Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16123

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
C/09/540336 / FA RK 17-7433
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:296
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek van vader tot teruggeleiding van vier minderjarige kinderen naar Engeland. Ouders hebben gezamenlijk acht kinderen, van wie er twee meerderjarig zijn. De meerderjarige zoon woont in Nederland en de meerderjarige dochter en de twee oudste minderjarige kinderen wonen in Engeland. Met betrekking tot de twee oudste minderjarigen op wie het verzoek tot terugkeer betrekking heeft (zij zijn bijna 13 en 10 jaar oud) concludeert de rechtbank dat sprake is van verzet. Voor de twee jongste minderjarigen (7 en 4 jaar oud) geldt dat niet. Nu echter de twee oudste in Nederland verblijvende kinderen niet worden teruggeleid, zou terugkeer van de twee jongste kinderen (kunnen) leiden tot een scheiding tussen de vier kinderen die in Nederland verblijven. Nu reeds sprake is van een breuk binnen het gezin, nu een deel van de kinderen in Engeland woont en er sprake lijkt te zijn van twee kampen, dienen de kinderen niet nog verder uit elkaar te worden getrokken. Door toewijzing van het verzoek tot terugkeer van de twee jongste kinderen zouden zij door de scheiding van de andere twee kinderen in een ondragelijke toestand als bedoeld in de artikel 13 lid 1 sub b van het Haags Kinderontvoeringsverdrag komen te verkeren.

Verzoek tot terugkeer van de vier kinderen wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-7433

Zaaknummer: C/09/540336

Datum beschikking: 27 december 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 september 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] (Engeland),

advocaat: mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het bericht van 29 september 2017, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    het bericht van 16 oktober 2017, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 23 oktober 2017 van de zijde van de moeder;

  • -

    het bericht van 6 november 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief van 9 november 2017, met bijlagen, van de zijde van het Leger des Heils;

  • -

    de brief van 20 november 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief van 4 december 2017 van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 8 december 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief van 11 december 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 11 december 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator, mr. drs. I. Sandig, van 11 december 2017;

  • -

    de brief van 12 december 2017, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 12 december 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 2 november 2017 is de zaak ter terechtzitting, zijnde een regiezitting, behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van de vader;

  • -

    de moeder, met haar advocaat;

  • -

    mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    mevrouw [naam] en mevrouw [naam] namens het Leger des Heils.

Nadat de behandelend rechter door de moeder is gewraakt is de behandeling ter zitting geschorst. Bij beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag van 13 november 2017 is het verzoek tot wraking afgewezen.

Op 21 november 2017 is de behandeling van de regiezitting voortgezet.

Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van de vader;

  • -

    de moeder, met haar advocaat;

  • -

    mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    de heer [naam] namens het Leger des Heils.

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 november 2017 is mr. drs I. Sandig benoemd tot bijzondere curator over de hierna genoemde vier minderjarige kinderen.

De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geven de kinderen zelf aan over een eventueel verblijf in Engeland en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijken de kinderen zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijken de kinderen de gevolgen van het verblijf in Engeland of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Willen de kinderen met de rechter(s) spreken en zo ja, wensen de kinderen dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?

  5. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 november 2017 is de Stichting Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering te Rotterdam belast met de voorlopige voogdij over de vier minderjarige kinderen en is iedere beslissing ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding en de proceskosten aangehouden.

Mr. J. Visser heeft de minderjarigen [1. minderjarige] , [2. minderjarige] [3. minderjarige] afzonderlijk van elkaar en in aanwezigheid van de bijzondere curator, op 13 december 2017 gesproken.


Op 13 december 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mr. drs. I. Sandig, bijzondere curator;

  • -

    de heer [naam] namens het Leger des Heils;

  • -

    mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Zowel van de zijde van de vader als van de zijde van de moeder is een pleitnota overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – voor zover thans nog aan de orde – :

met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale

kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden kinderen naar [adres] in Engeland te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen

- [1. minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [2. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [3. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [4. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , België;

vóór 1 november 2017 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar (voornoemd adres in) Engeland, dan wel – indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Engeland,

te bepalen dat de moeder veroordeeld wordt in de reële proceskosten opkomende

zijdens de vader, alsmede de kosten verband houdende met het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen door de vader naar Engeland;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

- Uit het huwelijk zijn geboren de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [1. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [1. minderjarige] );

- [2. minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [2. minderjarige] );

- [3. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [3. minderjarige] );

- [4. minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , België ( [4. minderjarige] ).

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.

- De vader, de moeder en de kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

- De ouders hebben tot en met 31 mei 2017 samengewoond in Engeland.

- Op 14 juni 2017 is de moeder met de vier kinderen naar Nederland vertrokken, waar zij sindsdien onafgebroken verblijven.

- De ouders hebben naast voornoemde vier minderjarige kinderen nog vier kinderen, van wie er twee meerderjarig zijn. De meerderjarige zoon, [1. meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] , woont bij zijn tante moederszijde in Nederland. De meerderjarige dochter, [meerderjarige dochter] geboren op [geboortedatum] , woont zelfstandig in Engeland. De twee minderjarige kinderen, [5. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] , en [6. minderjarige] geboren op [geboortedatum] , wonen bij de vader in Engeland.

- Bij beschikking van 27 september 2017 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft de kinderrechter de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Rotterdam met ingang van 27 september 2017 tot en met 27 december 2017.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ontvankelijkheid

De moeder voert ter zitting van de meervoudige kamer aan dat het Verdrag niet van toepassing is, nu de vader niet heeft aangetoond dat hij in Engeland woont. Daarmee is niet voldaan aan een voorwaarde van het Verdrag, aldus de moeder.

De vader stelt in de omgeving van het in het verzoek genoemde adres in Engeland te wonen, maar weigert – naar hij zegt – in overleg met de hulpverleningsinstanties aldaar in verband met de veiligheid van de bij hem verblijvende kinderen zijn precieze adres te geven.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het verzoekschrift en de nadien door de vader overgelegde stukken – bijvoorbeeld de verklaring van de social worker [naam] van 7 december 2017 – blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de vader woonachtig is in Engeland. Dat de vader om hem moverende redenen het adres niet wil noemen maakt dit oordeel niet anders.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gezag

Niet in geschil is dat beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

Gewone verblijfplaats

De moeder betwist dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voor de overbrenging naar Nederland in Engeland was. De moeder voert aan dat de ouders met de kinderen tot 2015 in respectievelijk Nederland, België en Frankrijk hebben gewoond. In mei 2015 hebben de ouders onder druk van de vader Nederland verlaten en heeft de vader het gezin in laten schrijven in Frankrijk. Partijen hebben hier niet gewoond, maar de vader heeft deze inschrijving gerealiseerd om uit het zicht te blijven van de Raad voor de Kinderbescherming en de schuldeisers. Partijen hebben met de kinderen eerst in een stacaravan in Engeland gewoond en nadien op meerdere adressen. De moeder heeft met de kinderen in Engeland zeer geïsoleerd gewoond. Primair stelt de moeder dat de kinderen vanaf 2015 hun sociale en familiale leven feitelijk niet in Engeland hebben gehad en dat in het licht van vaste jurisprudentie daarom niet kan en mag worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen Engeland is geworden. Subsidiair meent de moeder dat de kinderen hun gewone verblijf tot de datum van vertrek naar Nederland in zowel Engeland als in Nederland hebben gehad, op grond waarvan het verzoek van de vader dient te worden afgewezen.

De vader stelt zich op het standpunt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Engeland was. De ouders hebben een bewuste keuze gemaakt om na jaren van kinderbeschermingsmaatregelen Nederland te verlaten en naar Engeland te gaan. De ouders hebben samen een keuze gemaakt om in Engeland te wonen, te werken en de kinderen naar school te laten gaan. Het sociale en familiale leven van de kinderen is door de emigratie van het gezin sinds 2015 Engeland geworden.

De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats van het kind’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van het Verdrag een feitelijk begrip is waar inhoud aan wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast fysieke aanwezigheid van het kind in een staat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op een grondgebied van die staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is (of zijn) de persoon (of personen) bij wie het kind woont en die daadwerkelijk het gezag uitoefenen en voor het kind zorgen, bepalend.

De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de vier minderjarige kinderen vóór de overbrenging naar Nederland in Engeland was. De ouders zijn in 2015 – al dan niet op grond van een gezamenlijk besluit – met het voltallige gezin met acht kinderen naar Engeland vertrokken. Zij hebben tot juni 2017, weliswaar op verschillende adressen, onafgebroken in Engeland gewoond. De kinderen gingen in Engeland naar school en de vader werkte in Engeland. Voor de vier kinderen geldt dat hun sociale en familiale omgeving in de periode van 2015 tot juni 2017 in Engeland was. Aan de subsidiaire stelling van de moeder dat de kinderen in deze periode zowel in Nederland als in Engeland hun gewone verblijfplaats hebben gehad gaat de rechtbank, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, voorbij.

Nu de kinderen voorafgaand aan hun vertrek hun gewone verblijfplaats in Engeland hadden en niet in geschil is dat de vader geen toestemming voor de overbrenging naar Nederland heeft gegeven en evenmin heeft berust in de overbrenging, dient de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland te worden aangemerkt als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarigen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden

De moeder betoogt dat sprake is van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Verzet

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening

wordt gehouden.

De moeder stelt dat de vier kinderen aan de moeder, aan de hulpverlening en aan de familie van de moeder hebben laten weten zich te verzetten tegen terugkeer naar Engeland. De moeder voert aan dat ook uit het verslag van de bijzondere curator blijkt dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] zich verzetten tegen terugkeer en dat hun uitspraken zodanig zijn dat deze rechtvaardigen dat met hun mening rekening wordt gehouden. Volgens de bijzondere curator kunnen [1. minderjarige] en [2. minderjarige] de gevolgen van hun verblijf in Nederland en Engeland goed overzien en dit maakt dat zij de rijpheid hebben dat met hun mening rekening dient te worden gehouden, aldus de moeder. Ten aanzien van [3. minderjarige] zijn er nog meer zorgen, hetgeen ook door de bijzondere curator wordt weergegeven.

Volgens de vader is niet nader onderbouwd dat er sprake is van verzet. Het verslag van de bijzondere curator geeft hem daartoe ook geen aanleiding. De gesprekken van de bijzondere curator met de kinderen hebben in een a-typische en ongelukkige setting, namelijk in het ziekenhuis, plaatsgevonden. De vader bestrijdt dat de kinderen openlijk en vrijelijk hun mening kenbaar hebben kunnen maken.

De verklaringen van de kinderen zijn volgens de vader niet authentiek. [2. minderjarige] zou bijvoorbeeld vertellen over situaties die zouden hebben plaatsgevonden toen hij nog maar drie jaar oud was.

[2. minderjarige] en [3. minderjarige] hebben volgens de vader niet een leeftijd en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Van ernstige bezwaren om terug te keren naar Engeland is niet gebleken. Ook bij [1. minderjarige] is niet gebleken dat er sprake is van ernstige bezwaren.

De rechtbank heeft op 13 december 2017 in het bijzijn van de bijzondere curator afzonderlijk met [1. minderjarige] , [2. minderjarige] en [3. minderjarige] gesproken. Zij hebben daarbij – kort weergegeven – het volgende aan de rechtbank verteld.

[1. minderjarige] heeft in Engeland een teruggetrokken leven geleid. Zij verbleef vrijwel volledig op haar kamer en nam niet deel aan het gezinsleven. Zelfs eten deed zij op haar kamer, die zij deelde met [3. minderjarige] . [1. minderjarige] vond het leven in Engeland niet prettig. Het was zeer onrustig door de vele verhuizingen en de situatie in huis, waarbij sprake was van geschreeuw tussen de ouders. [1. minderjarige] wil in Nederland blijven, waar het rustiger is, het beter gaat op school en zij geen moeite heeft met de taal. Zij wil niet terug naar Engeland.

[2. minderjarige] vond het niet prettig in Engeland. Het ging niet goed op school, hij had weinig vrienden en hij was het slachtoffer van pestgedrag van andere kinderen. [2. minderjarige] heeft op vier verschillende scholen gezeten en het pesten gebeurde op iedere school. [2. minderjarige] maakt zich zorgen dat hij terug moet naar Engeland. [2. minderjarige] geeft aan dat hij bang is voor de vader.

[3. minderjarige] geeft aan dat ze het niet fijn vond in Engeland. Zo vond zij het naar school gaan in Engeland lastig. [3. minderjarige] is doodsbenauwd dat zij terug moet naar Engeland en naar haar vader. Zij is bang voor de vader, voor de dingen die hij met haar doet en voor zijn boze reacties.

Bij de bijzondere curator hebben [1. minderjarige] , [2. minderjarige] en [3. minderjarige] ongeveer hetzelfde verklaard. De bijzondere curator merkt op dat uit de verklaringen van de kinderen kan worden opgemaakt dat zij in Engeland een geïsoleerd leven hebben geleid, waarbij zij weinig aansluiting op school en met hun omgeving hadden. Zij misten het contact met familie. De kinderen geven duidelijk aan in Nederland te willen blijven en te hopen op een hereniging met broers, zussen en huisdieren die nog in Engeland zijn.

De bijzondere curator heeft de indruk dat de kinderen open vertellen over hun leven in Engeland en in Nederland. [1. minderjarige] en [2. minderjarige] lijken de gevolgen van een verblijf in Nederland of in Engeland te overzien. Dit geldt minder voor [3. minderjarige] . Zij heeft voornamelijk zorgen over hoe de vader met haar omgaat.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de moeder gestelde verzet van de kinderen als volgt.

Uit de gesprekken met de rechtbank en bij de bijzondere curator blijkt dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] duidelijk en consistent zijn in hun verklaringen. Zij hebben een duidelijke voorkeur voor verblijf in Nederland en willen niet terug naar Engeland. Uit de verklaringen van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] kan worden geconcludeerd dat zij zich op basis van een combinatie van factoren verzetten tegen terugkeer naar Engeland. Deze factoren hebben te maken met de situatie op school, de afgelegen omgeving waarin het gezin leefde en het niet geïntegreerd zijn. Er was, zoals de bijzondere curator het ter zitting omschreef, sprake van ontheemdheid bij de kinderen. De rechtbank volgt de bijzondere curator in haar mening dat de verklaringen van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] authentiek zijn en dat niet aannemelijk is dat de verklaringen zijn ingegeven door de moeder.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat bij [1. minderjarige] en [2. minderjarige] sprake is van verzet tegen terugkeer naar Engeland. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] een leeftijd hebben – zij zijn bijna 13 respectievelijk 10 jaar – en een mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden.

[3. minderjarige] heeft eveneens te kennen gegeven niet naar Engeland te willen terugkeren. Zij heeft een enorme angst voor de vader. De verklaring van [3. minderjarige] komt weliswaar oprecht over, maar de rechtbank is van oordeel dat [3. minderjarige] nog niet de leeftijd – zij is 7 jaar – en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden in de zin van verzet.

Door de omstandigheid dat [4. minderjarige] was opgenomen in het ziekenhuis heeft de bijzondere curator niet met haar kunnen spreken. Ook de rechtbank heeft niet met [4. minderjarige] gesproken.

Gelet hierop alsmede op haar jonge leeftijd (4 jaar) geldt voor haar dat van de weigeringsgrond ‘verzet’ geen sprake kan zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] op grond van hun verzet zal afwijzen.

Voor [3. minderjarige] en [4. minderjarige] is er geen sprake van verzet in de zin van het Verdrag. Echter, de rechtbank zal op grond van de navolgende overwegingen ten aanzien van deze twee kinderen ook het verzoek tot teruggeleiding afwijzen.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van het kind is en dat terugkeer alleen bij bijzondere omstandigheden wordt geweigerd. In het onderhavige geval is er ten aanzien van [3. minderjarige] en [4. minderjarige] naar het oordeel van de rechtbank sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Immers, nu [1. minderjarige] en [2. minderjarige] niet zullen worden teruggeleid zou dit (kunnen) leiden tot een scheiding tussen de vier minderjarige kinderen die thans in Nederland verblijven. Gelet op de situatie dat reeds sprake is van een breuk in het gezin, nu een deel van de kinderen in Engeland woont en er sprake lijkt te zijn van twee kampen, is de rechtbank van oordeel dat de kinderen niet nog verder uit elkaar getrokken dienen te worden. Indien het verzoek tot terugkeer van [3. minderjarige] en [4. minderjarige] zou worden toegewezen, zouden zij door de scheiding van de andere twee kinderen naar het oordeel van de rechtbank in een ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag komen te verkeren.

Ingevolge artikel 11 lid 4 Brussel IIbis kan de rechtbank een terugkeer op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag niet weigeren wanneer vast staat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na terugkeer te verzekeren.

In de onderhavige situatie is het echter niet mogelijk dergelijke adequate voorzieningen te treffen. De ondragelijke toestand voor [3. minderjarige] en [4. minderjarige] zou een gevolg zijn van het uit elkaar halen van het gezin, nu, gelet op het door de rechtbank aanwezig geachte verzet, de terugkeer van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] wordt geweigerd en zij niet zullen terugkeren naar Engeland. Deze situatie is niet te voorkomen door een voorziening te treffen in Engeland.

De rechtbank zal dan ook het verzoek tot terugkeer van [3. minderjarige] en [4. minderjarige] op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag afwijzen.

Overige verweren

Nu het verzoek van de vader tot terugkeer wordt afgewezen, behoeven de overige verweren van de moeder geen bespreking meer.

Kosten

De vader verzoekt de moeder te veroordelen tot betaling van de reële proceskosten opkomende zijdens de vader alsmede de kosten verband houdende met het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen door de vader naar Engeland. Nu het verzoek tot teruggeleiding van de vier kinderen wordt afgewezen zal ook de door de vader verzochte kostenveroordeling worden afgewezen.

De bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en de eventuele uitspraak van het Gerechtshof bij een hoger beroep) met hen bespreekt. De rechtbank merkt op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appèlprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan wordt de bijzondere curator één maand na datum van deze beschikking ontslagen van haar taak.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:

- [1. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [2. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [3. minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [4. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , België.

naar Engeland;

wijst af het meer of anders verzochte;

ontslaat – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de bijzondere curator mr. drs. I. Sandig met ingang van 1 februari 2018 van haar taak.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Visser, M.P. Verloop en H. Dragtsma, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.