Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16129

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2371
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Standplaats Haagse markt; brancheringsregels, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. van Rijn),

en

het college van Burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: H.A.P. Rozema).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een vergunning voor een vaste standplaats op de Haagse Markt aan de Herman Costerstraat afgewezen.

Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder – onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften – geconstateerd dat aan het primaire besluit een motiveringsgebrek kleeft, doch heeft dit gepasseerd met een beroep op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en een vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Namens eiser is daarbij [persoon] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser heeft een aanvraag ingediend voor standplaats [standplaats] voor alle marktdagen op de markt aan de Herman Costerstraat (Haagse Markt) te Den Haag. In de aanvraag is vermeld dat deze ziet op subbranche 6.02, Indiase snacks. Voor deze standplaats waren meerdere aanvragen ingediend.

2.1

Ingevolge artikel 7 van de Marktverordening is het verboden om zonder marktvergunning een standplaats in te nemen.

2.2

Ingevolge artikel 2:2, tweede lid, aanhef en onder b van het Marktreglement Den Haag 2013 (hierna te noemen: het Marktreglement) kan op een aanvraag voor een vaste standplaats in ieder geval afwijzend worden beschikt indien het per branche vastgestelde maximum aantal marktvergunningen is verleend.

2.3

Volgens het Branchepatroon Hoofd- en diverse Subbranches voor alle markten in Den Haag (Uitvoeringsbesluit behorende bij Marktverordening Den Haag 2013, krachtens artikel 3, onder g) geldt voor de markt aan de Herman Costerstraat voor subbranche 6.02 een maximum aantal vergunningen van 5.

3 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Van een onzorgvuldige procedure door de Commerciële Branchecommissie (CBC) ten aanzien van eiser is daarbij volgens verweerder geen sprake geweest. De gekozen onderlinge verhouding tussen de branche ‘food’ en de subbranche ‘(buitenlandse) snacks’ is het resultaat van gekozen en kenbaar beleid. Dat eiser naast Indiase snacks, ook andere snacks zou verkopen, doet hier niet aan af, nu deze alle binnen de subbranche ‘buitenlandse snacks’ vallen.

4 Eiser heeft aan zijn beroep het volgende ten grondslag gelegd. Eiser ziet niet in waarom zijn aanvraag door verweerder in behandeling is genomen, als deze aanvraag – gezien de ‘overbranchering’ – toch kansloos is. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid tot presentatie van de producten bij de CBC, als de markt voor de subbranche toch al als verzadigd wordt beschouwd. Dat in de naaste omgeving van de markt reeds in soortgelijke producten zou worden voorzien, geldt in feite voor iedere soort buitenlandse snack. Eiser benadrukt dat zijn aanbod in Indiase, Pakistaanse en Bengaalse snacks juist uniek is te noemen. Voorts trekt eiser de rol en onafhankelijkheid van de CBC in twijfel en betoogt hij dat een ander adviesorgaan dan de CBC verweerder in deze zou moeten adviseren. Ten slotte heeft eiser ter zitting verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten in bezwaar, aangezien verweerder heeft erkend dat aan het primaire besluit een motiveringsgebrek kleefde.

5.1

De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat de door eiser in zijn aanvraag genoemde ‘Indiase snacks’ vallen onder de subbranche 6.02 (buitenlandse snacks). Voor de markt aan de Herman Costerstraat geldt voor subbranche 6.02 een maximum aantal vergunningen van 5, terwijl er ten tijde van de aanvraag van eiser 7 zijn verleend. Het door verweerder gekozen streefpercentage voor buitenlandse snacks binnen de sector ‘food’ is 7%, terwijl het huidige percentage 18% bedraagt.

Reeds daarom kon verweerder de aanvraag in redelijkheid afwijzen op grond van artikel 2:2, tweede lid, aanhef en onder b van het Marktreglement.

Niet kan worden gezegd - zoals door eiser betoogd - dat een aanvraag in de subbranche 6.02 bij voorbaat kansloos is en verweerder hem hier op had kunnen wijzen op het moment van de aanvraag, aangezien artikel 2:2, tweede lid, aanhef en onder b van het Marktreglement een zogenaamde ‘kan-bepaling’ behelst. Zoals door verweerder ter zitting is betoogd, zijn de brancheringsregels wel streng, maar kan zich altijd een bijzondere situatie voordoen waarbij hiervan - in het belang van klanten van de markt - kan worden afgeweken.

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het onderscheid in snacks “naar het land van herkomst” in principe geen rol speelt nu voor alle genoemde snacks geldt dat zij onder de subbranche “buitenlandse snacks” vallen. Met dit onderscheid is volgens verweerder van een meerwaarde niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met voorgaande motivering afdoende duidelijk gemaakt waarom in geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat in weerwil van de bestaande regels, alsnog een vergunning dient te worden verleend.

5.2

Ten aanzien van de bezwaren die eiser heeft tegen het functioneren van de CBC overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 1 van het Reglement Adviescommissie Haagse Markten 2012 (hierna: het reglement) heeft de Adviescommissie Haagse Markten (hierna: de Commissie) tot doel het college gevraagd en ongevraagd advies te geven over het marktbeleid, over branchering en over algemene marktaangelegenheden, maar niet over personen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is de Commissie als volgt samengesteld:

a. het Hoofd van de afdeling Markten van de Dienst Stadsbeheer (voorzitter);

b. twee vertegenwoordigers van de CVAH;

c. twee vertegenwoordigers van VETRA;

d. de Marktmanager van de afdeling Markten van de dienst Stadsbeheer;

e. ambtenaren aan te wijzen door de directeur van de Dienst Stadsbeheer.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kent de Commissie Marktkamers en twee marktenoverstijgende overlegstructuren.

Ingevolge het zesde lid zijn de marktenoverstijgende overlegstructuren:

a. de CBC;

b. (…).

Ingevolge het zevende lid bestaat de CBC uit de leden als genoemd in artikel 2, eerste lid.

De CBC heeft tot taak de Commissie te adviseren over het algemene branchebeleid, waaronder het Branchebesluit. In de CBC zijn de marktkooplieden, rechtstreeks of via de bonden, vertegenwoordigd en daarmee is het een afspiegeling van de markt. Op basis van de vertegenwoordiging in de CBC mag aangenomen worden dat de CBC goed op de hoogte is van de situatie op de markt. Dit neemt niet weg dat de CBC slechts een adviserende rol heeft en de leden van de CBC niet bevoegd zijn om namens verweerder te beslissen. Het staat verweerder vrij een advies van de CBC over te nemen dan wel naast zich neer te leggen.

Ook uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de afwijzing heeft gemotiveerd zonder het advies van de CBC daarbij in zijn geheel over te nemen. Dat het CBC niet onafhankelijk zou zijn en niet in staat om verweerder te adviseren, is de rechtbank niet gebleken.

5.3

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Gelet op de omstandigheid dat verweerder met aanpassing van de in het primaire besluit gegeven motivering, het primaire besluit niet heeft herroepen, voldoet het bestreden besluit niet aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde criteria voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Nu het primaire besluit niet is herroepen, was verweerder niet gehouden tot het vergoeden van de proceskosten in bezwaar.

6 Het beroep is ongegrond.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.