelegd. Deze toeslagen zijn ontvangen uit hoofde van de wet op de zorgtoeslag en de wet op de huurtoeslag. Een uitkering op grond van deze wetten wordt gefinancierd uit de publieke middelen. Gelet hierop heeft eiseres niet zelfstandig beschikt over voldoende bestaansmiddelen. Eiseres heeft dan ook geen rechtmatig verblijf gehad als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan. Tot slot is ook niet gebleken dat eiseres op een andere grond rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad. Nu zij op 21 juli 2016 voor het eerst een beroep gedaan heeft op een bijstandsuitkering, heeft zij over de periode van 6 september 2012 tot 21 juli 2016 over voldoende middelen van bestaan beschikt. In dit verband hanteert verweerder een onjuiste interpretatie van artikel 14, tweede lid, in samenhang met artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn). Voorts had verweerder niet alleen naar de overgelegde bankafschriften mogen kijken ter beoordeling van het ter beschikking hebben van voldoende middelen van bestaan. Eiseres is werkzaam geweest, maar is het slachtoffer geworden van een onjuiste afhandeling van het salaris waardoor er van de arbeid geen juiste registratie is gemaakt. Bij de beoordeling van voldoende middelen van bestaan, moet blijkens artikel 8, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn rekening worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Bij eiseres is borstkanker geconstateerd en daarom is zij niet meer in staat om arbeid te verrichten en heeft zij een beroep moeten doen op de bijstand. Tot slot volgt uit artikel 14, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 20 september 2001 in de zaak C-184/99, Grzelczyk (het arrest Grzelczyk) dat een beroep op de bijstand niet automatisch betekent dat een economisch niet-actieve Unieburger niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf. Beëindiging van het verblijf mag alleen volgen wanneer het beroep op de bijstand als onredelijk wordt beschouwd. De individuele evenredigheidstoets brengt met zich mee dat in het geval van eiseres die al bijna vijf jaar in Nederland verblijft en op het moment van het beroep op de bijstand bijna vier jaar in Nederland verbleef, niet gesproken kan worden van een onredelijk beroep op de bijstand. Eiseres verwijst naar het beleid neergelegd in paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

Ingevolge artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000, voor zover van belang, eindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is:

a. in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet is aan te merken als werknemer of zelfstandige, zoals bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Niet is gebleken dat eiseres gedurende haar verblijf in Nederland sinds 6 september 2012 arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige heeft verricht. In beroep voert eiseres aan dat zij arbeid in loondienst heeft verricht, maar dat zij het slachtoffer is geworden van een onjuiste afhandeling van het salaris, waardoor er van de arbeid geen juiste registratie is gemaakt. Eiseres heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank niet is gebleken dat zij deze arbeid daadwerkelijk heeft verricht.

6.2.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op artikel 8.12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Dit artikellid bepaalt dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet eindigt om de enkele reden dat de vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is. Dit houdt in dat eiseres rechtmatig verblijf als werknemer of zelfstandige moet hebben gehad om dit verblijf bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte te behouden. Hoewel eiseres stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van het gestelde dat zij als gevolg van ziekte tijdelijk arbeidsongeschikt is, heeft zij echter – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet onderbouwd dat zij op enig moment arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige heeft verricht.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de vereisten die gelden voor economisch niet-actieve gemeenschapsonderdanen als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Eiseres heeft aangevoerd dat, nu zij op 21 juli 2016 voor het eerst een beroep heeft gedaan op een bijstandsuitkering, zij over de gehele periode van verblijf in Nederland voordien over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. In dit kader stelt de rechtbank voorop dat uit de tekst van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn volgt dat eiseres als economisch niet-actieve burger van de Unie alleen dan een recht van verblijf voor langer dan drie maanden heeft, als zij beschikt over toereikende bestaansmiddelen. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij beschikt over een inkomen of over enig spaargeld of andere financiële middelen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het begrip “toereikende bestaansmiddelen” aldus moet worden geïnterpreteerd dat daar alleen dan geen sprake van is indien daadwerkelijk een beroep op het socialebijstandsstelsel van Nederland wordt gedaan. De rechtbank overweegt daartoe dat paragraaf 2.3.1 van de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de richtsnoeren), welke paragraaf ziet op “toereikende bestaansmiddelen”, aldus is opgebouwd dat voorop wordt gesteld dat EU-burgers over toereikende bestaansmiddelen beschikken wanneer hun middelen het grensbedrag overschrijden dat in het gastland geldt voor de toekenning van het bestaansminimum (pagina 8). Noch in de tekst van artikel 7 zelf, noch in de richtsnoeren is er dus gekozen voor een negatief criterium inhoudende dat de Unieburger geen uitkering van het gastland geniet, maar voor een positief geformuleerde inkomensnorm. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat als het vereiste van voldoende bestaansmiddelen bij de eerste toetsing van het recht om gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zo gelezen zou moeten worden dat hier enkel niet aan is voldaan wanneer de Unieburger socialebijstandsuitkeringen ontvangt, dit het middelenvereiste in artikel 7, eerste lid, onder b, van de Verblijfsrichtlijn, waarin positief staat geformuleerd dat de Unieburger over voldoende bestaansmiddelen moet beschikken om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van het gastland, volledig zou uithollen.

6.4.

Eiseres heeft, onder verwijzing naar artikel 14, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en het arrest Grzelczyk, betoogd dat een beroep op de bijstand niet automatisch betekent dat een economisch niet-actieve Unieburger niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf en dat beëindiging van het verblijf alleen dan mag volgen wanneer het beroep op de bijstand als onredelijk wordt beschouwd. De rechtbank overweegt dat dit betoog niet opgaat. Aangezien eiseres nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, kan van beëindiging van rechtmatig verblijf geen sprake zijn.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.