Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/8657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingetrokken en er is een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar vanwege de veroordeling van eiser wegens meerdere misdrijven. Of de verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken wordt getoetst in het kader van het inreisverbod. De gronden tegen de intrekking worden beoordeeld alsof ze deel uitmaken van de gronden gericht tegen het inreisverbod. Eiser is aan te merken als een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Er is geen sprake van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Somalië. Het feit dat eiser verwesterd zou zijn, is hiertoe onvoldoende. Ook is niet aannemelijk dat eiser in een ontheemdenkamp terecht zal komen. Verder is er geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM. Er is geen sprake van familie- of gezinsleven en de inmenging in het privéleven is gerechtvaardigd. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond en het beroep tegen de intrekking is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8657

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1993, van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. van Tol).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 13 november 2012 ingetrokken en bepaald dat eiser Nederland meteen dient te verlaten. Daarnaast heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Op 20 april 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig L. Warsame, tolk in de Somalische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser verblijft sinds 21 december 2007 in Nederland. Met ingang van 28 februari 2008 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 (oud).

2. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst van 14 december 2015, dat ten tijde van het voornemen het meest actueel was, bleek dat het laatst gepleegde delict waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld, is gepleegd op 4 februari 2015. Eiser is veroordeeld vanwege meerdere geweldsdelicten. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst van 7 maart 2017 blijkt verder dat eiser na het voornemen opnieuw is veroordeeld wegens meerdere misdrijven. Het laatste vonnis van de meervoudige kamer van de strafkamer Groningen van 20 december 2016, waarbij eiser tot 30 maanden gevangenisstraf is veroordeeld, is nog niet onherroepelijk omdat eiser daartegen in hoger beroep is gegaan.

3. Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 13 november 2012, de datum waarop het eerste misdrijf is gepleegd waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld. Bij de beoordeling heeft verweerder op grond van paragraaf C2/10.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 de glijdende schaal, zoals beschreven in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, geldend vanaf 1 juli 2012, overeenkomstig toegepast. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de bekende feiten en omstandigheden uit het dossier van eiser, afgezet tegen paragraaf C/7.24 van de Vc 2000 (‘het asielbeleid ten aanzien van Somalië’) en het algemeen ambtsbericht Somalië van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 17 december 2014, geen aanleiding vormen aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Somalië een actuele schending van het Vluchtelingenverdrag heeft te duchten dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Verweerder heeft tevens aanleiding gezien om te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en om eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Daarbij heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat eiser is aan te merken als een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Niet gebleken is dat eiser in Nederland familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM1 uitoefent en de inmenging in het privéleven vindt verweerder gerechtvaardigd, aangezien eiser een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.

4. De rechtbank overweegt eerst het volgende. Verweerder heeft tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dat beroep kan immers niet leiden tot de door eiser beoogde ongedaanmaking van de intrekking van de verblijfsvergunning, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken kan ten volle in het kader van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.

5. De rechtbank zal daarom hetgeen eiser aanvoert tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.

6. Eiser heeft in beroep gronden aangevoerd die gelijkluidend zijn voor wat betreft de intrekking van de vergunning en de oplegging van het zware inreisverbod.

Unierechtelijk openbare orde criterium

7.1 Eiser stelt allereerst dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten, naast het inreisverbod, ook de intrekking van de asielvergunning te toetsten aan het openbare orde criterium uit het arrest Z. Zh. en I.O. van het Hof van justitie van de Europese Unie van 11 juni 20152 (communautair openbare orde begrip). Eiser stelt namelijk dat hij naar de huidige wetgeving moet worden geacht in het bezit te zijn van een vergunning op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zodat tevens moet worden beoordeeld of er sprake is van een “ernstig misdrijf”, hetgeen volgt uit artikel 17, lid 1, onder b, van de Kwalificatierichtlijn3. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de intrekking in strijd met het Unierecht. Eiser stelt tevens dat bij de toetsing de nog niet onherroepelijke veroordeling van 2016 niet kan worden meegenomen omdat eiser het feit van begin af aan heeft ontkend. De stelling van verweerder dat bij eiser niet is gebleken van schuldbesef en daadwerkelijk inzicht in zijn handelen en daden klopt niet, omdat eiser ontkent dat hij het feit heeft begaan. Eiser komt wel uit voor de misstappen en verweerder hecht ten onrechte geen waarde aan het feit dat eiser in korte tijd veel zelfinzicht heeft gekregen en uit eigen kracht hulp heeft gezocht bij onder andere zijn alcoholverslaving, waar hij in het verleden nooit voor uit heeft durven en/of willen komen. Het verbeterde persoonlijke gedrag van eiser sinds zijn laatste veroordeling is ten onrechte niet bij de beoordeling meegewogen.

7.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het communautair openbare orde begrip enkel van toepassing is bij asielvergunningen die op internationale gronden zijn verleend. Nu aan eiser een asielvergunning is verleend op grond van het destijds geldende nationale categoriale beschermingsbeleid, valt de intrekking daarvan niet onder de werking van het Unierecht.

7.3 De rechtbank overweegt als volgt. Wat er ook zij van het standpunt van verweerder zoals hiervoor weergegeven, uit het besluit blijkt dat (onder het kopje vertrektermijn en inreisverbod) expliciet in het kader van het arrest Z. Zh. en I.O. is ingegaan op de feiten en dat en waarom er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit ziet dan tevens op de intrekking. Verwezen is naar de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat eiser een veelpleger is en dat het laatste feit waarvoor hij onherroepelijk veroordeeld is, gepleegd is op 2 maart 2016. Voorts is vermeld dat eiser recent voor een misdrijf – [een overval] – gepleegd op [datum] 2016 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Verweerder heeft verder gewezen op de ernst van de inbreuk op de nationale veiligheid, gezien de omstandigheid dat eiser door zijn handelen schade en overlast in de maatschappij heeft veroorzaakt. Vermogenscriminaliteit draagt bij aan de algemene gevoelens van onveiligheid. Geweldsmisdrijven tasten de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aan. Eiser is onherroepelijk veroordeeld vanwege meerdere geweldsdelicten. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf wel meegenomen kan worden, ook al is hij nog niet onherroepelijk. Dit volgt immers uit het arrest Z. Zh. en I.O., onder punt 51. Aan het gestelde dat eiser op dit moment echt beseft dat hij intensievere hulp nodig heeft en echt zijn leven wil beteren, heeft verweerder niet de waarde hoeven hechten die eiser wenst. Eiser is meerdere malen veroordeeld en dit heeft hem niet weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Verweerder heeft hierbij het reclasseringsadvies mogen betrekken, waaruit volgt dat eiser wordt gekoppeld aan agressiviteit, alcohol een grote rol speelt bij de vertoonde agressiviteit en ingeschat wordt dat sprake is van een gevaarrisico in algemene zin. Gelet hierop en gelet op het korte tijdsverloop sinds de laatst gepleegde misdrijven waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld en de omstandigheid dat eiser nu nog in detentie verblijft, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit geen grond is om tot een bestendige gedragswijziging bij eiser te concluderen en heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het betoog van eiser slaagt niet.

3 EVRM

8.1

Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of de verwestering van eiser en de stelling dat hij door Al-Shabaab verdacht zal worden te spioneren voor de overheid, leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser ziet niet in dat verweerder er vanuit gaat dat eiser zich zelfstandig zou kunnen redden in Somalië. Hij is jongvolwassene, heeft geen gezin en heeft geen familie meer. Daarnaast heeft eiser een alcoholverslaving en een verstandelijke beperking. Dat eiser hulp van zijn familie uit Nederland kan krijgen, is niet onderbouwd door verweerder. Verder voert eiser aan dat hij gelet op het feit dat hij geen familie en clan heeft in Somalië, zijn toevlucht zal moeten zoeken in een ontheemdenkamp. In deze kampen is de humanitaire- en veiligheidssituatie zo slecht, dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft hiertoe verwezen naar het algemeen ambtsbericht Somalië van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 maart 2016, een nieuwsbericht van Amnesty International en een rapport van Human Rights Watch van januari 2017.

8.2

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het feit dat eiser verwesterd zou zijn en herkend zou worden als iemand die terugkeert uit het westen, onvoldoende is om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1168). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat juist hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab zal komen te staan en op welke wijze dit in Mogadishu tot een confrontatie zal leiden. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een ontheemdenkamp terecht zal komen. De beroepsgrond slaagt niet.

8 EVRM

9.1

Daarnaast voert eiser aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat er geen toets aan artikel 8 van het EVRM hoeft plaats te vinden omdat er een zwaar inreisverbod is opgelegd. Eiser stelt dat verweerder op grond van artikel 3.6a, vijfde lid van het Vb 2000 eerst moet beoordelen of artikel 8 van het EVRM in de weg staat aan intrekking van de vergunning en pas daarna eventueel kan overgaan tot oplegging van een inreisverbod. Verder voert eiser aan dat hij gezinsleven uitoefent met zijn moeder en stiefvader. Hij is een jongvolwassene zonder eigen gezin en heeft de steun van zijn moeder en stiefvader nog hard nodig, mede gelet op zijn verstandelijke beperking. Verder voert eiser aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod een ongerechtvaardigde inmenging betekenen op zijn privéleven.

9.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat sinds het Project Stroomlijning Toelatingsprocedures in asielzaken ambtshalve wordt getoetst aan reguliere gronden maar dat de beleidsmatige keuze is gemaakt dit niet te doen in het geval er ook een zwaar inreisverbod wordt opgelegd. In dat geval wordt artikel 8 EVRM alleen in aanmerking genomen ten aanzien van het inreisverbod. Ook in het bestreden besluit is deze toets vervolgens uitgevoerd onder het kopje “vertrektermijn en inreisverbod”.

9.3

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel verweerder op grond van het Vb en het beleid (zie paragraaf C2/10.1, onder het kopje ambtshalve toets, van de Vc 2000) de intrekking had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM, komt de rechtbank aan de beoordeling hiervan gelet op het beoordelingskader zoals hiervoor omschreven onder punt 4. en 5. niet toe. Bij het opleggen van het inreisverbod heeft verweerder echter uitgebreid gemotiveerd waarom het uitvaardigen daarvan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eisers beroepsgrond zal dan ook in het kader van het inreisverbod worden beoordeeld.

9.4

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser woont al sinds zijn eerste detentie in augustus 2013 niet meer bij zijn moeder en stiefvader. Ook heeft eiser in het intrekkingsgehoor aangegeven dat hij een eigen inkomen heeft en dat zijn ouders hem ondersteunden toen hij minderjarig was. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder en stiefvader. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de stelling van verweerder dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en zijn broer, halfbroer(s), halfzus(sen) en stiefbroer(s) en stiefzus(sen), zodat verweerder hierin gevolgd wordt. Gelet hierop is geen sprake van inmenging in het familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

9.5

Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de inmenging in het recht op privéleven van eiser gerechtvaardigd is in het belang van de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Gelet op hetgeen eerder is overwogen, wordt ten aanzien van de aard en ernst van de misdrijven overwogen dat eiser op basis van zijn persoonlijke gedrag aangemerkt wordt als een werkelijke, actuele, en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De duur van eisers verblijf in Nederland is niet zodanig bijzonder dat op grond daarvan het persoonlijk belang van eiser prevaleert boven dat van de openbare orde. Eiser is sinds 2007 hier en heeft tot zijn 13e in zijn land van herkomst verbleven, zodat hij langer in Somalië heeft verbleven dan hij in Nederland verblijft. Ook is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet gebleken is dat eiser bijzondere banden met Nederland heeft opgebouwd. Door het plegen van ernstige misdrijven heeft eiser op geen enkele wijze rekening gehouden met de waarden en normen van de Nederlandse samenleving. Bovendien heeft eiser vanwege de misdrijven de afgelopen jaren lange perioden in detentie doorgebracht. Ook op dit moment verblijft eiser in detentie. Het feit dat eiser de Nederlandse taal beheerst, hier naar school is geweest en tot 2014 heeft gewerkt, betekent niet dat de band die eiser met Nederland heeft opgebouwd als zodanig is aan te merken dat het opleggen van een inreisverbod een schending van het privéleven oplevert. De binding overstijgt niet de normale binding die ontstaat door enkel het langdurige verblijf in Nederland. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het niet onredelijk is om van eiser te verlangen dat hij eventuele banden die hij met Nederland is aangegaan op afstand onderhoudt. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toets van verweerder aan de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren kunnen opleggen. Van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan een inreisverbod met een kortere duur moet worden opgelegd is niet gebleken.

11. Het beroep tegen het inreisverbod is daarom ongegrond. Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2 ECLI:EU:C:2015:377.

3 Richtlijn 2011/95/EU van het Europees parlement en de raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.