Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16063

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
C/09/523808 / FA RK 16-9617
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-9617

Zaaknummer: C/09/523808

Datum beschikking: 18 oktober 2017

Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Beschikking op het op 16 december 2016 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.M. Zeeuw van der Laan te Hilversum.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 18 april 2017, die strekt tot inwilliging van het verzochte;

  • -

    het bericht met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 19 mei 2017, van de politie Midden-Nederland;

  • -

    het bericht van 22 juni 2017 van de zijde van verzoekster.

Op 25 augustus 2017 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij is de advocaat van verzoekster verschenen.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe:

  • -

    dat de rechtbank zal gelasten [naam vermiste] (hierna te noemen: de vermiste) op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken en, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat;

  • -

    te bepalen dat de kosten van verzoekster verband houdende met deze procedure ten laste van het vermogen van de vermiste mogen worden gebracht;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe.

Inhoudelijke beoordeling

Artikel 1:413, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat, indien het bestaan van een persoon onzeker is en de in het tweede lid aangegeven tijdruimte is verlopen, belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken dat zij hun zal gelasten de vermiste op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat zij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

Artikel 1:413, tweede lid, sub a, BW bepaalt dat de in het eerste lid genoemde tijdruimte, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven, vijf jaren beloopt. Sub b van voormeld artikel bepaalt dat de termijn wordt verkort tot een jaar indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

Verzoekster stelt dat zij de vermiste in maart 2009 voor het laatst heeft gesproken aan de telefoon. Nu de tijdruimte van vijf jaren inmiddels is verstreken dient te worden beoordeeld of verzoekster in voldoende mate heeft aangetoond dat het bestaan van de vermiste onzeker is in de zin van voormeld artikel.

Verzoekster heeft het volgende gesteld. De vermiste, haar zoon, is in januari 2005 naar Peru vertrokken, waar hij is aangehouden en veroordeeld voor het smokkelen van vijf kilo cocaïne. Na zijn vervroegde vrijlating is hij bij een Nederlandse ex-gedetineerde in Peru ingetrokken en na een paar maanden verhuisd naar een pension. De vermiste had in Peru geen werk en geen inkomen. Verzoekster stuurde de vermiste regelmatig geld, dat hij bij de Nederlandse ambassade kon ophalen. In het najaar van 2008 en het begin van 2009 heeft de vermiste getracht naar Nederland te komen. Na het laatste telefonische contact tussen verzoekster en de vermiste in maart 2009 werd het geld niet meer opgehaald, was er geen telefonisch contact meer te krijgen en verscheen de vermiste niet meer op MSN. Volgens het pension waar de vermiste verbleef, is hij plotseling verdwenen onder achterlating van zijn paspoort. Sinds 5 september 2014 is de vermiste uitgeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen met bestemming onbekend.

Blijkens de stukken van de politie Midden-Nederland heeft verzoekster op 4 september 2014 aangifte gedaan van de vermissing van haar zoon. Met verzoekster zijn afspraken gemaakt om de aangifte van de vermissing op te nemen, maar verzoekster is deze afspraken niet nagekomen. Volgens verzoekster waren er twee broers die jongeren gebruikte voor het vervoeren van drugs naar het buitenland, waaronder Peru. Verzoekster is bang dat er sprake is van een misdrijf en zij is bang dat de vermiste niet meer leeft. De vermiste diende zich maandelijks te melden bij de Ambassade in Lima totdat hij terug kon keren naar Nederland. Sinds april 2009 heeft de vermiste zich niet meer bij de Ambassade in Lima gemeld,

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van de vermiste onzeker is. Ter zitting is met de advocaat van verzoekster besproken dat de rechtbank gelet op het bepaalde in wetsartikel 1:414 lid 3 BW meer concrete informatie nodig heeft. De rechtbank wenst daarom nadere concrete informatie te ontvangen over het volgende:

  • -

    wat heeft verzoekster wanneer concreet ondernomen om de vermiste te achterhalen?

  • -

    wat is er concreet bekend over de vermiste bij de Nederlandse Ambassade in Peru?

  • -

    op welke concrete dag is het laatste telefoongesprek geweest tussen verzoekster en vermiste?

  • -

    ten aanzien van het pension: hoe heet het pension, waar is het pension, op welke concrete dag is het laatste contact geweest tussen vermiste en medewerkers van het pension en op welke concrete dag is vermiste daar vertrokken?

  • -

    heeft de internationale signalering van het Cold Case team nog informatie opgeleverd?

Nu het laatste levensteken van de vermiste uit Peru is gekomen, zal de rechtbank bepalen dat verzoekster de vermiste ook bij advertentie in een landelijk verschijnend dagblad in Peru dient op te roepen.

Beslissing

De rechtbank:

beveelt (de advocaat van) verzoekster de vermiste bij advertentie op te roepen met inachtneming van een termijn van een maand om te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank van vrijdag 15 december 2017 om 11.05 uur teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken;

bepaalt dat de advertenties volgens het aangehechte model tijdig zullen moeten worden geplaatst in:

  • -

    een landelijk verschijnend dagblad in Peru;

  • -

    de Nederlandse Staatscourant;

bepaalt dat (de advocaat van) verzoekster tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting tot bewijs van juiste en tijdige oproeping over zal moeten leggen:

  • -

    een exemplaar van de Nederlandse Staatscourant waarin de vermiste is opgeroepen;

  • -

    een exemplaar van een landelijk verschijnend dagblad in Peru waarin de vermiste is opgeroepen;

bepaalt dat (de advocaat van) verzoekster uiterlijk op 5 december 2017 aan de rechtbank schriftelijk de nadere concrete informatie over moet hebben gelegd zoals de rechtbank hiervoor nader heeft overwogen en bepaald;

bepaalt dat deze beschikking heeft te gelden als oproeping van verzoekster en haar advocaat voor de zitting van vrijdag 15 december 2017 om 11.05 uur;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Wien, rechter, bijgestaan door mr. M. Corver als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2017.