Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/10409
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een aanvraag gedaan tot verlening van een visum kort verblijf voor bezoek aan familie in Nederland samen met haar twee kinderen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft het visum geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het visum heeft mogen weigeren onder andere omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van sociale en economische binding met Egypte. Hierbij is onder andere van belang dat de meereizende kinderen van eiseres de Nederlandse nationaliteit hebben. Verweerder heeft eiseres ook niet hoeven horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/10409

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1967, van Egyptische nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.S. van Tol).

Procesverloop

Met het besluit van 5 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het besluit van 4 mei 2017 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 17 mei 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verder waren aanwezig [de persoon] , referent, [de man] , echtgenoot van eiseres en [naam] , dochter van de echtgenoot van eiseres en echtgenote van referent.

Overwegingen

1. Eiseres wil Nederland bezoeken met haar twee minderjarige kinderen (geboren in respectievelijk 2000 en 2001) die over de Nederlandse nationaliteit beschikken. Haar echtgenoot, [naam] en referent wonen in Nederland. Een zoon van de echtgenoot van eiseres uit een eerder huwelijk, verblijft ook in Nederland en heeft net een kind gekregen. Eiseres wil hen allen bezoeken en heeft daartoe haar aanvraag gedaan. Bij de aanvraag wordt een bewijs van inschrijving van de kinderen van schooljaar 2015-2016 overgelegd.

2.1.

Verweerder wijst de aanvraag van eiseres met het primaire besluit af omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet konden worden vastgesteld. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat eiseres voornemens is om vóór het verstrijken van het visum Nederland te verlaten. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat de economische en sociale binding met Egypte niet is aangetoond waardoor tijdig terugkeer onvoldoende is gewaarborgd.

2.2.

Eiseres stelt gemotiveerd beroep in. De beroepsgronden worden hieronder weergegeven bij de beoordeling daarvan.

3. De rechtbank overweegt vooraf en samenvattend het volgende over het juridisch kader van waaruit de zaak van eiseres wordt bekeken. Bij aanvragen van een visum voor kort verblijf geldt dat verweerder een risico-inschatting maakt of voldoende gewaarborgd is dat de aanvrager terugkeert naar zijn land van herkomst vóór het verstrijken van het visum. Hiervoor kijkt verweerder naar de sociale- en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Bij de sociale binding houdt verweerder rekening met bijvoorbeeld familieleden waarvoor de aanvrager zorg draagt, die zonder zorg komen te zitten als de aanvrager niet terugkeert. Bij de economische binding houdt verweerder rekening met bijvoorbeeld duurzame en substantiële inkomsten die de aanvrager verliest als hij niet terugkeert. Deze binding moet worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Hierbij geldt dat sociale en economische binding communicerende vaten zijn; een door stukken onderbouwde sterke economische binding kan bijvoorbeeld een minder sterke sociale binding compenseren.

4.1

Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar voornemen om terug te keren vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld. Zij is namelijk sociaal gebonden aan Egypte vanwege haar schoolgaande kinderen en haar grote familie. Daarnaast is zij economisch gebonden aan Egypte vanwege het bezit van een eigen huis en doordat zij daar beschikt over maandelijkse uitkeringen uit de erfenis van haar vader. Hierdoor is zij voldoende op sociale en economische gronden gebonden aan Egypte. Hierbij geldt dat de kinderen bij illegaal verblijf in Nederland hun opleiding niet kunnen voortzetten. De studies in Nederland zullen namelijk niet aansluiten op de studies in Egypte. Daarnaast heeft eiseres vanwege haar voornemen om in de toekomst zich rechtmatig bij haar echtgenoot te voegen geen enkel belang om dit op het spel te zetten door illegaal in Nederland te verblijven. Verder is het onredelijk om van eiseres te verwachten dat zij een baan heeft in Egypte. De Egyptische cultuur verschilt in dit opzicht van de Nederlandse omdat het daar niet gewoon is dat een vrouw werkt. Hierdoor kan eiseres in de ogen van verweerder nooit voldoende economische binding hebben met Egypte en kan zij nooit in aanmerking komen voor een visum. Ten slotte wordt ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij in 2004 een machtiging voorlopig verblijf (mvv) aanvraag heeft ingediend die is afgewezen. Deze omstandigheid is niet relevant voor de vaststelling van het reisdoel van eiseres.

4.2

De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden die eiseres aanvoert in het kader van de sociale- en economische binding niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Zo heeft eiseres geen stukken overgelegd die het eigendom van het huis, de uitkeringen uit een erfenis en de familie van eiseres in Egypte aantonen. Eiseres heeft enkel een bewijs van inschrijving van de kinderen van schooljaar 2015-2016 overgelegd. Hieruit volgt niet dat de kinderen in schooljaar 2017-2018 nog steeds schoolgaand zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht stelt dat eiseres haar sociale- en economische binding met Egypte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.3

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de gestelde economische- en sociale binding van eiseres, ook als deze onderbouwd was met objectieve en verifieerbare stukken, onvoldoende is om tijdig terugkeer naar Egypte voldoende gewaarborgd te achten. Het zijn namelijk geen omstandigheden die eiseres ‘terugtrekken’ naar Egypte. De eventuele omstandigheid dat de kinderen van eiseres in Egypte naar school gaan, is onvoldoende om te waarborgen dat eiseres na haar bezoek terug zal keren naar Egypte. De kinderen hebben namelijk de Nederlandse nationaliteit en volgen een internationale opleiding. Hierdoor staat hen weinig in de weg om hun opleiding in Nederland voort te zetten. Verder kan eiseres ook in Nederland over haar erfenis beschikken, aangezien deze op een bankrekening wordt uitgekeerd. Hierdoor beschikt eiseres dan ook niet over substantiële en duurzame inkomsten waarvoor zij terug moet keren naar Egypte. De rechtbank begrijpt dat eiseres het onredelijk vindt om dit aan haar tegen te werpen omdat vrouwen in Egypte over het algemeen niet werken. Dit betekent echter niet dat eiseres nooit in aanmerking kan komen voor een visum voor kort verblijf. De economische- en sociale binding zijn namelijk communicerende vaten, waardoor een sterke onderbouwde sociale binding met Egypte de geringe economische binding kan opheffen. Er is echter niet gebleken van familieleden in Egypte die voor zorg van eiseres afhankelijk zijn of een andere sterke sociale binding. Hierdoor is de gestelde sociale binding onvoldoende om een tijdig terugkeer naar Egypte gewaarborgd te achten.

5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat het reisdoel van eiseres onvoldoende duidelijk is geworden. Doordat de tijdige terugkeer van eiseres – gelet op 4.2 en 4.3 – onvoldoende is gewaarborgd, is onvoldoende vast komen te staan dat eiseres het visum slechts voor familiebezoek wil gebruiken. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hij de risico-inschatting heeft verricht op grond van de omstandigheden zoals die zich nu voordoen en dat de in 2004 afgewezen aanvraag voor een mvv hierbij niet is meegenomen. De rechtbank begrijpt dat de opmerking over deze aanvraag ten overvloede is genoemd in het bestreden besluit. Verweerder heeft dan ook op goede gronden tegengeworpen dat het reisdoel onvoldoende duidelijk is geworden.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen.

7. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiseres in bezwaar te horen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een bestuursorgaan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar van het horen afzien als er, naar objectieve maatstaven bezien, van te voren redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is, dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2803). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van de voorafgaande besluitvorming, het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop. Verweer heeft in het primaire besluit en de in bezwaar meegestuurde ‘detailgegevens visumaanvraag’ duidelijk gemaakt dat de sociale- en economisch binding onvoldoende onderbouwd waren. Eiseres heeft in bezwaar geen stukken overgelegd die op deze binding zien. Hierdoor was er, naar objectieve maatstaven bezien, van te voren redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk, dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.