Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16125

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
NL17.2939
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag van eiser om een asielvergunning is ingewilligd. Verweerder heeft in de vergunning opgenomen dat eisers nationaliteit onbekend is. Eiser wenst als staatloos te worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de vaststelling van zijn staatloosheid in de onderhavige asielprocedure. Het doel van de asielprocedure is immers internationale bescherming te verkrijgen en dit doel is voor eiser bereikt met de afgifte van de asielvergunning. De registratie “staatloos” levert geen direct uit te oefenen extra rechten op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL 17/2939

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, eiser

(gemachtigde mr. M.F. Wijngaarden),

en

de minister van Veiligheid en Justitie voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. J.A.M. van der Klis).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 17 februari 2017 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Op 9 juni 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2017. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De aanvraag van eiser om een asielvergunning is ingewilligd. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of eiser een procesbelang heeft bij deze beroepszaak. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is de bestuursrechter alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van processueel belang.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zijn nationaliteit onbekend is, in plaats van hem als staatloos aan te merken. Staatlozen kunnen al na drie jaar toelating en hoofdverblijf het Nederlanderschap aanvragen. Eiser heeft gesteld procesbelang te hebben bij een beoordeling van het beroep. Hij heeft hiervoor verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 18 april 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:3083). Hierin is geoordeeld dat “eisers procesbelang hadden, omdat niet in geschil was dat zij in een gunstigere rechtspositie geraken (eerdere naturalisatie) met een vaststelling dat zij ‘staatloos Palestijn’ zijn”. Ter zitting heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:693). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de vreemdeling procesbelang heeft bij een rechterlijke toetsing van de ingangsdatum van een verblijfsvergunning, omdat dit van belang is voor het moment van verlening van het Nederlanderschap. Deze uitspraak dient analoog te worden toegepast.

3. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 21 april 2017 ECLI:NL:RBDHA:2017:4212) en zittingsplaats Haarlem van 25 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9159), op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verwijzing van eiser naar de eerdergenoemde uitspraak van 18 april 2017 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, kan niet slagen, vanwege de summiere motivering over het procesbelang.

4. De rechtbank constateert dat op dit moment in Nederland een procedure tot vaststelling van staatloosheid ontbreekt. Wel heeft de minister van Veiligheid en Justitie op 28 september 2016 een voorstel voor een Rijkswet vaststellingsprocedure staatloosheid gepubliceerd.

5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de vaststelling van zijn staatloosheid in de onderhavige asielprocedure. Het doel van de asielprocedure is immers internationale bescherming te verkrijgen en dit doel is voor eiser bereikt met de afgifte van de asielvergunning. Anders dan bij naturalisatie, ziet de bescherming die wordt beoogd met een asielaanvraag niet op het verkrijgen van het Nederlanderschap. Bovendien levert de registratie “staatloos” geen direct uit te oefenen extra rechten op. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU9167) is een mogelijke toekomstige naturalisatie een onzekere, gestelde aanspraak. Een dergelijke aanspraak is speculatief, omdat het een mogelijke gebeurtenis in de toekomst betreft en thans niet valt te voorzien of eiser daadwerkelijk na drie jaar een naturalisatieverzoek zal indienen. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van18 april 2017, kan hier dan ook niet aan af doen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2014 kan eiser evenmin baten, nu deze ziet op de ingangsdatum van een verblijfsvergunning en niet op de vaststelling van staatloosheid.

6. Bovendien valt niet te voorzien of eiser ten tijde van een eventueel toekomstig naturalisatieverzoek niet inmiddels als staatloos zal zijn aangemerkt. De vaststelling van staatloosheid is geen zelfstandige toets binnen de asielprocedure, maar wordt beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders op grond van het bepaalde in artikel 2.15, 2.16 en 2.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP). De vreemdeling kan niet in een asielprocedure om een mededeling van verweerder als bedoeld in artikel 2.17 Wet BRP over de nationaliteitsgegevens verzoeken. Het college van burgemeester en wethouders kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst om een dergelijke mededeling vragen indien de vreemdeling onvoldoende gedocumenteerd is om de nationaliteit of staatloosheid vast te stellen. Bij twijfel over de vaststelling van de nationaliteit of staatloosheid verstrekt verweerder op verzoek aan het college van burgemeester en wethouders informatie over de aangenomen nationaliteitsgegevens van de vreemdeling in een zogeheten artikel 2.17-mededeling. De vreemdeling heeft ingevolge artikel 2.8 en 2.15 Wet BRP de mogelijkheid om een wijzigingsverzoek van zijn nationaliteitsgegevens in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij staat ingeschreven een rechtsingang bij de voor de uitvoering van de Wet BRP verantwoordelijke instantie. Daargelaten of sprake is van excessieve bureaucratie zoals eiser stelt, ziet de rechtbank in deze werkwijze, waarin de gemeente weer bij verweerder terechtkomt, geen grond om alsnog procesbelang aan te nemen.

7. De rechtbank verklaart het beroep, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet‑ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.