Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11482
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, bekering tot het christendom en ondervonden problemen, geloofwaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2017 (het besteden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was R. Rahimali als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 27 november 2015 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Als het kind van moslimouders was eiseres zelf ook moslim. Hoewel eiseres is grootgebracht in een vrijdenkende familie en veel vrijheid kreeg, moest zij zich onder druk van school en de maatschappij toch aan de islamitische regels houden. De ouders van haar vader, die streng religieus zijn, zien eiseres niet als een volwaardig kleinkind, omdat ze niet gelovig genoeg is en zich niet houdt aan de islamitische regels. Eiseres heeft daarom weinig contact met hen. Op school heeft eiseres problemen gehad, omdat ze niet bij een religieuze groepering hoorde. Eiseres werd gediscrimineerd en moest tegen haar zin meedoen aan allerlei bijeenkomsten. Eiseres werd depressief en haar schoolresultaten gingen achteruit. Via haar moeder is eiseres in april 2015 in contact gekomen met het christendom. Eiseres verdiept zich verder in het christendom, woont bijeenkomsten bij en bekeert zich uiteindelijk tot het christendom. In oktober 2015 heeft de politie een inval gedaan in de boomgaard waar eiseres en haar gezin Bijbelles hadden. De moeder van eiseres heeft achteraf van een vriendin vernomen dat zij door iemand zijn verraden. Meteen na de inval besluiten eiseres en haar gezin om het land te verlaten. Later hoort eiseres van haar oma dat de autoriteiten hun huis hebben doorzocht en een computer in beslag hebben genomen. Op deze computer stond materiaal, waaruit blijkt dat eiseres en haar gezin zijn bekeerd. Eiseres vreest bij terugkeer vanwege haar bekering voor de autoriteiten en voor de familie van haar vader.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) bekering tot het christendom;

3) problemen naar aanleiding van de bekering.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De bekering tot het christendom en de problemen naar aanleiding van de bekering worden echter niet geloofwaardig geacht.

Eiseres kan voorts niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bekering tot het christendom niet op een zorgvuldige wijze is getoetst, nu de door verweerder gegeven samenvatting van haar asielrelaas er geen blijk van geeft dat alle relevante feiten en omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Ten onrechte heeft verweerder de bekering tot het christendom niet geloofwaardig geacht. Eiseres heeft voldoende inzicht gegeven in haar motieven voor en het proces van bekering. Door eiseres wordt een verklaring van de Baptistengemeente [plaats] en een rapportage van de Commissie Plaisier van de Protestantse Kerk overgelegd ter nadere onderbouwing van de geloofwaardigheid van haar bekering. Bovendien beschikt eiseres over voldoende Bijbelkennis. Eiseres heeft geen tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen omtrent haar bekering afgelegd. Tevens heeft eiseres voldoende uitvoerig verklaard over de gang van zaken bij de huiskerkbijeenkomsten, de inval in de boomgaard en de inval in de woning. Eiseres loopt vanwege haar bekering en de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen bij terugkeer naar Iran een reëel risico op een behandeling in strijd met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM. Dit geldt temeer nu de vader van haar moeder door de familie van haar vader is mishandeld.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Voorts blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2801) dat het verweerder vrij staat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de motieven voor en het proces van de bekering. Het is aan eiseres om haar gestelde bekering tot het christendom aannemelijk te maken.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het geval van eiseres volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld en de gestelde bekering van eiseres tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij druk heeft ervaren om zich aan de islamitische regels te houden. Zo is de verklaring van eiseres dat het islamitische geloof door haar ouders is opgelegd tegenstrijdig met hetgeen haar ouders hebben verklaard. De moeder van eiseres heeft soortgelijke verklaringen afgelegd over het verplichte karakter van het islamitische geloof en de gevolgen voor haar psychische toestand. Niet valt derhalve in te zien dat de moeder van eiseres dit geloof aan haar dochter zou hebben opgedrongen. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zich gedwongen voelde door de familie van haar vader, nu zij heeft verklaard dat zij met hen nauwelijks contact had. Bovendien heeft eiseres wisselend verklaard over de mate waarop zij invulling heeft moeten geven aan de islamitische gebruiken. Zo heeft zij enerzijds verklaard dat zij opgegroeid is in een islamitisch keurslijf mede door school, terwijl zij anderzijds heeft verklaard dat zij in haar leven maar één of twee keer met school naar de moskee is gegaan.

Voorts overweegt verweerder niet ten onrechte dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over haar proces van bekering. De verklaring van eiseres dat zij er pas achter is gekomen dat het islamitische geloof niet meer voldeed op het moment dat zij in aanraking kwam met het christelijke geloof strookt niet met haar verklaring dat zij vanaf jonge leeftijd gebukt ging onder het keurslijf van het islamitische geloof. Dat het contrast pas duidelijk zou zijn geworden op het moment dat zij met het christendom in aanraking kwam en daarover meer leerde, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat het heel moeilijk was om een geloof waar ze haar hele leven in had geloofd de rug toe te keren, maar tegelijkertijd heeft zij verklaard dat zij nooit in de islam heeft geloofd en alleen maar vanwege externe druk invulling heeft gegeven aan de islamitische gebruiken. Voorts is niet in te zien dat eiseres zich schuldig zou hebben gevoeld dat zij geen invulling gaf aan de voorschriften van het islamitische geloof, nu eiseres aangeeft nooit echt in deze religie te hebben geloofd en door haar gezin ook niet werd verplicht om hieraan invulling te geven.

Verweerder heeft niet ten onrechte van eiseres verlangd dat zij over haar eerste huiskerkbezoek concreet kan verklaren. Dit betreft immers een impactvolle gebeurtenis in haar proces van bekering. Verweerder heeft eiseres ook niet ten onrechte tegengeworpen dat zij het aantal huiskerkbijeenkomsten dat in haar eigen huis is georganiseerd alsook het aantal bijeenkomsten dat zij heeft bezocht niet kan noemen. Dat zij druk was met het toelatingsexamen voor de universiteit laat dit onverlet. Gelet op het hoge risico dat verbonden is aan het bijwonen van huiskerkbijeenkomsten heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij niet uitvoeriger kan verklaren over de toelating tot de bijeenkomsten en de veiligheidsmaatregelen die getroffen werden. Dat eiseres aangeeft dat de bijeenkomsten wisselend op verschillende locaties plaatsvonden en dat zij vanwege haar moeder het vertrouwen van de andere deelnemers genoot, is hiertoe onvoldoende. Eiseres voert aan dat haar ouders gezien haar leeftijd niet met haar over de veiligheidsrisico’s spraken. Dit volgt de rechtbank niet, nu van een 17-jarige redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij kennis neemt van de getroffen veiligheidsmaatregelen.

7.3.

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder niet in de beoordeling heeft betrokken dat zij al op zoek was naar contact met god voordat zij met christendom in aanraking kwam en dat zij binnen de christelijke context een vrijheid en openheid ervaart die zij in de islamitische context nooit heeft ervaren. In het bestreden besluit overweegt verweerder expliciet dat het gehele dossier van eiseres in de totstandkoming van het voornemen is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat belangrijke onderdelen van het asielrelaas door verweerder niet in de besluitvorming zijn betrokken en dat verweerder de rode draad in het asielrelaas van eiseres heeft miskend. Daarom slaagt de beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen niet.

7.4.

Ter staving van de geloofwaardigheid van haar gestelde bekering heeft eiseres een verklaring overgelegd van de Baptistengemeente [plaats] en een rapportage van de Commissie Plaisier van de Protestantse Kerk van 25 september 2017. Over dergelijke verklaringen heeft de Afdeling, onder meer in de uitspraak van 31 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2546) en in de uitspraak van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3514), overwogen dat deze kunnen dienen ter staving van een gestelde bekering van een vreemdeling, maar onverlet laten dat die vreemdeling (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, is eiseres hierin niet geslaagd. Weliswaar heeft eiseres kennis van de Bijbel, maar dit maakt nog niet dat de gestelde bekering geloofwaardig is. Verweerder mag immers doorslaggevend gewicht toekennen aan de verklaringen van de vreemdeling omtrent de motieven voor en het proces van bekering. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4065).

7.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde problemen naar aanleiding van de bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres heeft door middel van haar verklaringen de gang van zaken tijdens de inval niet aannemelijk weten te maken. Eiseres heeft verklaard dat de huiskerk was verraden en dat dit verraad de aanleiding vormde voor de inval. Niet valt in te zien dat de autoriteiten, indien ze op de hoogte zouden zijn van hetgeen in de boomgaard plaatsvond, wat verwacht mag worden als er sprake is van verraad, niet alle aanwezigen zouden hebben aangehouden dan wel zouden hebben ondervraagd. Eiseres voert aan dat het verraad niet zag op de hoedanigheid van de huiskerk maar op het niet meedoen aan de Moharam. De autoriteiten zouden er tijdens de inval niet van op de hoogte zijn geweest dat zij een huiskerkbijeenkomst waren binnengevallen. Indien echter van verraad sprake was, valt niet in te zien hoe het mogelijk is dat de autoriteiten er niet van op de hoogte waren (gesteld) dat het een christelijke bijeenkomst betrof. Dat het verraad zag op het niet meedoen aan de Moharam, volgt de rechtbank dan ook niet. Voorts hebben eiseres en haar ouders tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de dag van de inval in de woning. Dat herinneringen persoonlijk en dynamisch zijn, aangezien stress en vermoeidheid een rol spelen, maakt niet dat niet mag verlangd mag worden dat eiseres en haar ouders over een dermate ingrijpende gebeurtenis gelijk verklaren.

8. Gelet op het feit dat de bekering en problemen naar aanleiding van de bekering ongeloofwaardig zijn, heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres vanwege haar gestelde bekering niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de mishandeling van de vader van haar moeder door de familie van haar vader overweegt de rechtbank dat deze stelling niet nader is onderbouwd. De door eiseres overgelegde productie drie bij de beroepsgronden is niet leesbaar, zodat de rechtbank deze verklaring niet inhoudelijk kan beoordelen. Bovendien heeft eiseres niet onderbouwd wat de reden van de gestelde mishandeling is, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of dit relevant is.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.