Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16230

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9903
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:2075, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW terecht en naar de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/462
Viditax (FutD), 01-03-2018
FutD 2018-0606
NTFR 2018/967
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/9903

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. Verweerder heeft bij beide navorderingsaanslagen heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 november 2016 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op

25 april 2017.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Partijen hebben voor de zitting van de meervoudige kamer nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op
24 oktober 2017.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon 1], [persoon 2], [persoon 4] en [persoon 3].

Ter zitting is onderhavige zaak gevoegd behandeld met de beroepen van eiser met zaaknummers SGR 16/8292, SGR 16/9904, SGR 16/9905, SGR 16/10131, SGR 16/10132 en SGR 16/10134.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in de periode 1 januari 2008 tot en met 1 juli 2008 een onderneming gedreven in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van de onderneming bestonden uit het verlenen van juridische adviezen. De onderneming is per 1 juli 2008 gestaakt. Per 1 september is eiser een nul-urencontract als juridisch adviseur aangegaan met de vennootschap [vennootschap].

2. Eiser heeft zijn aangifte IB/PVV 2008 ingediend op 16 februari 2010 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.887. De definitieve aanslag IB/PVV is vastgesteld op 2 september 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.265. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag is het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 1.420 aan restant persoonsgebonden aftrek en is een bedrag van € 42 aan verlies uit 2006 verrekend.

3. Op 28 september 2011 is een verliesverrekeningsbeschikking gegeven ter verrekening van het verlies uit werk en woning over het belastingjaar 2009 van € 2.568.

4. Bij eiser heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2012.

5. Bij brief van 20 oktober 2014 zijn aan eiser lopende het bovengenoemde boekenonderzoek nadere vragen gesteld over onder andere de inkomstenbelasting 2008. Daarnaast heeft verweerder zich in deze brief uitgelaten over zijn voorgenomen correcties. Verweerder heeft erop gewezen dat de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 2008 eindigt op 31 januari 2015. Eiser heeft op 15 november 2014 een reactie op deze brief aan verweerder gezonden.

6. Met dagtekening 24 december 2014 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.327. Dit is als volgt vastgesteld:

Belastbaar inkomen volgens de aangifte € 2.887

geen persoonsgebonden aftrek € 1.420

Af: verlies 2006 € 42 -/-

Belastbaar inkomen volgens def. aanslag € 4.265

Af: verlies 2009 € 2.568 -/-

Belastbaar inkomen na verlies 2009 € 1.697

meer winst € 1.370

geen zelfstandigenaftrek € 11.131

geen MKB-winstvrijstelling € 549

meer persoonsgebonden aftrek € 1.420 -/-

€ 13.327

Daarnaast is met dezelfde dagtekening de navorderingsaanslag ZVW 2008 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 6.684.

7. Het onder 4 vermelde boekenonderzoek heeft geleid tot een controlerapport. Het concept van het controlerapport is op 27 november 2015 aan eiser per mail verstuurd. Ook heeft verweerder op dezelfde dag het controlerapport bij eiser in de brievenbus gedeponeerd.

8. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedateerd 11 november 2016, de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Geschil
9. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW terecht en naar de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

10. Eiser stelt dat verweerder het unierechtelijk verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Daarnaast stelt eiser dat sprake is van schending van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Verweerder heeft ten onrechte de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling gecorrigeerd. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met een verrekenbaar verlies van € 12.160 over het jaar 2010. Tenslotte stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte beroept op omkering van de bewijslast.

11. Verweerders standpunt luidt dat de navorderingsaanslagen terecht en op de juiste gronden aan eiser zijn opgelegd. Verweerder stelt in dat verband dat de vereiste aangifte niet is gedaan, nu aan de winstberekening geen – bewaarde – administratie ten grondslag ligt.

Beoordeling van het geschil

12. Ten aanzien van eisers stelling dat sprake is van schending van artikel 8:42 Awb aangezien verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd overweegt de rechtbank het volgende. Uit de door eiser ingediende aanvullende stukken van 12 oktober 2017 volgt dat eiser daarmee doelt op het ‘draaiboek van het landelijk project’. Verweerder heeft gesteld dat een dergelijk ‘draaiboek’ er niet is. Eiser heeft niets aangevoerd op basis waarvan bij de rechtbank twijfel ontstaat omtrent de door verweerder ingenomen stelling. Van schending van artikel 8:42 Awb is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden. Bij brief van 20 oktober 2014, zoals vermeld onder 5, heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van de door hem voorgenomen correcties ten aanzien van onder andere de inkomstenbelasting over het jaar 2008. Ten aanzien van de zelfstandigenaftrek en startersaftrek behelst dit voornemen een correctie op de grond dat eiser niet aannemelijk maakt dat hij minimaal 1225 uur aan zijn onderneming heeft besteed. Eiser is in de gelegenheid gesteld een urenspecificatie te overleggen waarmee hij aannemelijk kan maken dat wel aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek en startersaftrek wordt voldaan. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat het winstbedrag met € 1.370 gecorrigeerd zal worden overeenkomstig de door eiser in zijn eigen opgave opgenomen winst. Aan eiser is een reactietermijn gegeven tot uiterlijk 31 oktober 2014. Eiser heeft bij brief van 15 november 2014 gereageerd op bovengenoemde brief van verweerder, maar heeft hierbij noch gereageerd op de winstcorrectie noch is hij ingegaan op het verzoek van verweerder om een urenspecificatie te overleggen. Gelet op de wijze waarop eiser in de gelegenheid is gesteld te reageren op de voorgenomen correcties, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van verdedigingsbeginsel. Eiser is met het opleggen van de navorderingsaanslagen op 24 december 2014 niet geschaad in zijn procesbelangen.

14. Verweerder heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen een winstcorrectie doorgevoerd van € 1.370. Deze winstcorrectie is gebaseerd op een omzet die eiser zelf in zijn achteraf opgemaakte en overgelegde administratie heeft opgenomen. Verweerder heeft verder de zelfstandigenaftrek ten bedrage van € 11.131 en de MKB-winstvrijstelling ten bedrage van € 549 gecorrigeerd. Met betrekking tot de correcties van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 3.76, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Om aan het urencriterium te kunnen voldoen dient eiser in ieder geval gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren te hebben besteed aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet (artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001).

15. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor zijn onderneming heeft besteed. De onderneming van eiser is op 1 juli 2008 gestaakt. Nu de onderneming niet het gehele jaar heeft bestaan en slechts een beperkte omzet is behaald, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk dat meer dan 1.225 aan werkzaamheden voor de onderneming zijn besteed. De door eiser achteraf opgemaakte en overgelegde urenstaten acht de rechtbank onvoldoende als onderbouwing van de gestelde uren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van een groot aantal uren die zijn opgenomen in de urenstaten de zakelijkheid niet is gebleken dan wel de uren niet controleerbaar zijn aan de hand van een administratie en/of agenda, aangezien die ontbreken. Zo heeft een groot aantal uren betrekking op literatuuronderzoek en het ontwikkelen van een zogenoemd databestand. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder de zelfstandigenaftrek terecht gecorrigeerd. Dit brengt mee dat eiser ook niet in aanmerking komt voor de MKB-winstvrijstelling aangezien voor toepassing van de MKB-winstvrijstelling, op grond van artikel 3.79a Wet IB2001, geldt dat een ondernemer aan het urencriterium dient te voldoen.

16. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een verrekenbaar verlies van € 12.160 met betrekking tot het jaar 2010 volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat een dergelijk verlies is geleden.

17. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. De rechtbank is evenmin gebleken dat de berekening van de heffingsrente onjuist is.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en mr. E.I. Batelaan-Boomsma, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.