Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/8783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Eritrea en heeft een mvv voor ‘nareis asiel’ aangevraagd om bij zijn echtgenote, die in Nederland een asielstatus heeft, te kunnen verblijven.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en gezinsband met referente aan te tonen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte beoordeeld heeft of het ontbreken van een Eritrese identiteitskaart toerekenbaar is, aangezien in verweerders beleid staat dat er moet worden beoordeeld of het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding (een paspoort dus) toerekenbaar is. Als het ontbreken van een paspoort niet toerekenbaar is, moet verweerder bewijsnood aannemen en eiser de gelegenheid geven om op een andere manier zijn identiteit aannemelijk te maken. Uit het beleid blijkt niet dat dit enkel met een identiteitskaart zou kunnen.

Daarnaast volgt de rechtbank verweerder niet in het standpunt dat het ontbreken van een identiteitskaart toerekenbaar kan zijn in het geval de vreemdeling nooit een identiteitskaart heeft gehad en niet meer van hem gevergd kan worden om alsnog een identiteitskaart aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8783

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 september 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1987, van Eritrese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Izaks).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 januari 2016 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis asiel’ afgewezen. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.

Op 21 april 2017 heeft de rechtbank een beroepschrift van eiser ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Bij besluit van 3 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig [de vrouw] (referente). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Aangezien verweerder in het bestreden besluit eisers bezwaar ongegrond heeft verklaard, is het onderhavige beroep mede gericht tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is in 2009 in Eritrea getrouwd met referente, die net als eiser de Eritrese nationaliteit heeft. Eiser en referente hebben nadien allebei Eritrea verlaten. Referente is naar Nederland gekomen en heeft sinds 9 november 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser verblijft op dit moment in Israël. Referente heeft tijdig, namelijk binnen drie maanden nadat aan haar de verblijfsvergunning asiel is verleend, namens eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Het is de bedoeling van deze aanvraag dat eiser naar Nederland kan komen om bij referente te wonen.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag zijn kerkelijke huwelijksakte overgelegd, waaruit blijkt dat hij met referente is getrouwd. Daarnaast heeft eiser een conditional release document overgelegd, dat door de Israëlische autoriteiten aan eiser is afgegeven om zijn voorlopige verblijfsrecht als asielzoeker in Israël aan te kunnen tonen.

4. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd. Eiser heeft enkel een kerkelijke huwelijksakte overgelegd. Eiser had volgens verweerder de volgende documenten over moeten leggen:

- officiële stukken waaruit het huwelijk met referente blijkt;

- bewijsmiddelen waaruit samenwoning in Eritrea blijkt; en

- een kopie van een identiteitskaart of paspoort van eiser.

Verweerder heeft geen bewijsnood aangenomen, omdat niet is gebleken dat eiser en referente er alles aan hebben gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten en niet is gebleken dat het voor hen onmogelijk is om deze documenten te verkrijgen.

5. Eiser stelt zich in bezwaar op het standpunt dat er sprake is van bewijsnood. Hij en referente zijn beiden naar het buitenland gevlucht en daarom is het niet mogelijk voor hen om aan officiële documenten uit Eritrea te komen. Eiser heeft nooit een identiteitskaart gehad. Hij kon die niet krijgen omdat hij in militaire dienst hoorde te gaan, wat hij niet deed. De kerkelijke huwelijksakte is voldoende bewijs voor het bestaan van een huwelijk tussen eiser en referente. Bovendien is in Eritrea een kerkelijk huwelijk ook rechtsgeldig zonder dat het is ingeschreven in de officiële registers, aldus eiser.

6. Verweerder heeft eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Het vervullen van de militaire dienstplicht is geen voorwaarde voor het verkrijgen van een identiteitskaart, dus het is aan eiser toe te rekenen dat hij geen identiteitskaart heeft overgelegd. Verweerder is het met eiser eens dat er op dit moment niet van hem kan worden gevraagd om documenten uit Eritrea te regelen, aangezien eiser en referente allebei gevlucht zijn. Eiser had echter al vóór zijn vertrek uit Eritrea een identiteitskaart moeten regelen. Ook heeft eiser niet aangetoond dat zijn kerkelijk huwelijk met referente is erkend door inschrijving in de registers. Verweerder neemt ten aanzien van het bestaan van het huwelijk wel bewijsnood aan, omdat de kerkelijke huwelijksakte is overgelegd. Dit is voor verweerder echter geen aanleiding om nader onderzoek te doen, aangezien eisers identiteit niet is vast komen te staan.

7. Eiser voert in beroep aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn identiteit niet heeft aangetoond. Zijn identiteit blijkt uit de huwelijksakte en uit het Israëlische conditional release document. Eiser handhaaft de stelling dat hij geen identiteitskaart kan krijgen omdat hij zijn dienstplicht niet heeft vervuld.

8.1.

Op grond van paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 moet de vreemdeling die een mvv voor ‘nareis asiel’ wil, zijn identiteit en de gestelde familierelatie aantonen. Dit moet door het overleggen van onder meer een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont. Als de vreemdeling dat document niet over kan leggen, moet hij aannemelijk maken dat het ontbreken daarvan niet aan hem is toe te rekenen. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document niet aan hem is toe te rekenen, moet hij zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken.

8.2.

In artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn1 staat dat de afwijzing van een verzoek om gezinshereniging van een vluchteling niet louter gebaseerd mag zijn op het ontbreken van bewijsstukken. Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan

overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld.

8.3.

In paragraaf 6.1.2. van de Richtsnoeren2 staan als voor voorbeelden van andere bewijsmiddelen voor het aantonen van familiebanden genoemd: schriftelijke/mondelinge verklaringen van de indieners, gesprekken met de gezinsleden of onderzoek naar de situatie in het buitenland. Deze verklaringen kunnen dan bijvoorbeeld worden bevestigd door ondersteunend bewijsmateriaal als documenten, audiovisueel materiaal, documenten of fysieke bewijsstukken (zoals diploma’s en afschriften van banktransacties) of kennis van specifieke feiten, zo blijkt uit de Richtsnoeren.

9. De rechtbank overweegt dat uit het onder 7.1. weergegeven beleid van verweerder volgt dat verweerder een driestapstoets hanteert ter vaststelling van de identiteit. Eerst wordt gekeken of de aanvrager een geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, dat moet zijn afgegeven door de overheid van het land van herkomst van de aanvrager (stap 1). Als de aanvrager dat niet heeft gedaan, moet worden beoordeeld of dat aan de aanvrager is toe te rekenen (stap 2). Als verweerder concludeert dat dit niet zo is, moet de aanvrager zijn identiteit via andere wegen aannemelijk maken (stap 3).

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vaststelling van de identiteit van eiser niet volgens het hiervoor weergegeven beleid heeft beoordeeld. Daarvoor is het volgende redengevend.

10.1.

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen Eritrese identiteitskaart heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen. Verweerder concludeert dat er geen sprake is van bewijsnood, omdat het volgens verweerder toerekenbaar is dat eiser geen identiteitskaart heeft overgelegd. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend is een Eritrese identiteitskaart echter geen document voor grensoverschrijding. Volgens het hiervoor weergegeven beleid dient verweerder te beoordelen of het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, in dit geval een Eritrees paspoort, toerekenbaar is. Verweerder heeft dit echter niet beoordeeld, maar heeft ten onrechte beoordeeld of het ontbreken van een identiteitskaart toerekenbaar is.

10.2.

Als verweerder had beoordeeld of het ontbreken van een Eritrees paspoort in het geval van eiser toerekenbaar is, dan zou gelet op de bekende landeninformatie vermoedelijk bewijsnood ten aanzien van het paspoort zijn aangenomen. Eiser moet dan de gelegenheid krijgen om zijn identiteit op een andere manier aannemelijk te maken. Uit verweerders beleid blijkt niet dat dit alleen zou kunnen door het overleggen van een Eritrese identiteitskaart. Er staat enkel in het beleid dat de vreemdeling zijn identiteit en familierelatie op een andere wijze aannemelijk moet maken, en niet op welke wijze dit moet gebeuren. Ook uit de Gezinsherenigingsrichtlijn en de daarbij behorende Richtsnoeren volgt dat er een vrije bewijsleer geldt voor het aantonen van de identiteit van een vluchteling die niet over een geldig paspoort beschikt.

10.3.

Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat thans niet van eiser en referente kan worden gevergd dat zij documenten regelen uit Eritrea, omdat zij allebei vluchtelingen zijn die zich buiten hun land van herkomst bevinden. Aangezien verweerder niet ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser nooit een identiteitskaart heeft gehad, kan de rechtbank niet inzien hoe het ontbreken van een identiteitskaart onder die omstandigheden nu nog aan eiser kan worden tegengeworpen.

11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

12. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal eiser in de gelegenheid moeten stellen om zijn identiteit en zijn huwelijk met referente op een andere wijze aannemelijk te maken. Hierbij kan de kerkelijke huwelijksakte worden betrokken, die is voorzien van foto’s van eiser en referente, alsmede eisers Israëlische conditional release document dat ook van een foto is voorzien. Indien verweerder deze documenten onvoldoende acht, kan verweerder zelf onderzoek doen, bijvoorbeeld door middel van een identificerend gehoor. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond was. Verweerder heeft dus niet op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af kunnen zien van het toekennen van een dwangsom. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn op 8 maart 2017 is verlopen, dat eiser op 24 maart 2017 een geldige ingebrekestelling heeft ingediend en dat verweerder op 3 mei 2017 het bestreden besluit heeft genomen. Gelet hierop is verweerder op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb een dwangsom verschuldigd vanaf 8 april 2017. Deze dwangsom bedraagt op grond van het tweede lid van dat artikel de eerste veertien dagen € 20,- per dag en de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag. Dit betekent dat verweerder in totaal een bedrag van € 610,- aan eiser verschuldigd is.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een dwangsom van € 610,- binnen zes weken na verzending van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FvS

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 De richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

2 De mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging.