Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16048

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
5480306 RP VERZ 16-50746 en 5602231 RP VERZ 16-50850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding van werknemer, waarvan ter discussie staat of hij al dan niet statutair bestuurder van de betreffende vennootschap is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/486
AR-Updates.nl 2018-0145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Zaaknrs.: 5480306 RP VERZ 16-50746 en 5602231 RP VERZ 16-50850

Uitspraakdatum: 6 januari 2017

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

verder te noemen: werknemer,

gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg (Delissen Martens),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid InvestInFuture Holding B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

verwerende partij,

verder te noemen: werkgever,

gemachtigde: mr. J.H. Vegter (Bosselaar Strengers Advocaten).

1 Het procesverloop

1.1.

Werknemer heeft de kantonrechter bij verzoekschrift (met 13 producties), bij de griffie ingekomen op 25 oktober 2016, verzocht (primair) het door werkgever aan werknemer gegeven ontslag te vernietigen, (subsidiair) voor recht te verklaren dat het ontslag niet rechtmatig, althans onregelmatig is en een billijke vergoeding toe te kennen, met een voorlopige voorziening om te bepalen dat werknemer zijn werkzaamheden kan hervatten. Werkgever heeft een verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, (met 14 producties) d.d. 13 december 2016 ingediend.

1.2.

Op 19 december 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek van werknemer plaatsgevonden. Verschenen zijn werknemer in persoon, samen met zijn gemachtigde, en namens werkgever is verschenen de heer [E] , bijgestaan door de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.3.

De behandeling van het voorwaardelijk tegenverzoek heeft nog niet plaatsgevonden, in verband met de late indiening van het verweerschrift, waarin tevens het tegenverzoek is vervat. Teneinde werknemer en zijn gemachtigde de gelegenheid te geven zich beter op het verweer voor te bereiden is behandeling van het voorwaardelijk tegenverzoek voorlopig bepaald op 11 januari 2017.

1.4.

Uitspraak op het inleidende verzoek is aanvankelijk bepaald op 9 januari 2017, thans op 6 januari 2017.

2 De feiten

2.1.

Werknemer is geboren op [1975] en hij is op [2010] in dienst getreden bij werkgever in de (titulaire) functie van [functie] . Vanaf [2012] is hij voor onbepaalde tijd in dienst. Zijn laatstgenoten bruto maandsalaris bedraagt
€ [xx] exclusief 8% vakantiegeld, 13e maand, pensioen en winstdeling, en zijn laatste arbeidsomvang was 40 uur per week.

2.2.

Op 22 september 2016 is werknemer in een algemene vergadering van aandeelhouders van werkgever ontslag aangezegd. Dat ontslag is later die dag per email bevestigd (Productie 4 bij verzoekschrift).

3 Het verzoek

3.1.

Werknemer verzoekt primair (i) het gegeven ontslag te vernietigen wegens het ontbreken van enige wettelijke grondslag en de arbeidsovereenkomst te herstellen; (ii) werkgever te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van deze beschikking werknemer in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- per dag, een gedeelte daarvan inbegrepen, zulks tot een maximum van € 100.000,-; (iii) werkgever te veroordelen aan werknemer op de gebruikelijke tijdstippen het overeengekomen loon te betalen sinds 22 september 2016 tot aan de datum waarop op rechtsgeldige wijze een einde zal komen aan het dienstverband; (iv.) werkgever te veroordelen aan werknemer te voldoen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, deze te stellen op 50% van het uiteindelijk [onder] sub iii vast te stellen bedrag; (v.) werkgever te veroordelen aan werknemer te voldoen de wettelijke rente over de bedragen genoemd [in] sub iii een iv vanaf de dag der verval tot de dag der algehele voldoening, (vi.) werkgever te veroordelen in de kosten van de procedure, alsmede de kosten van de gemachtigde van werknemer, subsidiair (i.) een verklaring voor recht te geven dat het gegeven ontslag niet rechtmatig, althans onregelmatig is; (ii.) werkgever te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan werknemer te voldoen een billijke vergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ex artikel 7:681 BW; (iii.) werkgever te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan werknemer te voldoen de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW; (iv.) werkgever te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan werknemer te voldoen de vergoeding wegens het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn als (hoofdzakelijk) verankerd in artikel 7:672 lid 9 BW; (v.) werkgever te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van deze beschikking aan werkgever te voldoen de openstaande maar niet genoten vakantiedagen; (vi.) werkgever te veroordelen aan werknemer te voldoen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over voormelde bedragen onder (iii-v), deze te stellen op 50% van het uiteindelijk vast te stellen bedrag; (vii.) werkgever te veroordelen aan werknemer te voldoen de wettelijke rente over de bedragen genoemd [in] sub (iii) tot en met (vi) vanaf de dag der verval tot de dag der algehele voldoening; (viii.) werkgever te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de kosten voor de gemachtigde van werknemer, zowel primair als (meer) subsidiair (i.) een verklaring voor recht te geven dat werkgever schadeplichtig is versus werknemer op grond van 7:611 BW omdat werkgever werknemer heeft doen uitschrijven uit het handelsregister terzake van andere vennootschappen van de groep en/of heeft gecommuniceerd over het ontslag met derden; (ii.) werkgever te veroordelen tot vergoeding van de schade van werknemer als gevolg van hetgeen is gevorderd onder (i.), nader op te maken bij staat; (iii.) werkgever te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de kosten voor de gemachtigde van werknemer.

3.2.

In het geval dat werknemer als statutair bestuurder moet worden aangemerkt en het ontslag van 22 september 2016 stand houdt, verzoekt werknemer primair (I.) werkgever te veroordelen [aan] werknemer te betalen het salaris gedurende de in acht te nemen (wettelijke) opzegtermijn, vermeerderd met de verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente; (ii.) werkgever te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan werknemer te voldoen de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 BW; (iii.) werkgever te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan werknemer te voldoen een billijke vergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ex artikel 7:681 BW; (iv.) werkgever te veroordelen in de kosten van de procedure, alsmede de kosten voor de gemachtigde van verzoeker.

3.3.

Alle verzoeken onder 3.1. en 3.2 worden verzocht onder het verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4.

Bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt werknemer (i.) werkgever, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van deze beschikking werkgever in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, alsmede toegang te geven tot het bedrijfspand aan de Stationsweg 147 te Den Haag, dit op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- per dag, een gedeelte van een dag inbegrepen, zulks tot een maximum van € 100.000,-; (ii.) werkgever te veroordelen aan verzoeker op de gebruikelijke tijdstippen te betalen het overeengekomen loon vanaf 22 september 2016 tot aan de datum waarop op rechtsgeldige wijze een einde zal komen aan het dienstverband; (iii.) althans een in goede justitie te vermenen voorziening te treffen; (iv.) werkgever te veroordelen in de kosten van de procedure, alsmede de kosten voor de gemachtigde van werknemer.

3.5.

Aan dit verzoek legt werknemer - kort gezegd - het volgende ten grondslag. Werknemer is op [2010] in dienst getreden bij werkgever als [functie] en dat hij per 2012 tot [functie] is benoemd. Dat is een titulaire functie en hij is daardoor geen statutair bestuurder. Hij is ook nooit door de algemene vergadering van aandeelhouders als statutair bestuurder benoemd. Het door of namens de algemene vergadering van aandeelhouders aangezegde ontslag mist wettelijke grondslag, omdat een geldige ontslaggrond ontbreekt.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

Werkgever verweert zich tegen het verzoek en stelt in grote lijnen dat werknemer bij werkgever de positie bekleedde van statutair bestuurder, dat hij uit die functie door de algemene vergadering van aandeelhouders is ontslagen, en dat derhalve de bepalingen omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet op hem van toepassing zijn. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de situatie dat werknemer wel als statutair bestuurder wordt aangemerkt stelt werkgever dat zij reeds aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. De verzoeken van werknemer dienen daarom te worden afgewezen.

4.2.

Voor zover relevant zal het verweer van werkgever hierna besproken worden.

4.3.

Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, voor zover zou komen vast te staan dat werknemer niet als statutair bestuurder kan worden aangemerkt, verzoekt werkgever de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden ex artikel 7:671b lid 1 sub a jo. [7:]669 lid 1 en primair lid 3 sub e, subsidiair lid 3 sub g, meer subsidiair lid 3 sub h BW.

4.4.

Aan het voorwaardelijk tegenverzoek legt werkgever ten grondslag -kort samengevat- werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door op een onjuiste wijze de investeringen van werkgever te beleggen, waardoor onvoldoende rendement wordt gegenereerd, dat de arbeidsverhouding is verstoord onder meer doordat het pand waarin werkgever is gevestigd (mede-)eigendom blijkt te zijn van werknemer en deze zonder een op juiste wijze genomen besluit daartoe de huur heeft verhoogd, en dat uit alle gedragingen en handelingen van werknemer voortvloeit dat de arbeidsovereenkomst niet meer in stand kan blijven.

5 De beoordeling

5.1.

De kardinale vraag in dit geschil is of werknemer al dan niet statutair bestuurder van werknemer is (geweest). Werknemer stelt dat hij alleen titulair directeur van werknemer is, terwijl werkgever heeft betoogd dat werknemer (tevens) is benoemd tot statutair bestuurder van werkgever. De kantonrechter zal eerst op deze vraag ingaan.

5.2.

Volgens artikel 9 lid 4 van de statuten van werkgever (Productie 6 bij verzoekschrift) worden bestuurders benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Cruciaal is derhalve of de algemene vergadering van aan aandeelhouders van werkgever op enig moment werknemer tot bestuurder heeft benoemd.

5.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van werkgever verklaard dat geen schriftelijk aandeelhoudersbesluit van de benoeming van werknemer tot statutair bestuurder voorhanden is. Werkgever heeft echter betoogd dat een schriftelijk aandeelhoudersbesluit geen vereiste is. De kantonrechter volgt werkgever in deze.

5.4.

Derhalve dient beoordeeld te worden of uit (andere) feiten en omstandigheden valt af te leiden dat de algemene vergadering van aandeelhouders van werkgever werknemer tot statutair bestuurder heeft benoemd. Het is aan werkgever om dit in voldoende mate duidelijk te maken en desnoods te bewijzen.

5.5.

Ter ondersteuning van haar stelling dat werknemer tot statutair bestuurder is benoemd brengt werkgever naar voren dat werknemer als statutair bestuurder staat/stond geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en dat voor de inschrijving gebruik is gemaakt van een formulier waarop werknemer zelf heeft getekend voor zijn benoeming tot statutair bestuurder (Productie 3 bij verweerschrift). Daarmee heeft werknemer in ieder geval zijn benoeming tot statutair bestuurder aanvaard. Daarnaast heeft werknemer ook uit gedragingen laten blijken dat hij als zodanig is benoemd, omdat hij zich naar derden toe als de statutair bestuurder manifesteerde.

5.6.

Werknemer stelt daar tegenover dat alleen de Stichting InvestInFuture (hierna: ´de Stichting´) statutair bestuurder van werkgever kan zijn, omdat deze in de oprichtingsakte van werkgever tot bestuurder is benoemd en hem geen latere benoemingsbesluiten bekend zijn. Daarnaast was hij ten tijde van de (vermeende) benoeming enkel nog voor bepaalde tijd en voor slechts 16 uur per week bij werkgever in dienst en het is onaannemelijk dat iemand in die positie tot statutair bestuurder zou worden benoemd.

5.7.

Ten aanzien van de stellingen van werknemer dat hij niet tot statutair bestuurder is benoemd oordeelt de kantonrechter dat deze onvoldoende de argumenten van werkgever, die hierna aan de orde zullen komen, kunnen ontkrachten. Het feit dat werkgever naast de Stichting geen andere statutair bestuurders bekend zijn kan niet wegnemen dat niettemin de algemene vergadering van aandeelhouders anderen, zij het andere rechtspersonen zij het andere natuurlijke personen, waaronder werknemer, tot bestuurder kan hebben benoemd. Een aandeelhoudersbesluit met die strekking is vormvrij en behoeft bovendien niet schriftelijk genomen of vastgelegd te zijn. Ook het feit dat werknemer slechts een tijdelijk dienstverband voor slechts 16 uur per week had, is niet bepalend. Immers, er is geen directe band tussen de aard en omvang van de arbeidsverhouding van de (statutair) bestuurder en de benoeming tot bestuurder. Het eerste vloeit voort uit de (arbeids)overeenkomst die werkgever en werknemer met elkaar gesloten hebben, terwijl de benoeming tot bestuurder een eenzijdige rechtshandeling is van de algemene vergadering van aandeelhouders van een rechtspersoon. Zelfs kan een natuurlijk persoon bestuurder van een rechtspersoon zijn zonder dat (tevens) een arbeidsovereenkomst tussen partijen is gesloten. Een tijdelijk dienstverband voor 16 uur per week maakt dan ook niet, naar het oordeel van de kantonrechter, dat een statutaire benoeming onaannemelijk is.

5.8.

Wat betreft de onderbouwing van de werknemer dat werkgever tot statutair bestuurder is benoemd, overweegt de kantonrechter als volgt. Het feit dat werknemer in het handelsregister als statutair bestuurder staat ingeschreven is een sterke aanwijzing dat hij in die functie door de algemene vergadering van aandeelhouders is benoemd en bovendien dat hij die functie heeft aanvaard. Het betreffende formulier van inschrijving is namelijk ondertekend door de heer A. van Dijk, destijds bestuurslid van de Stichting, enig aandeelhouder van werkgever. Uit het feit dat werknemer zijn handtekening op hetzelfde formulier bij de opgave van de functionaris heeft geplaatst is blijkt dat hij die functie ook heeft aanvaard. Op het formulier staat in vraag 4.1 duidelijk aangegeven dat werknemer de functie heeft van ‘bestuurder’ en daarmee kan alleen statutair bestuurder zijn bedoeld. Uit de verwijzing onderaan vraag 4.1 blijkt in het geval een functionaris maar een functie heeft, vraag 4.3 niet beantwoord hoefde te worden. Dat op het formulier vraag 4.3 (Heeft de functionaris een statutaire titel?) als antwoord `Nee´ is aangekruist, is niet, zoals werknemer betoogt, een aanwijzing van het feit dat hij niet als statutair directeur is benoemd.

5.9.

Dat hij vervolgens zich ten opzichte van derden als statutair directeur heeft gedragen, zoals hij onder andere heeft gedaan ten opzichte van ABN-AMRO Bank in Productie 4 bij verweerschrift, is een volgende aanwijzing dat hij statutair bestuurder van werkgever was en die benoeming heeft aanvaard. Werknemer heeft die betreffende overeenkomst getekend als ´statutair vertegenwoordiger´. Volgens artikel 10 van de statuten van werkgever kan alleen het bestuur als geheel (lid 1) of iedere bestuurder afzonderlijk (lid 2) werkgever vertegenwoordigen.

5.10.

Alles bijeen genomen komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat werknemer als statutair bestuurder van werkgever dient te worden beschouwd.

5.11.

Dit oordeel leidt ertoe dat alle verzoeken van werknemer, zowel primair, subsidiair en meer subsidiair, nu die alle gebaseerd zijn op de stelling dat werknemer geen statutair directeur is, dienen te worden afgewezen. Wat betreft het inleidende verzoek rest nog slechts de beoordeling van het (eveneens primaire) verzoek van werkgever voor zover dat is gebaseerd op de stelling dat hij wel als statutair bestuurder dient te worden aangemerkt, alsmede de beoordeling van de voorlopige voorziening, die ook op die situatie betrekking kan hebben.

5.12.

Het oordeel dat werknemer als statutair bestuurder dient te worden aangemerkt leidt vervolgens tot de situatie dat de beoordeling van het geschil niet langer tot de competentie van de kantonrechter behoort, nu op grond van artikel 2:241 BW de rechtbank en niet de kantonrechter kennis neemt van rechtsvorderingen tussen een vennootschap en een bestuurder. De kantonrechter is derhalve voornemens dit geschil op grond van artikel 71 lid 1 Rv ambtshalve voor nadere behandeling te verwijzen naar een kamer voor de behandeling van civiele geschillen. Partijen zullen echter in de gelegenheid worden gesteld zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten.

5.13.

Nu reeds is voorzien in een datum voor de behandeling van het voorwaardelijk tegenverzoek (11 januari 2017, 10.00 uur), bepaalt de kantonrechter dat op genoemde datum partijen zich mondeling kunnen uitlaten over de wijze waarop in dit geschil verder zal worden geprocedeerd.

5.14.

Ten aanzien van het voorwaardelijk tegenverzoek overweegt de kantonrechter als volgt. Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de omstandigheden waaronder nog een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst behandeld kan worden (ECLI:NL:HR:2016:2998). Omdat het tegenverzoek van werkgever een voorwaardelijk verzoek is en uit het verzoek gelet op de formulering niet onmiddellijk duidelijk blijkt waarop de voorwaardelijkheid betrekking heeft zal, omdat het uitspraak van de Hoge Raad is gedaan na de indiening van het (tegen)verzoek, werkgever ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 11 januari 2017 in de gelegenheid worden gesteld zijn verzoek op dit punt nader toe te lichten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in de gelegenheid zich op 11 januari 2017 uit te laten over de voorgenomen verwijzing van de zaak naar een andere kamer van deze rechtbank;

- stelt werkgever in de gelegenheid zich op 11 januari 2017 nader uit te laten over de voorwaarden waaronder het zelfstandig tegenverzoek dient te worden behandeld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en op 6 januari 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.