Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 20560
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak, afkomst staat in rechte vast, geen noodzaak opvragen nieuw BMA-advies

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/20560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Bovendien is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 30 maart 2017 verzocht om de behandeling van het beroep ter zitting aan te houden om een nader gemotiveerd standpunt in te kunnen nemen omtrent de terugkeer van eiser naar de provincie Diyala in Irak.

Op 16 mei 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 juni 2017 heeft eiser hierop gereageerd.

Eiser heeft op 23 juni 2017 aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft op 5 september 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was B. Saad als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser heeft eerder op 1 juni 2007 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij besluit van 29 oktober 2007 is aan eiser een verblijfsvergunning verleend op grond van het categoriaal beschermingsbeleid, geldig van 1 juni 2007 tot 1 juni 2012. Bij besluit van 13 april 2010 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning vanwege het beëindigen van het categoriaal beschermingsbeleid ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 november 2008. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 3 maart 2011, met zaaknummer AWB 10/16672, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 oktober 2011, met zaaknummer [zaaknummer], is het hiertegen door eiser ingediende hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 27 oktober 2014 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Op 11 mei 2016 is verweerder in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op 9 juni 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 augustus 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:11301) is het beroep gegrond verklaard en is verweerder veroordeeld tot betaling van een dwangsom en is bepaald dat er een besluit op de aanvraag dient te worden genomen uiterlijk twee weken na de datum van verzending van de uitspraak.

2. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit [plaats], dat ligt in de provincie Salaheddin in Irak. De veiligheidssituatie aldaar is ernstig verslechterd en daarom vreest eiser voor zijn leven bij terugkeer naar zijn plaats van herkomst.

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) eiser stelt afkomstig te zijn uit Irak, provincie Salaheddin, uit de stad [plaats];

2) eiser beroept zich op de slechte veiligheidssituatie in Irak;

3) eiser verklaart dat hij diabetes heeft.

Verweerder heeft de gestelde afkomst van eiser niet geloofwaardig geacht, hoewel verweerder wel geloofwaardig acht dat eiser afkomstig is uit Irak. Eiser heeft verklaard afkomstig te zijn uit [plaats], in de provincie Salaheddin. Uit het rapport van het Bureau Land en Taal van 26 juli 2007 is echter naar voren gekomen dat de gestelde herkomst uit [plaats] niet aannemelijk is. Uit dit rapport is gebleken dat eiser te herleiden is tot de regio [regio] gelegen in de provincie Diyala. Dat de gestelde herkomst niet geloofwaardig is, staat in rechte vast. In de onderhavige procedure heeft eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die dit standpunt anders maken. Voorts heeft eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die maken dat zijn asielrelaas wel als geloofwaardig aangemerkt zou kunnen worden.

Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).

Eiser heeft tevens niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2015/21 is de provincie Diyala aangewezen als gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. In beginsel komt eiser dan ook in aanmerking voor bescherming in Nederland. Verweerder overweegt echter dat eiser zich buiten het gebied van herkomst, te weten in de stad Bagdad, kan vestigen.

In aanvulling op het bestreden besluit heeft verweerder op 16 mei 2017 overwogen dat bij besluit van 17 maart 2017 (WBV 2017/2), houdende een wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Diyala niet langer is aangewezen als een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie, zodat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij kan terugkeren naar het gebied waar hij van afkomstig is, namelijk Diyala.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte op grond van een rapport taalanalyse van 26 juli 2007 vanuit gaat dat hij afkomstig is uit de provincie Diyala. Eiser is afkomstig uit [plaats], dat op slechts 20 kilometer van de grens van de provincie Diyala af ligt en dat dicht bij het gebied ligt waar IS nog wel een machtsfactor vormt. Voorts betoogt eiser, onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van de rechtbank Den Haag dat het tegenwerpen van Bagdad als vestigingsalternatief nog geen uitgemaakte zaak is. De algemene veiligheidssituatie in Bagdad is bovendien dermate ernstig dat daardoor sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Voorts betoogt hij dat hij als Soenniet met de bij uitstek Soennitische naam [naam] in Bagdad een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast betoogt eiser dat er ook anderszins tal van feiten en omstandigheden in het geval van eiser, een Soennitische man met de naam [naam] die al negen jaar in het Westen verblijft en te kampen heeft met een steeds erger wordende suikerzieke, zijn die maken dat Bagdad voor hem persoonlijk niet veilig is. Eiser doet tot slot een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In dit verband noemt hij een drietal zaken waarin aan de vreemdeling in kwestie geen vestigingsalternatief is tegengeworpen.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat niet geloofwaardig is dat eiser afkomstig is uit [plaats] in de provincie Salaheddin in Irak. In het besluit van 29 oktober 2007 heeft verweerder op basis van het rapport van het Bureau Land en Taal van 26 juli 2007 vastgesteld dat eiser te herleiden is tot de regio [regio], gelegen in de provincie Diyala. Met de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2011, met zaaknummer [zaaknummer], staat de afkomst van eiser derhalve in rechte vast. De rechtbank overweegt dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij wel afkomstig is uit [plaats] in de provincie Salaheddin.

6.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder eiser niet langer tegenwerpt dat hij zich kan vestigen in Bagdad. Derhalve behoeven de gronden gericht tegen het tegenwerpen van Bagdad als vestigingsalternatief geen nadere bespreking.

6.3.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nieuw advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) op te vragen omwille van de medische situatie van eiser bij terugkeer naar de provincie Diyala. Volgens eiser is het maar zeer de vraag of hij in Diyala behandeld kan worden. De rechtbank overweegt dat uit het BMA-advies van 5 augustus 2016 naar voren komt dat medische behandeling voor de klachten van eiser in Irak, te weten in Bagdad, aanwezig is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling van zijn medische klachten in de instelling in Bagdad die specifiek in het BMA-advies wordt genoemd voor hem niet feitelijk toegankelijk is. Eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat hij niet voor zijn behandeling naar Bagdad zou kunnen afreizen, te meer nu de provincie Diyala geografisch gezien tegen de stad Bagdad aanligt. Dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nieuw BMA-advies op te vragen, volgt de rechtbank dan ook niet.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.