Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1598

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
09/767093-15 en 09/767070-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor Syriëganger

Een 23-jarige man is door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor een poging om deel te nemen aan een criminele terroristische organisatie en het voorbereiden van moord, doodslag en brandstichting met een terroristisch oogmerk.

Twee pogingen om Syrië te bereiken

De man heeft twee keer geprobeerd zich als strijder aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep in Syrië. De eerste keer is hij in december 2014 met een andere man via het vliegveld Düsseldorf naar Turkije gereisd. Zij zijn door de Turkse autoriteiten aangehouden toen zij vanuit Turkije illegaal de grens met Syrië wilden oversteken.

Uit in beslag genomen telefoons bleek dat zij contact hadden met jihadist Soufiane Z. die al in Syrië was. Van hem ontvingen zij uitvoerige instructies hoe zij de grens konden oversteken en wat ze moesten doen als zij zouden worden gepakt.

In april 2015 is de 23-jarige man naar Nederland overgebracht en vanaf dat moment zat hij in voorlopige hechtenis. Het voorarrest is in mei 2015 onder verschillende voorwaarden geschorst, waardoor hij voorlopig vrij kwam om zijn rechtszaak af te wachten.

Vanaf februari 2016 was de man echter spoorloos verdwenen en in mei 2016 bleek hij opnieuw te zijn aangehouden aan de Turks-Syrische grens. Onderzoek wees uit dat hij nu via Bulgarije was gereisd, conform de aanwijzingen die hij van Soufiane Z. had gekregen. In juni 2016 is de man opnieuw naar Nederland overgebracht en sindsdien zit hij in voorlopige hechtenis.

Jihadistische strijd in Syrië

De rechtbank merkt in haar vonnis op dat jihadistische strijdgroepen in Syrië zich op grootschalige en systematische wijze schuldig maken aan gruwelijke terroristische misdrijven. De man wilde samen met een ander naar Syrië afreizen om zich daar als strijder aan te sluiten bij een dergelijke jihadistische strijdgroep. De rechtbank neemt hem dit alles bijzonder kwalijk. Bovendien heeft hij na zijn mislukte poging, ondanks de schorsing van zijn voorlopige hechtenis onder voorwaarden, nogmaals geprobeerd naar Syrië af te reizen. Hij moet op dat moment extra doordrongen zijn geweest van het feit dat hij iets strafbaars aan het doen was. De rechtbank weegt dit dan ook zwaar mee in zijn nadeel.

Waarom deze straf?

De rechtbank wil met deze straf een signaal afgeven, ter afschrikking van anderen die vergelijkbare plannen hebben. De rechtbank weegt bij de vaststelling van de duur van de op te leggen straf echter ook mee dat het om twee pogingen en niet om voltooide delicten gaat en dat verdachte vijf maanden in Turkije vast heeft gezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

ZITTING HOUDENDE TE AMSTERDAM

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767093-15 en 09/767070-16 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam verdachte]

[geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught, Nieuw Vosseveld

Bijzondere Afdeling, te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/767093-15 (dagvaarding I) is gehouden ter terechtzittingen van 4 april 2016, 5 juli 2016 en 28 september 2016 (steeds pro forma). Op de terechtzitting van 6 december 2016, die ook een pro forma-karakter had, is de zaak met parketnummer 09/767070-16 (dagvaarding II) gevoegd bij de zaak met parketnummer 09/767093-15. Ter terechtzitting van 8 februari 2017 heeft de inhoudelijke behandeling van de (gevoegde) zaken plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.A. Minks en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd:

als het gaat om dagvaarding I, die de periode van 1 september 2013 tot en met 23 december 2014 bestrijkt:

 Medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 1);

 Medeplegen van poging tot deelname aan een organisatie (IS, Jabhat al Nusra, al-Qaeda of een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 2);

als het gaat om dagvaarding II, die de periode van 27 februari 2016 tot en met 13 mei 2016 bestrijkt :

 Poging tot deelname aan een organisatie (IS, Jabhat al Nusra, al-Qaeda of een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1);

 Voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 2).

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I van dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Rechtsmacht

Bij de tenlastegelegde gedragingen zijn als pleegplaatsen vermeld:

 Poging tot deelneming aan een terroristische criminele organisatie: Den Haag en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Turkije;

 Voorbereiding en/of bevordering van moord, doodslag en het teweegbrengen van ontploffingen, telkens met een terroristisch oogmerk: Nederland en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Turkije.

De tenlastegelegde feiten zijn blijkens artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) terroristische misdrijven. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 december 2015 reeds uitvoerig overwogen waarom Nederland ten aanzien van zulke misdrijven rechtsmacht heeft.1 Kort gezegd komen deze overwegingen op het volgende neer. Op 1 juli 2014 is de herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet in werking getreden, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 Sr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (Stb. 2014, 47). Ingevolge de laatstgenoemde bepaling is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander (of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft) die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. De rechtbank acht het, zoals gemotiveerd is uiteengezet in voormeld vonnis, gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen.

4 Enkele algemene bewijsoverwegingen

4.1

Ontwikkeling van de strijd in Syrië 2

Uit de processtukken, meer in het bijzonder het rapport van [deskundige 1]3 en de daarin genoemde en ook elders – zonder noemenswaardige moeite – te raadplegen openbare bronnen, blijkt het volgende.

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het

voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het

dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Gaandeweg ontwikkelde wat als een vreedzaam protest was begonnen zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen lag in november 2015 rond de 250.000. Op dat moment waren, naar schatting, al 4,3 miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië, naar schatting, 6,6 miljoen.4

Blijkens talloze rapporten en publicaties heeft het regime van president al-Assad zich daarbij schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden.5 Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam ook de invloed van jihadistische strijdgroepen hand over hand toe. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen - misschien zelfs niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van al-Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd.6 Gezien de vele rapporten en publicaties over jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIL (later: ISIS en IS) kan er geen twijfel over bestaan dat ook zij zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden.7

4.2

Terroristische misdrijven

Aan verdachte worden in dagvaarding I gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd vóór 24 december 2014. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië volgde en zijn ogen daarvoor niet sloot, moet het al ver voor die datum volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden en dat het doden van mensen de kern was van de almaar woedende strijd. Dit geldt nog meer voor de periode die in dagvaarding II wordt vermeld, te weten de periode februari tot en met mei 2016. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden.8 Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS meldt in haar rapport d.d. 12 februari 2014 dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”

De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven

hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. In haar vonnis van 10 december 2015 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS het regime van president al-Assad ten val willen brengen en een zuiver islamitische samenleving of staat willen vestigen en dat de misdrijven die zij daartoe, maar ook geheel los daarvan, plegen, mede tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. Hierin is geen verandering gekomen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een door en door terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.

5 Bewijsoverwegingen

5.1

Inleiding

De vader van verdachte heeft op 19 december 2014 zijn zoon bij de politie als vermist opgegeven. In januari 2015 bleek vervolgens dat verdachte was aangehouden nabij de grens van Turkije met Syrië. Op 17 april 2015 werd hij door de Turkse autoriteiten overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten en in Nederland aangehouden. Met ingang van 26 mei 2015 werd de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. Op 29 februari 2016 werd bekend dat verdachte, via Duitsland en Turkije, naar Bulgarije was gereisd. De schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven met ingang van 4 april 2016. Op

13 mei 2016 bleek verdachte wederom te zijn aangehouden nabij de grens van Turkije met Syrië. Verdachte werd op 28 juni 2016 door de Turkse autoriteiten overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten en in Nederland aangehouden.

De vragen waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of bewezen kan worden dat verdachte twee keer de reis naar Syrië wilde maken om zich aldaar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan:

 ( (medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven (dagvaarding I, feit 1 en dagvaarding II, feit 2);

 ( (medeplegen van) poging tot deelname aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (dagvaarding I, feit 2 en dagvaarding II, feit 1).

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde integraal wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank eventuele specifieke standpunten van de officier van justitie nader bespreken.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen strafbare handelingen heeft gepleegd en dat op geen enkele wijze kan komen vast te staan dat verdachte zich op enig moment heeft willen aansluiten bij de gewapende strijd in Syrië. Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank eventuele specifieke standpunten nader bespreken.

5.4

De beoordeling van de tenlastelegging 9

Verweten handelingen onder dagvaarding I, feiten 1 en 2: onderdelen A - F

Verdachte worden onder dagvaarding I, feit 1, onderdelen A - F diverse handelingen verweten die hij zou hebben gepleegd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen (feit 1). Diezelfde handelingen leveren volgens de steller van de tenlastelegging ook een poging op om deel te nemen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (feit 2).

In de eerste plaats zou hij zich “het radicale extremistische gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd eigen hebben gemaakt” (onderdeel A). Vervolgens zou hij - kort gezegd - de wens hebben geuit naar Syrië te gaan en zich daar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd (onderdeel B), de reis naar Turkije en/of de grens van Turkije met Syrië hebben gemaakt (onderdeel C), geprobeerd hebben de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië (onderdeel D), notities en/of tekeningen betreffende de gewapende jihadstrijd hebben gemaakt en/of meegenomen en/of onder zich hebben gehad (onderdeel E) en met een persoon die zich in Syrië bevond contact hebben gehad over hoe in Syrië te komen en wat te doen wanneer de verdachte daar zou zijn aangekomen (onderdeel F).

De rechtbank zal de onderdelen A - F in de tenlastelegging lezen zoals deze logischerwijs zijn bedoeld, te weten in chronologische volgorde.

Onderdeel A

De steller van de tenlastelegging heeft, uitgaande van een chronologische volgorde in de onderdelen A-F, kennelijk bedoeld dat verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed van de jihadstrijd en dit gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt. Maar zo is het natuurlijk niet gegaan. Ervan uitgaande dat dit kan worden bewezen, heeft verdachte zich eerst dit radicaal extremistische gedachtegoed eigen gemaakt en vervolgens heeft het idee bij hem postgevat dat hij op grond van dit gedachtegoed verplicht was naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terrroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed zou hebben eigengemaakt. Verdachte moet daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Het voorgaande betekent overigens niet dat bedoeld gedachtegoed, indien het bestaan daarvan bij verdachte kan worden bewezen, geen enkele rol meer kan spelen bij de beoordeling van de (bewijsbaarheid) van de tenlastelegging. Bedoeld gedachtegoed kan dienen als inkleuring van de tenlastegelegde feitelijke handelingen en de rechtbank zal het in het hiernavolgende ook als zodanig hanteren.

Onderdeel B

Onder onderdeel B is verdachte tenlastegelegd dat hij de wens zou hebben geuit naar Syrië te gaan en zich daar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd.

De vader van verdachte (hierna: de vader) heeft op 19 december 2014 ten overstaan van verbalisanten verklaard dat verdachte, de rechtbank begrijpt na september 2013, heeft gesproken over vechten in Syrië. Verdachte was van mening dat er gevochten moest worden tegen het regime van al-Assad en hij zou in Syrië als soldaat willen vechten tegen andere soldaten. Verdachte heeft tegen zijn vader gezegd dat hij tegen terroristische aanvallen was en niet tegen onschuldige burgers wilde vechten. Verdachte had, aldus zijn vader, ook legerkleding in zijn bezit, te weten een jas, broek en bivakmuts. Die kleding was een aantal maanden geleden ineens verdwenen. De vader had enige tijd geleden een gevechtsmes van verdachte afgepakt, alsook zijn paspoort. De vader vermoedde dat verdachte een nieuw paspoort had aangevraagd, omdat hij daarvoor een afhaalbericht had gevonden. De vader heeft ook verklaard dat verdachte had aangegeven achter IS te staan.10

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de vader. Deze verklaring is direct na de vermissing van zijn zoon afgelegd en bevat talloze details.

De raadsman heeft betoogd dat de kleding en het mes niet met de uitreis van verdachte in verband kunnen worden gebracht, gelet op het moment waarop deze zijn aangetroffen. Een verband als waar de raadsman op doelt, vereist de tenlastelegging echter niet. Niettemin passen de door de vader van verdachte bij verdachte aangetroffen goederen naar hun aard bij de wens van verdachte om zich in Syrië aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Onderdelen C en D

Voorts is verdachte tenlastegelegd dat hij (samen met een ander) de reis naar Turkije en/of de grens van Turkije en Syrië heeft gemaakt (onderdeel C) en geprobeerd heeft de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië (onderdeel D).

In de periode van 14 februari 2014 tot en met 9 december 2014 heeft verdachte 75 keer telefonisch contact gehad met [medeverdachte] . Op 8 en 9 december 2014 straalden de telefoons van [medeverdachte] 33 keer de zendmast gelegen in de [adres] aan, zijnde een straat die zich op minder dan 200 meter van de woning van verdachte bevindt.11

Verdachte werd op 11 december 2014 samen met [medeverdachte] gecontroleerd op het vliegveld van Düsseldorf, waarna zij samen met een vliegtuig naar Istanbul zijn vertrokken.12 Op 16 december 2014 werd verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd aan de grens met Servië, bij de grensovergang Horgoš (inreis) en de grensovergang Gradina (uitreis).13 Op 24 december 2014 liet de Turkse liaison weten dat verdachte in Turkije was aangehouden bij het oversteken van de grens van Turkije naar Syrië en werd vastgehouden door de Turkse autoriteiten.14 Later bleek dat ook [medeverdachte] werd vastgehouden door de Turkse autoriteiten, nadat hij op 21 december 2014 in Turkije was aangehouden op het moment dat hij genoemde grens illegaal probeerde over te steken.15 Op 9 maart 2015 verklaarde een medewerker van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat verdachte met ‘kompanen’ was aangehouden tijdens een illegale grensovergang van Turkije naar Syrië en gevangen zat in een uitzendcentrum.16 Op 17 april 2015 zijn verdachte en [medeverdachte] door de Nederlandse autoriteiten overgenomen van de Turkse autoriteiten, naar Nederland gevlogen en aldaar aangehouden.17

Verdachte heeft de hiervoor opgesomde door hem gemaakte reisbewegingen bevestigd. Hij is, aldus verdachte, via Düsseldorf en Istanbul naar de grens van Turkije met Syrië gereisd.18 Vervolgens werd hij via een smokkelaar in een busje dichterbij de grens van Turkije met Syrië gereden en werd daar al snel aangehouden door de Turkse politie, samen met anderen die naar Syrië wilden gaan.19 Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hij naar Syrië wilde gaan.20

[medeverdachte] heeft eveneens verklaard naar Syrië te willen reizen.21

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat zowel verdachte als [medeverdachte] naar Syrië wilden reizen. Zij onderhielden voorafgaand aan hun vertrek uit Nederland nauwe contacten, waren samen gedurende de controles in Düsseldorf en Servië en zijn beiden eind december 2014 aangehouden door de Turkse autoriteiten, terwijl zij op illegale wijze de grens van Turkije met Syrië probeerden over te steken. Gelet hierop acht de rechtbank de onderdelen C en D uit de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat verdachte, samen met [medeverdachte] , de reis naar Turkije en de grens van Turkije met Syrië heeft gemaakt en geprobeerd heeft de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië.

Onderdeel E

Verdachte wordt onder onderdeel E verweten notities en/of tekeningen betreffende de gewapende jihadstrijd te hebben gemaakt en/of onder zich te hebben gehad en/of deze notities en/of tekeningen te hebben meegenomen, althans in zijn bezit te hebben gehad, gedurende zijn reis richting Syrië.

Verdachte had een sporttas bij zich toen hij in Nederland werd aangehouden. Daarin zaten een schrift en diverse losse blaadjes met handgeschreven Arabische teksten. Uit de vertaling van die teksten blijkt dat onder andere was opgeschreven:

 “ “Islamitische Staat blijft bestaan”;

 “ “Ik wil de Koran niet leren, ik wil geen witte lange jurk, ik wil geen journalisten, ik wil geen kruisvaarders. (…) Ik wil bloed, bloed, bloed en steken, steken, steken. Mobilisatie, mobilisatie, mobilisatie, alle, alle soldaat, soldaat”;

 “ “Lof zij Allah, ik ben overwinnaar door hulp van Allah. De Islamitische Staat is ontstaan/opgericht ik dank jullie zeer mijn broeders”;

 “ “Dir Al Zor”.

Blijkens het dossier is Dir Al Zor een plaats in Syrië, te weten Deir ez-Zor, waar het

al-Aqsa bataljon actief is geweest. Het al-Aqsa bataljon heeft op 15 augutsus 2014 trouw gezworen aan al-Baghdadi , leider van Islamitische Staat.22

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij denkt de hiervoor aangehaalde teksten te hebben geschreven, al dan niet gedurende zijn gevangenschap in Turkije.23

Conclusie van de rechtbank

Gezien de verwijzingen naar Islamitische Staat, kruisvaarders, geweld en soldaten en een plaats waar een aan Islamitische Staat gelieerde strijdgroep actief is geweest, hebben de teksten naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar betrekking op de gewapende jihadstrijd. Verdachte sluit niet uit deze teksten te hebben geschreven en in ieder geval staat vast dat hij deze teksten onder zich had. Niet kan worden vastgesteld of verdachte deze teksten voorafgaand aan of gedurende zijn reis naar Syrië heeft geschreven of op een later moment. Daarom is de rechtbank van oordeel dat onderdeel E, in zoverre kan worden bewezen dat verdachte notities betreffende de gewapende jihadstrijd heeft gemaakt, dan wel onder zich heeft gehad, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Onderdeel F

Onder onderdeel F wordt verdachte verweten dat hij en/of zijn [medeverdachte] via WhatsApp hebben gecommuniceerd met een persoon in Syrië, aan wie zij hulp hebben gevraagd om in Syrië te komen en welke persoon hen informatie/advies heeft gegeven over (1) het (illegaal) passeren van de Turks-Syrische grens om in (het strijdgebied van) Syrië te komen en (2) hetgeen zij moesten doen als zij eenmaal in Syrië waren. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Telefoon van [medeverdachte] en deelnemers aan ‘WhatsApp-gesprek 29’

Nadat [medeverdachte] op 17 april 2015 tezamen met verdachte was aangehouden in Nederland, werd bij hem een telefoon aangetroffen. Deze telefoon maakte gebruik van het [telefoonnummer] , dat op zijn naam stond.24 [medeverdachte] heeft verklaard op WhatsApp gebruik te hebben gemaakt van de naam “Lone Wolf”.25 Op de simkaart van die telefoon werden diverse WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder een gesprek dat plaatsvond tussen dit telefoonnummer (gebruikersnaam: Lone Wolf) en [telefoonnummer] (gebruikersnaam: Souf) in de periode van 20 december 2014 tot en met 22 december 2014. Dit gesprek wordt in het dossier aangeduid als ‘WhatsApp-gesprek 29’.

Gedurende het WhatsApp-gesprek heeft de gebruiker ‘Souf’ meerdere audiofragmenten gestuurd, waarin hij onder andere meedeelde:

En dan gaat alles goed komen en komen jullie binnen. En als je binnen bent en ze vragen jou of je hier iemand kent dan kun je mijn naam doorgeven, want we kennen elkaar van Den Haag. Zeg dat je [bijnaam Soufiane Z.] kent en als ze zeggen in welke katiba [bataljon] zit hij dan moet je zeggen dat hij in Menbidzj [Manbij te Syrië] bij katibat al-aqsa [het al-Aqsa bataljon] zit ja.26

Blijkens het dossier gebruikte een persoon genaamd [Soufiane Z.] [bijnaam Soufiane Z.] en maakte hij deel uit van het jihadistische netwerk in Den Haag.27 De stem in de audiofragmenten van ‘Souf’ is herkend door verbalisanten als de stem van [Soufiane Z.] .28 Daarnaast is van [Soufiane Z.] vastgesteld dat hij - zoals hij zelf ook aangeeft - in december 2014 deelnam aan de gewapende strijd in Syrië. [medeverdachte] heeft voorts nog verklaard bij de grens te hebben geappt met [Soufiane Z.] .29

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de gebruiker is geweest van het [telefoonnummer] en de gebruikersnaam “Lone Wolf” op WhatsApp en [Soufiane Z.] degene is geweest die gebruik maakte van het [telefoonnummer] en de gebruikersnaam Souf op WhatsApp.

Inhoud ‘WhatsApp-gesprek 29’ en aantreffen foto’s op telefoon [medeverdachte]

Teneinde te kunnen beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte en/of [medeverdachte] de onder onderdeel F in de tenlastelegging opgenomen handelingen hebben verricht, volgen hierna de relevante fragmenten uit ‘WhatsApp-gesprek 29’ tussen [medeverdachte] en [Soufiane Z.] .

[MV ] : Ik ben met een andere broeder. Ik ben in Turkse stad boven de grens.
Maar we weten niet wat we moeten doen om verder te komen.

[SZ] : Ok is goed geen paniek akhi jullie komen binnen. (…)

Ik moet van jullie weten wie jullie zijn [bijnaam medeverdachte] en?

[MV ] : [bijnaam verdachte] .

[SZ] : Jullie zijn in gazi antep?

[MV ] : Jaa. (…)

[SZ] : Uhm, akhi zoals jullie, yani [dat betekent/wil zeggen] weten gaan we eventjes een security

check doen. Of jullie misschien eventjes gewoon een foto van jullie twee kunt opsturen

terwijl jullie het paspoort vasthouden. (…)

En ik ga jullie nu de nummer geven van de broeder, van de broeder die bij de hudud

[grensovergang] werkt die er voor zorgt dat jullie binnen worden gebracht. Jullie moeten hem dan nu dan nu gaan bellen. (…)

[MV ] : Sorry broeder we maakten foto. (…)

[SZ] : Hé joh, Hagenees ma sha Allah [wat God wil]. Ik herkende jou, inshallah [God groet jou, als

God het wil]. Ehm, die broeder die jou nu aan het whatsappen is, hij is insha Allah [als God

het wil) degene die jullie binnen gaat helpen. (…)

[MV ] : We moeten naar een andere stad. (…) 2 uur reizen met de bus in sha Allah. (…)

[SZ] : Jullie zijn sowieso binnen gelaten door Turkije door Turkije jullie hebben een visum, dus

gedraag je gewoon als toeristen. (…) Iedereen komt dagelijks binnen via deze route. (…) ga

niet in het openbaar uit de Koran lezen of iets. (…) En doe gewoon alles wat deze broeder

tegen jullie zegt. Doe dat. En dan gaat alles goed komen en komen jullie binnen. En als je binnen bent en ze vragen jou of je hier iemand kent dan kun je mijn naam doorgeven, want we kennen elkaar van Den Haag. Zeg dat je [bijnaam Soufiane Z.] kent en als ze zeggen in welke katiba [bataljon] zit hij dan moet je zeggen dat hij in Menbidzj [Manbij te Syrië] bij katibat al-aqsa [het al-Aqsa bataljon] zit ja. (…)

[MV ] : (…) insh Allah [als God het wil], doe du’a [smeekbede] voor ons want Turkije heeft ons niet

binnen gelaten, maar ze hadden ons juist weggestuurd (…) We gaan nu proberen de bus te

vinden naar Urfa.

[SZ] : (…) zijn jullie illegaal Turkije binnen gekomen of zijn jullie juist zelf door Turkije

binnengelaten. (…) Indien, indien jullie illegaal in Turkije zijn dan adviseer ik je om jullie

paspoort in jullie schoen te verstoppen. (…) En wanneer ze jullie aanhouden dan zeg je dat

jullie Syriërs zijn. (…) Welke stad zijn jullie nu?

[MV ] : Is goed, ja we zijn illegaal. Gaziantep. (…)

[SZ] : Bel naar die broeder en zeg tegen hem dat jullie illegaal zijn en of er niet iets is via gazi

antep ivm politiecontrole in bus soms. (…)

[MV ] : We zijn net de cel ingegaan akhi [mijn broeder]. In Urfa. (…)

[SZ] : Ok akhi [mijn broeder] jullie zijn syrisch blijf volhouden. Gooi jullie paspoorten ergens weg

in wc of iets.

[MV ] : Paspoorten zijn al weg. En ze hebben van [bijnaam verdachte] al door dat ie niet syrisch is. En bij mij

ook half. (…)

[SZ] : Sowieso proberen we jullie er uit te krijgen. Maar eh, sowieso, ontken alles. Je hebt niks met

eh met strijdgroepen te maken of dit en dat. Jij… gewoon voor je zelf zeggen je bent

Syrisch. Verzin voor jezelf een nep achternaam en een nep voornaam. En eh laat [bijnaam verdachte]

ook een neppe neppe een neppe naam en nep achternaam verzinnen. (…)

[MV ] : Al onze pasjes zijn bij dawlah [staat]. (…)

[SZ] : (…) zitten jullie met elkaar of appart.

[MV ] : Met elkaar (…).

[SZ] : Dus mocht het zo zijn broeder dat ze jullie terug gaan sturen naar Nederland. Ten eerst als je

aankomt in Nederland aggie (fon) en de AIVD of de politie gaat met jou praten het eerste

wat je tegen hun zegt, ik praat niet met jullie. Eerst wil ik mijn advocaat. Ga nooit praten

akhi [mijn broeder] en zeg niks ook al vragen ze aan jou: “Heet jij zo, heet jij [naam verdachte] bla,

bla,bla zeg ik wil mijn advocaat. (…) Als ze jou vrij gaan laten akhi [mijn broeder] wat je

dan gaat doen, doe dan gewoon eventjes een paar maanden, een paar maanden effe effe

rustig. Gewoon net doen alsof je niet meer praktiserend bent en ga dan weer helemaal terug

naar Bulgarije toe met jou ID-kaart en ga je de trein via Duitsland en pak je de bus naar

Bulgarije. Als je bij de grens bent van Bulgarije dan loop je gewoon naar de Turkse politie

of naar de Bulgaarse politie. En dan zeg je tegen hun ik ben een Syriër en wil terug naar mijn

land. Wat ze dan gaan doen, dan gaan ze je oppakken en gaan ze jou twee dagen vasthouden

en dan brengen hun jou terug naar Turkije en in Turkije gaan ze gaan ze jou één dag laten en

dan laten ze jou vrij. (…) Je weet we hebben allemaal gevangenschap meegemaakt, maar

toch zitten wij nu in het land van Jihad. (…) Laat zien aan Allah dat je oprecht bent en insh

Allah ta’ala [als God, boven de mensheid verheven is Hij, het wil] zul je gauw hier zijn. (…)

Mochten ze bijvoorbeeld op de één of andere manier toch eh bewijs hebben dat jullie naar

Syrië wouden gaan (…) dan zeg jij: Oké ik zeg de waarheid, ik wou naar Syrië gaan om

de bevolking te helpen met een hulporganisatie. Ik wou me aansluiten bij een

hulporganisatie en ik wou totaal niet gaan vechten. Ik ben juist bang om te vechten en ik eh

ik kan niet vechten en ik durf niet te vechten. Ik kan totaal niet tegen bloed en dit en dat.30

Op de telefoon van [medeverdachte] zijn twee foto’s aangetroffen waarop respectievelijk [medeverdachte] en verdachte te zien zijn terwijl zij hun paspoorten naast hun gezicht houden.31

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft, toen hij werd geconfronteerd met de van hem aangetroffen foto in de telefoon van [medeverdachte] , verklaard dat deze foto hem deed denken aan de oversteek met de Syrische grens.32 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik maakt van de kunya (bijnaam) [bijnaam verdachte] .33 Zijn tweede naam is [naam verdachte] .

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat bewezen kan worden dat verdachte, samen met [medeverdachte] , de reis naar Turkije en de grens van Turkije met Syrië heeft gemaakt en geprobeerd heeft de Turks-Syrische grens over te steken in de richting van Syrië. Uit bovenstaande fragmenten uit ‘WhatsApp-gesprek 29’ valt in het bijzonder af te leiden dat zij beiden illegaal Turkije zijn binnengekomen en op enig moment samen in Gaziantep waren, vervolgens samen naar Urfa zijn gereisd en daar samen zijn aangehouden en gedetineerd hebben gezeten.

Naar oordeel van de rechtbank kan voorts - anders dan de raadsman heeft betoogd - worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud en strekking van dit WhatsApp-gesprek. De rechtbank acht daarvoor het volgende redengevend. Gezien de wijze waarop op voormelde foto’s wordt geposeerd door verdachte en [medeverdachte] in combinatie met de inhoud van het WhatsApp-gesprek moeten deze foto’s zijn gemaakt op instructie van [Soufiane Z.] en naar hem zijn gestuurd voor een ‘security check’. Verdachte moet hier zelf actief bij betrokken zijn geweest. Er wordt bovendien meermalen in de “we”-vorm gesproken en [medeverdachte] informeert [Soufiane Z.] vanuit detentie niet alleen over zichzelf, maar ook over verdachte en [Soufiane Z.] adviseert zowel [medeverdachte] als verdachte (door te verwijzen naar ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [naam verdachte] ’). Voorts heeft de rechtbank hierbij meegewogen dat verdachte en [medeverdachte] beiden voornemens waren naar Syrië af te reizen, voorafgaand aan hun vertrek intensief contact hebben onderhouden en tijdens de reis naar Syrië steeds samen waren.

De rechtbank concludeert, gezien bovenstaande, dat sprake is geweest van een gezamenlijk doel en een gezamenlijke uitvoering en aldus van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] via WhatsApp hebben gecommuniceerd met een persoon in Syrië, aan wie zij hulp hebben gevraagd om in Syrië te komen en welke persoon hen informatie/advies heeft gegeven over (1) het (illegaal) passeren van de Turks-Syrische grens om in (het strijdgebied van) Syrië te komen en (2) hetgeen zij moesten doen als zij eenmaal in Syrië waren.

Dagvaarding I, feit 1: Voorbereiding/bevordering terroristische misdrijven

Nu de rechtbank de handelingen opgesomd in de onderdelen B - F wettig en overtuigend bewezen acht, ziet zij zich voor de vraag gesteld of verdachte tezamen en in vereniging met een ander die handelingen heeft gepleegd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

WhatsApp-gesprek met [Soufiane Z.]

In het hiervoor aangehaalde WhatsApp-gesprek geeft [Soufiane Z.] te kennen een tussenpersoon te kunnen regelen die [medeverdachte] en verdachte naar Syrië - dat hij later omschrijft als “het land van jihad” - zal brengen. Hij geeft hen adviezen om niet op te vallen en deelt mede dat zij bij binnenkomst moeten zeggen dat zij [Soufiane Z.] van het al-Aqsa bataljon kennen. Wanneer ze worden aangehouden, zegt [Soufiane Z.] dat ze hun paspoorten moeten verstoppen en moeten ontkennen dat zij iets met strijdgroepen hebben te maken. De pasjes van [medeverdachte] en verdachte zijn, aldus [medeverdachte] , dan al bij “dawlah”. Met dawlah wordt Islamitische Staat bedoeld.34 Voorts adviseert [Soufiane Z.] hen om, indien zij naar Nederland worden overgebracht, te zwijgen en anders te verklaren dat ze bij een hulporganisatie wilden werken en bang zijn om te vechten. Nadat ze een paar maanden rustig hebben gedaan in Nederland, kunnen ze de reis naar Syrië weer maken, via Bulgarije, aldus [Soufiane Z.] .

Op grond van de inhoud van dit gesprek kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat verdachte zich samen met [medeverdachte] in Syrië als strijder wilde aansluiten bij de gewapende jihadstrijd. Deze conclusie vindt bovendien steun in de volgende bewijsmiddelen.

Verdachte op social media

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de Facebookpagina’s “ [bijnaam verdachte] ” en “ [naam Facebookagina] ”, het Twitteraccount “ [naam twitteraccount] ” en het YouTubekanaal “ [naam youTubekanaal] ” van hem zijn.35

Op die Facebookpagina’s stonden profielfoto’s van respectievelijk een strijder met zwart-witte vlag en een auto met (vermoedelijk) de zegelvlag alsook het geplaatste bericht: “Lof zij Allah, lof zij Allah.36 We vragen om tot oprechte mensen te horen, net als profeten en martelaars. We zijn weggegaan/opgetreden alleen om het geloof te verankeren”.37 Op de profielfoto van het Twitteraccount zijn strijders met wapens en vingers in lucht te zien.38 Op het YouTubekanaal staan diverse filmpjes, onder meer over Osama bin Laden, een film met de titel “hoe kunnen we tevreden over onszelf zijn door achter te blijven?”, films waarin strijders (vermoedelijk van ISIS) figureren en video’s waarin de zegelvlag te zien is.39

Telefoon van verdachte

Op de telefoon die bij verdachte werd aangetroffen na zijn aanhouding in Nederland (een Samsung S4 mini) werd een aantal jihadistische liederen en toespraken aangetroffen, die deels zijn uitgewerkt.40 Daarnaast werden er volgens verbalisanten tientallen, mogelijk honderden, foto’s op de telefoon aangetroffen van gewapende strijders, al dan niet in combinatie met een zegelvlag. Een aantal van die foto’s is opgenomen in het dossier en daarop zijn onder meer gewapende strijders, de zegelvlag, beulen, vermoedelijk aanstaande executies en onthoofdingen en doden te zien.41

Op de telefoon van verdachte werden verder diverse Facebook en WhatsApp-gesprekken aangetroffen. In deze gesprekken noemde de gebruiker van de telefoon zich [naam verdachte] en [naam verdachte] , zodat vastgesteld kan worden dat verdachte de gebruiker is van de telefoon.42 In één van die gesprekken zegt verdachte “ik ben strijder van Irak”.43 In een ander gesprek met ‘ [betrokkene 3] ’, gevoerd op 24 december 2014 en 28 december 2014, zegt verdachte ‘hijra (migratie) is verplicht’ en antwoordt hij op de vraag wat zijn geloofsovertuiging of geloofsleer is ‘jihadistische salafisme’. In een ander gesprek met ‘ [betrokkene 4] ’, stuurt verdachte een audiobericht waarin een onbekende man spreekt over de jihad, de leider van IS prijst en moslims oproept om de jihad uit te voeren.44

Verklaring van de vader van verdachte

Zoals hierboven reeds is overwogen heeft de vader van verdachte verklaard dat verdachte heeft gesproken over vechten in Syrië. Verdachte was van mening dat er gevochten moest worden tegen het regime van al-Assad en zou in Syrië als soldaat willen vechten tegen andere soldaten, aldus zijn vader.45

Aangetroffen Arabische teksten

De Arabische teksten die verdachte op enig moment heeft geschreven, althans onder zich heeft gehad, en waaraan de rechtbank hiervoor al enige overwegingen heeft gewijd, hebben onmiskenbaar betrekking op de gewapende jihadstrijd. Verdachte had onder meer de plaatsnaam Deir ez-Zor genoteerd, in welke plaats het aan IS gelieerde al-Aqsa bataljon actief was. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij bij de grens naar de stad boven Raqqa moest gaan.46 Het is een feit van algemene bekendheid dat IS op 29 juni 2014 het kalifaat heeft uitgeroepen met Raqqa als hoofdstad.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank kan bovenstaande bewijsmiddelen niet anders duiden dan dat verdachte samen met [medeverdachte] naar Syrië is gereisd om zich aldaar als strijder aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. Zoals reeds is overwogen, houdt deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven in.

Voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde strafbare feit is echter ook vereist dat verdachte de gedragingen heeft verricht met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan, dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding of bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan.

De hiervoor beschreven handelingen van verdachte voldoen naar het oordeel van de rechtbank aan die eis van concreetheid, nu vaststaat dat verdachte het plan had opgevat om (1) aan het einde van zijn reis (2) in Syrië (3) als strijder deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd en in dat kader anderen te doden.47 De rechtbank acht, gezien het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met de handelingen genoemd in de onderdelen B – F van de tenlastelegging tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven.

De verklaring van verdachte, kort gezegd inhoudende dat hij met legale intenties naar Syrië wilde afreizen, wordt door de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen weerlegd, nog daargelaten dat hij over die intenties wisselend heeft verklaard.

Dagvaarding I, feit 2: Poging tot deelneming aan een terroristische criminele organisatie

Nu de rechtbank de handelingen onder onderdelen B - F wettig en overtuigend bewezen acht, ziet zij zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander, door aldus te handelen, hebben gepoogd deel te nemen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen.

Juridisch kader (terroristische) criminele organisatie

Voor een uitgebreide beschrijving van het juridisch kader van de (terroristische) criminele organisatie, verwijst de rechtbank wederom naar haar vonnis van 10 december 2015.48

Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen

140 en 140a Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oog heeft zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven welke door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan een misdadige organisatie.

Met een organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.49 Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.50

Voor een bewezenverklaring van artikel 140 Sr is daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt.51 De criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben.52 De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de voorstelling van de organisatie edel einddoel.53 Het bijzondere aan artikel 140a Sr, het artikel over de criminele terroristische organisatie, is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voor een bewezenverklaring van het bestaan van een criminele terroristische organisatie moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven.54

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.55

Jihadistische strijdgroepen

Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 10 december 2015 vastgesteld dat er in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra.56 Op dat moment waren de gewapende groepen voldoende georganiseerd, waardoor zij de beschikking hadden over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en grootschalige militaire operaties konden uitvoeren. Er was aldus sprake van verschillende samenwerkingsverbanden met een grote mate van duurzaamheid en structuur. Dit was ten tijde van de ten laste gelegde periode niet anders. Zoals reeds overwogen, was het naaste doel van deze verscheidene jihadistische strijdgroepen het plegen van terroristische misdrijven en kunnen zij derhalve worden beschouwd als criminele terroristische organisaties. Jabhat al Nusra en IS zijn dan ook op de sanctielijsten van de EU en VN geplaatst als verboden terroristische organisaties.57

Deelneming

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.58 Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.59 Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie.60

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enig vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete misdrijven is niet vereist.61

Indien wordt aangesloten bij een jihadistische strijdgroep, zal altijd (direct of indirect) een bijdrage worden geleverd aan de strijdgroep en is daarmee sprake van het leveren van een feitelijke bijdrage en dus deelneming aan een criminele terroristische organisatie.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de gedragingen van verdachte en zijn intenties, waaruit - heel kort gezegd - volgt dat verdachte zich samen met [medeverdachte] als strijder wilde aansluiten bij de gewapende jihadstrijd. Uit voormelde bewijsmiddelen volgt voorts het hierbij ging om IS en het aan IS gelieerde al-Aqsa bataljon. Gezien de aard en inhoud van hun handelen is er naar het oordeel van de rechtbank bovendien sprake van een begin van uitvoering. Gelet hierop kan de conclusie geen andere zijn dan dat ook bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft gepoogd deel te nemen aan een terroristische criminele organisatie.

Afsluitende opmerking over dagvaarding I: opvattingen van verdachte

De rechtbank heeft uit louter de gedragingen van de verdachte afgeleid dat hij zich samen met [medeverdachte] heeft voorbereid op het plegen van terroristische misdrijven en deze misdrijven heeft bevorderd en dat hij heeft gepoogd heeft zich aan te sluiten bij een jihadistische strijdgroep. Voor de overtuiging dat verdachte hiertoe het oogmerk had, neemt de rechtbank mee dat deze gedragingen naadloos passen bij de opvattingen van verdachte, zoals hij die ten overstaan van anderen en op sociale media heeft geuit. Deze opvattingen zijn vooral een inspiratiebron geweest voor het handelen van verdachte.

Verweten handelingen onder dagvaarding II, feiten 1 en 2: onderdelen A - D

Verdachte worden onder dagvaarding II, feiten 1 en 2, onderdelen A - D diverse handelingen verweten, die een poging om deel te nemen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen, zouden opleveren (feit 1). Diezelfde handelingen zou hij hebben gepleegd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen (feit 2).

In de eerste plaats zou hij zich “het radicale extremistische gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd eigen hebben gemaakt” (onderdeel A). Vervolgens zou hij - kort gezegd - geprobeerd hebben financiële middelen te werven voor de reis naar Syrië, zijn verblijf aldaar en de gewelddadige jihadstrijd (de rechtbank begrijpt: in Syrië) (onderdeel B), via Duitsland en/of Bulgarije de reis naar Turkije hebben gemaakt (onderdeel C) en nabij de Syrische grens in de Turkse stad Hatay zijn geweest met het doel zich naar het strijdgebied in Syrië te begeven (onderdeel D).

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verschillende onderdelen het volgende.

Onderdeel A

Voor wat betreft het radicale extremistische gedachtegoed verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover heeft overwogen onder het kopje “onderdeel A” van Dagvaarding I. Op grond van die overwegingen geldt ook hier dat niet bewezen kan worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terrroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed eigen maakte. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Zoals hierboven reeds is overwogen, betekent dit niet dat bedoeld gedachtegoed geen enkele rol kan spelen bij de beoordeling van de bewijsbaarheid van de gehele tenlastelegging.

Onderdeel B

Onder dit onderdeel wordt verdachte verweten dat hij heeft geprobeerd financiële middelen te werven voor de reis naar Syrië, zijn verblijf aldaar en de gewelddadige jihadstrijd (de rechtbank begrijpt: in Syrië).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en daartoe aangevoerd dat verdachte volgens [betrokkene 1] altijd veel geld bij zich had, soms wel eens 300 euro. Daarnaast heeft de moeder van verdachte aan de politie verteld dat verdachte haar om 100 euro had gevraagd.

De rechtbank stelt voorop dat het onduidelijk is wanneer verdachte zijn moeder om geld heeft gevraagd. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat dit (zeer) kort voor zijn vertrek is geweest, noch waar dit geld voor bestemd was. Voor zover verder al kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan zijn vertrek (veel) geld bij zich had, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat dit geld bestemd zou zijn geweest voor zijn reis. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Onderdelen C en D

Onder deze onderdelen wordt verdachte verweten dat hij via Duitsland en/of Bulgarije de reis naar Turkije heeft gemaakt (onderdeel C) en nabij de Syrische grens in de Turkse stad Hatay heeft verbleven om uiteindelijk naar het strijdgebied in Syrië te kunnen gaan (onderdeel D).

Reisbewegingen verdachte

Verdachte werd op 27 februari 2016 gecontroleerd op luchthaven van Düsseldorf. Hij heeft aldaar een vlucht naar Istanbul genomen en was in het bezit van een vervolgticket naar Bulgarije.62 Blijkens informatie van Europol van de Bulgaarse Nationale Eenheid heeft verdachte op 28 februari 2016 ingecheckt in een hotel in Sofia te Bulgarije. Hij heeft daar niet de nacht doorgebracht, maar is die dag op enig moment opgehaald door een persoon genaamd ‘ [betrokkene 2] ’ die later verklaarde verdachte naar ‘Gyeshevo’ (nabij de Bulgaarse grens) te hebben gebracht. Daar zou verdachte de bus met [busnummer] hebben genomen naar Turkije. Deze bus is op 28 februari 2016 aangekomen in ‘Gyeshevo’ en heeft Bulgarije op 29 februari 2016 verlaten op weg naar Turkije.63 Op 20 juni 2016 laat de liaison in Turkije weten dat verdachte op 13 mei 2016 in Hatay is aangehouden tijdens zijn poging door te reizen naar Syrië.64

Conclusie van de rechtbank

Gezien bovenstaande kan worden vastgesteld dat verdachte via Duitsland en/of Bulgarije de reis naar Turkije heeft gemaakt en nabij de Syrische grens in de Turkse stad Hatay heeft verbleven. De rechtbank acht de onderdelen van de tenlastelegging die hierop betrekking hebben, in zoverre bewezen. De rechtbank zal hierna nog uiteenzetten of zulks was “ten behoeve van het zich begeven naar het strijdgebied in Syrië” en voorts wat deze handelingen opleveren.

Dagvaarding II, feit 1: Poging tot deelneming aan een terroristische criminele organisatie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met de bewezenverklaarde handelingen in onderdelen C en D heeft gepoogd deel te nemen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (feit 1).65 De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte deze handelingen heeft gepleegd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen (feit 2).

Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat verdachte eind 2014 heeft geprobeerd om via Turkije uit te reizen naar Syrië om zich daar als strijder aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd en aldus gepoogd heeft zich aan te sluiten bij een terroristische criminele organisatie en terroristische midrijven heeft voorbereid en/of bevorderd. Verdachte is op verdenking van deze feiten in april 2015 vastgezet en heeft in voorlopige hechtenis verbleven tot en met 26 mei 2015, met ingang van welke datum de voorlopige hechtenis werd geschorst - onder meer - onder de voorwaarde dat verdachte zich zou laten plaatsen op de Forensisch Psychiatrische Afdeling van (reclassering) Palier. In februari 2016 is verdachte vervolgens vertrokken.

De rechtbank acht in dit verband het reeds aangehaalde fragment uit ‘WhatsApp-gesprek 29’ tussen [medeverdachte] en [Soufiane Z.] van belang.66 Toen het erop leek dat verdachte en [medeverdachte] na hun eerste uitreispoging naar Nederland zouden worden overgebracht, adviseerde [Soufiane Z.] immers om te ontkennen dat zij zich in Syrië wilden aansluiten bij de gewapende jihadstrijd, zich in Nederland even gedeisd te houden en later weer te proberen naar Syrië te reizen, dit keer via Duitsland en Bulgarije. Dit lijkt nu precies te zijn geweest wat verdachte heeft gedaan. Immers, hij is in februari 2016 via Duitsland en Bulgarije naar Turkije gereisd. In oktober 2015 is ook [medeverdachte] via Bulgarije richting Syrië gereisd.67 In Hatay, blijkens Google Maps zeer nabij de Turks-Syrische grens gelegen, is verdachte wederom aangehouden. Verdachte heeft dit gedaan terwijl hij nota bene in een schorsing liep en heeft aldus de voorwaarden van deze schorsing overtreden.

Deze feiten en omstandigheden lijken uitsluitend te wijzen op een hernieuwe poging van verdachte om zich in Syrië als strijder aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd en schreeuwen dan ook om een uitleg van de verdachte. Verdachte heeft evenwel, ondanks herhaalde pogingen van de politie en de rechtbank, geen enkele verklaring willen afleggen omtrent deze reis. De rechtbank kan, gelet hierop, de gedragingen niet anders uitleggen dan dat verdachte wederom heeft gehandeld met als doel zich te begeven naar het strijdgebied in Syrië om zich als strijder aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd in Syrië en daarbij opnieuw is gestrand in de grensstreek van Turkije en Syrië.

Conclusie van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de handelingen van verdachte een begin van uitvoering op en zij acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd om als strijder deel te nemen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een aan die organisatie(s) gelieerde organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen (feit 1).

Dagvaarding II, feit 2: Voorbereiding/bevordering terroristische misdrijven

Zoals hierboven reeds is overwogen, houdt deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven in. Deze handelingen van verdachte voldoen naar het oordeel van de rechtbank tevens aan - voormelde - vereisten van concreetheid als bedoeld in artuikel 96 lid 2, Sr, nu vaststaat dat verdachte het plan had opgevat om (1) aan het einde van zijn reis (2) in Syrië (3) als strijder deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd en in dat kader anderen te doden.68 De rechtbank acht dan ook eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met de handelingen onder onderdelen C en D schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven (feit 2). Voor de overtuiging dat verdachte hiertoe het oogmerk had, neemt de rechtbank ook hier mee dat deze gedragingen naadloos passen bij de opvattingen van verdachte, zoals hij die ten overstaan van anderen en op sociale media heeft geuit.

5.5

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals omschreven in bijlage II.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Hoewel verdachte in het verleden heeft aangegeven met psychische problemen te kampen, die bij de bewezenverklaarde feiten mogelijk een rol zouden hebben gespeeld, heeft verdachte nadien niet mee willen werken aan het opmaken van gedragskundige rapportages. Voorts heeft hij nadien meermalen verklaard dat hij zijn psychische problemen heeft verzonnen. Dientengevolge acht de rechtbank de verdachte strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport d.d. 2 februari 2017 geadviseerd, alsook met de verplichting om zijn ID bewijs in te leveren. De officier van justitie heeft verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten, zodat er geen straf kan volgen.

Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte tijdens zijn voorarrest op de Terroristen Afdeling (TA) van de penitentiaire inrichting Vught heeft verbleven in een bijzonder zwaar regime. Daarnaast zouden de tijd die verdachte in Turkije in detentie heeft gezeten, alsook de periode waarin verdachte heeft verbleven op de FPA van Palier, en dan in ieder geval de drie weken die verdachte in een gesloten setting aldaar heeft doorgebracht, moeten worden verrekend met de aan verdachte op te leggen straf. De raadsman heeft voorts verzocht rekening te houden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, in het bijzonder in de zaken tegen [veroordeelde 1] en [medeverdachte] . In vergelijking met die zaken is de strafeis van de officier van justitie buitengewoon hoog, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts betoogd dat hij de voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd bijzonder zwaar vindt. Wel is het zo dat verdachte bereid is mee te werken aan de voorwaarden, indien dit betekent dat hij minder lang op de TA hoeft te verblijven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Strijd in Syrië

Zoals hiervoor in dit vonnis reeds kort is beschreven, heeft het regime van president al-Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie. Dat geldt evenwel niet voor het deelnemen aan de gewapende strijd. De jihadistische terroristische strijdgroepen hebben tot doel om naast het verjagen van het regime al-Assad ook het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden – christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten – op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.

Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen is het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden – ook internationaal – gezien als één van de ernstigste misdrijven die er zijn. Het afreizen naar Syrië met het doel om dergelijke misdrijven te begaan, moet daarom ontmoedigd worden.

Handelen verdachte

De jihadistische strijdgroepen in Syrië maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan gruwelijke terroristische misdrijven. Gezien de organisatiestructuren en vele strijders van deze groepen, hun werkwijzen en talloze slachtoffers lijkt het predicaat ‘criminele terroristische organisatie’ voor deze groepen geschreven. Verdachte wilde samen met een ander naar Syrië afreizen om zich daar aan te sluiten bij een dergelijke jihadistische strijdgroep. Hij wenste aldus deel te nemen aan een criminele terroristische organisatie. Hij heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. De rechtbank neemt dit alles verdachte bijzonder kwalijk. Bovendien heeft hij na zijn mislukte poging, ondanks de schorsing van zijn voorlopige hechtenis onder voorwaarden, nogmaals geprobeerd naar Syrië af te reizen. Hij moet op dat moment extra doordrongen zijn geweest van het strafwaardige van zijn handelen. De rechtbank weegt dit dan ook zwaar mee in het nadeel van verdachte. Daarbij komt dat verdachte nog immer niet lijkt te beseffen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten, hetgeen de rechtbank zeer zorgwekkend vindt.

Van de strafoplegging dient in deze zaak voorts een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen.

Daarbij zij opgemerkt dat de rechtbank bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen straf uiteraard zal meewegen dat het om twee pogingen en niet om voltooide delicten gaat. Voorts laat de rechtbank meewegen dat het onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens (of dreiging daarmee) verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd, als het zo ver was gekomen, zou hebben gepleegd.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 5 december 2016 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de diverse rapportages die in het dossier aanwezig zijn omtrent de persoon van verdachte. Met name heeft de rechtbank acht geslagen op het meest recente reclasseringsadvies van 2 februari 2017.

De reclassering adviseert in dit rapport het volwassenenstrafrecht toe te passen. Volgens de reclassering is het netwerk van verdachte mogelijk van directe invloed geweest op zijn beweegredenen naar Syrië te willen reizen, mede gezien zijn beïnvloedbaarheid. Verdachte kan voorts niet meer bij zijn ouders of grootouders wonen, waardoor verdachte naar andere woonruimte op zoek zal moeten. Verdachte heeft steeds tegen de reclassering gezegd dat hij zelfstandige woonruimte wil betrekken, hetgeen volgens de reclassering niet wenselijk is. Verdachte zou inmiddels hebben aangegeven wel open te staan voor een begeleid wonen traject, aldus de reclassering. Voorts zijn er zorgen op de gebieden opleiding/werk en inkomen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, met name nu verdachte ondanks eerdere beweringen dat hij niet naar Syrië wilde afreizen, toch een tweede keer is afgereisd.

In het rapport is verder te lezen dat verdachte zich na zijn eerste terugkomst uit Turkije heeft gepositioneerd als een psychiatrisch patiënt die hulp nodig had, waarna hij hulp heeft gekregen, maar hij vervolgens van de ontstane vrijheden misbruik heeft gemaakt door een nieuwe uitreispoging te doen. Bij terugkomst claimde hij zijn psychische klachten te hebben voorgewend. De reclassering acht zich niet in staat om te beoordelen waar de waarheid ligt en acht het dan ook noodzakelijk dat verdachte, nu hij eerder onderzoek heeft geweigerd, alsnog psychologisch wordt onderzocht. Indien er toch sprake zou zijn van psychische problemen, acht de reclassering behandeling noodzakelijk. De reclassering voegt daar wel aan toe dat verdachte een zodanige mate van flexibiliteit ten aanzien van de waarheid hanteert dat elke vorm van begeleiding een moeizame exercitie wordt. Ook wordt het risico op onttrekken aan voorwaarden ingeschat als hoog.

Desondanks adviseert de reclassering oplegging van een meldplicht bij de reclassering Den Haag, de verplichting mee te werken aan diagnostiek en daaropvolgende behandeling, oplegging van een contactverbod met 30 personen en personen op de sanctielijst terrorisme, een locatieverbod rondom internationale luchthavens en landsgrenzen (te monitoren middels GPS controle), een locatiegebod om op afgesproken tijden op zijn verblijfadres te verblijven (te monitoren middels GPS controle), een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het voeren van gesprekken met een deskundige in verband met duiding van en kennisverbreding over de islam.

Straf en bijzondere voorwaarden

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Nu onduidelijk is of verdachte op grond van een Europees Aanhoudingsbevel is aangehouden of slechts is overgebracht vanuit Turkije naar Nederland en derhalve op een andere titel in Turkije in detentie heeft verbleven, komt de periode die verdachte in Turkije in detentie heeft doorgebracht niet voor aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr in aanmerking. De rechtbank zal deze tijd evenwel verdisconteren in de op te leggen straf, nu verdachte van zijn vrijheid is beroofd in directe relatie tot de bewezenverklaarde feiten. De tijd die verdachte al dan niet in gesloten setting heeft doorgebracht bij Palier, is geen voorlopige hechtenis die ingevolge artikel 27 Sr voor aftrek in aanmerking komt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding die tijd in de straf te verdisconteren. De rechtbank zal voorts in zeer beperkte mate meewegen dat verdachte in het zware regime op de TA gedetineerd zit.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, een passende straf. Gezien de periode die verdachte in Turkije in detentie heeft verbleven, zal de rechtbank evenwel een gevangenisstraf opleggen van 31 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Voor wat betreft de bijzondere voorwaarden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een verplichting tot het meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling, nu verdachte eerder heeft aangegeven niet te willen meewerken aan psychologisch onderzoek, ontkent zulks nodig te hebben en hier ook ter terechtzitting onwillig tegenover leek te staan. Daarbij geeft de reclassering zelf al aan dat een dergelijke behandeling een moeizame exercitie zal worden. De rechtbank acht het dan ook niet wenselijk een dergelijke voorwaarde op te leggen.

Daarnaast zal de rechtbank alleen een contactverbod met [Azzedine C.] , [Oussama C.] , [medeverdachte] en [betrokkene 1] opleggen, aangezien enkel ter zake deze personen voldoende is komen vast te staan dat verdachte met hen (op enigerlei wijze) contact heeft onderhouden, terwijl zij worden vervolgd of veroordeeld zijn voor het plegen van terroristische misdrijven.

Voor het overige ziet de rechtbank aanleiding de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd. Dit om het risico op recidive zoveel mogelijk in te perken en verdachte te helpen om na zijn detentie een start te maken om zijn leven weer op orde te krijgen.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte bij wijze van bijzondere voorwaarde te verplichten zijn ID-bewijs in te leveren.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten voorbereiding van terroristische misdrijven en poging tot deelneming aan een criminele terroristische organisatie, meermalen gepleegd. Gelet op het door de reclassering geconstateerde recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen zoals vermeld op de beslaglijst (bijlage III) het volgende gevorderd. De rugtas en telefoon kunnen worden teruggegeven aan verdachte en de Samsung S4 mini en het schrift dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen geen verweer gevoerd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Het in beslag genomen schrift en Samsung S4 mini zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot deze goederen de onder dagvaarding I bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, gezien de aard en inhoud van de in het schrift en op de telefoon aangetroffen aantekeningen, foto’s en/of afbeeldingen. Ten aanzien van de rugtas en andere telefoon zal een last worden gegeven tot teruggave aan degene bij wie het in beslag is genomen: te weten de verdachte.

10 Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft twee voorwaardelijke verzoeken geformuleerd.

De raadsman heeft verzocht de heer [deskundige 2] te horen indien de rechtbank het rapport ‘Bestemming Syrië’ op enigerlei wijze in het vonnis zou gebruiken. Nu de rechtbank dit rapport niet heeft gebruikt, is de voorwaarde niet vervuld en behoeft de rechtbank niet in te gaan op het verzoek van de raadsman

Ter terechtzitting van 8 februari 2017 heeft de officier van justitie een proces-verbaal overgelegd waarin melding wordt gemaakt van een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vader, dat in de penitentiaire inrichting waar verdachte verblijft, is afgeluisterd. De raadsman heeft verzocht om (1) het gesprek woordelijk uit te laten werken en zelf uit te kunnen luisteren en (2) de directeur van de penitentiaire inrichting als getuige te horen, indien de rechtbank dit proces-verbaal wenst te gebruiken voor het bewijs of voor enige andere te nemen beslissing. Nu de rechtbank dit proces-verbaal niet heeft gebruikt, is de voorwaarde niet vervuld en behoeft ook dit verzoek geen verdere bespreking.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36b, 36c, 36d, 45, 47, 57, 83, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/767093-15 onder 1 (onderdeel A) en 2 (onderdeel A) en de bij dagvaarding II met parketnummer 09/767070-16 onder 1 (onderdelen A en B) en 2 (onderdelen A en B) tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/767093-15 onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II met parketnummer 09/767070-16 onder 1 en 2 overigens tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

medeplegen van met het oogmerk om moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen;


ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

medeplegen van poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

met het oogmerk om moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen;

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 31 (EENENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich op uiterlijk de vijfde dag na zijn vrijlating meldt bij Reclassering Nederland, [adres] , en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:

[Azzedine C.] , geboren [geboortedatum] ;

[Oussama C.] , geboren [geboortedatum] ;

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] ;

[betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] ;

- zich gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, niet bevindt op:

 de internationale luchthavens te Nederland, te weten Schiphol, Rotterdam-The Hague, Eelde, Eindhoven en Maastricht;

 de grensgebieden van Nederland met omringende landen, te weten dat hij twee kilometer van de landsgrenzen van Nederland vandaan dient te blijven;

waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden;

- gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, dient te houden aan de afspraken die gemaakt worden met de reclassering ten aanzien van de uren die hij verplicht aanwezig is op zijn verblijfadres (thans nog onbekend), waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

- gedurende de proeftijd, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten een nader te bepalen RIBW of andere woonvorm of een soortgelijke instelling (geïndiceerd door IFZ en/of reclassering), en zich houdt aan het

(dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- gedurende de proeftijd, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht, meewerkt aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe deskundige, gericht op de islam met als doel duiding en kennisverbreding;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde voorwerpen: 1 mobiele telefoon, te weten een Samsung S4 mini, en een schrift en enkele losse blaadjes met daarop Arabische teksten;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen: 1 rugtas en 1 andere mobiele telefoon.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. J.E. Bierling en R.E. Perquin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2017.

Bijlage I: De tenlastelegging

ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/767093-15):

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 23

december 2014 te Nederland en/of Duitsland en/of Turkije,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader [medeverdachte] ),

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamic State (IS) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de gewelddadige

Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië en/of zich aan te

sluiten bij de gewapende Jihadstrijd en/of

C. (via Duitsland) de reis naar Turkije en/of (vervolgens) naar de grens van

Turkije-Syrië gemaakt en/of

D. (via een illegale oversteekplaats) getracht de Turks-Syrische grens over te

steken in de richting van Syrië en/of

E. een of meerdere notitie(s) en/of tekening(en) gemaakt, althans onder zich

gehad, betreffende de gewapende Jihadstrijd en/of deze notitie(s) en/of

tekening(en) meegenomen, althans in bezit gehad, gedurende genoemde reis in de

richting van Syrië en/of

F. gecommuniceerd door middel van Whattsapp met een persoon die zich in Syrië

bevindt en aan welke persoon verdachte en/of zijn mededader hulp heeft/hebben

gevraagd om Syrië in te komen en/of welke persoon aan verdachte en zijn

mededader informatie/advies heeft gegeven over het (illegaal) passeren van de

Turks-Syrische grens om zodoende in (het strijdgebied van) Syrië te komen

en/of welke persoon aan verdachte en/of zijn mededader informatie/advies heeft

gegeven over hetgeen verdachte en zijn mededader moest(en) doen als hij/zij

eenmaal in Syrië was/waren,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

(art. 289 jo 289a jo 96 lid 2 jo 157 jo 176a jo 176b Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 23 december

2014 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Duitsland en/of te

Turkije,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader ( [medeverdachte] )

voorgenomen misdrijf om deel te nemen aan een organisatie, te weten Islamic

State (IS) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS

en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de

gewelddadige Jihadstrijd voorstaat,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven,

namelijk

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of

opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven

(zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of

-het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of

Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS

en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de

gewelddadige Jihadstrijd voorstaat, heeft/hebben eigen gemaakt en/of

B. zich heeft/hebben geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië en/of

zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd en/of

C. (via Duitsland) de reis naar Turkije en/of (vervolgens) naar de grens van

Turkije-Syrië heeft/hebben gemaakt en/of

D. (via een illegale oversteekplaats) heeft/hebben getracht de Turks-Syrische

grens over te steken in de richting van Syrië en/of

E. een of meerdere notitie(s) en/of tekening(en) heeft/hebben gemaakt, althans

onder zich gehad, betreffende de gewapende Jihadstrijd en/of deze notitie(s)

en/of tekening(en) meegenomen, althans in bezit gehad, gedurende genoemde reis

in de richting van Syrië en/of

F. heeft/hebben gecommuniceerd door middel van Whattsapp met een persoon die

zich in Syrië bevindt en aan welke persoon verdachte en/of zijn mededader hulp

heeft/hebben gevraagd om Syrië in te komen en/of welke persoon aan verdachte

en zijn mededader informatie/advies heeft gegeven over het (illegaal) passeren

van de Turks-Syrische grens om zodoende in (het strijdgebied van) Syrië te

komen en/of welke persoon aan verdachte en/of zijn mededader informatie/advies

heeft gegegeven over hetgeen verdachte en/of zijn mededader moest(en) doen als

hij/zij eenmaal in Syrië was/waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 140a Jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/767070-16):

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2016 tot en met 13 mei 2016

te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Duitsland en/of te Bulgarije

en/of te Turkije,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om deel te nemen

aan een organisatie, te weten Islamic State (IS) en/of Jabhat al Nusra,

althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een)

organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot

oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, namelijk

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

-het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of

Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS

en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de

gewelddadige Jihadstrijd voorstaat, (verder) heeft eigen gemaakt, en/of

B. financiële middelen heeft getracht te werven voor de (hierna genoemde) reis

richting Syrië en/of zijn, verdachtes, (toekomstig) verblijf in Syrië ten

behoeve van de gewelddadige jihadstrijd, en/of

C. via Duitsland en/of Bulgarije de reis naar Turkije heeft gemaakt, en/of

D. in de Turkse stad Hatay, nabij de Syrische grens, is verbleven ten behoeve

van het zich begeven naar het strijdgebied in Syrië,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 140a Jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2016 tot en met 13 mei 2016

te Nederland en/of Duitsland en/of Burgarije en/of Turkije,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft hij, verdachte,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamic State (IS) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de gewelddadige

Jihadstrijd voorstaat, (verder) eigen gemaakt en/of

B. financiële middelen getracht te werven voor de (hierna genoemde) reis

richting Syrië en/of zijn, verdachtes, (toekomstig) verblijf in Syrië ten

behoeve van de gewelddadige jihadstrijd, en/of

C. via Duitsland en Bulgarije de reis naar Turkije gemaakt, en/of

D. in de Turkse stad Hatay, nabij de Syrische grens verbleven ten behoeve van

het zich begeven naar het strijdgebied in Syrië,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

(art. 289 jo 289a jo 96 lid 2 jo 157 jo 176a jo 176b Wetboek van Strafrecht)

Bijlage II: De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/767093-15):

1.

omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 23

december 2014 te Nederland en Duitsland en Turkije,

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader ( [medeverdachte] ),

B. zich geuit over zijn wens zich te begeven naar Syrië en zich aan te

sluiten bij de gewapende Jihadstrijd en

C. via Duitsland de reis naar Turkije en vervolgens naar de grens van

Turkije-Syrië gemaakt en

D. via een illegale oversteekplaats getracht de Turks-Syrische grens over te

steken in de richting van Syrië en

E. een of meerdere notities gemaakt, althans onder zich gehad, betreffende de gewapende Jihadstrijd en

F. gecommuniceerd door middel van WhatsApp met een persoon die zich in Syrië

bevindt en aan welke persoon verdachte en zijn mededader hulp hebben

gevraagd om Syrië in te komen en welke persoon aan verdachte en zijn

mededader informatie/advies heeft gegeven over het (illegaal) passeren van de

Turks-Syrische grens om zodoende in het strijdgebied van Syrië te komen

en welke persoon aan verdachte en zijn mededader informatie/advies heeft

gegeven over hetgeen verdachte en zijn mededader moesten doen als zij

eenmaal in Syrië waren,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

2.

omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 23 december

2014 te Nederland en Duitsland en Turkije, tezamen en in vereniging met een ander

ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader ( [medeverdachte] )

voorgenomen misdrijf om deel te nemen aan een organisatie, te weten Islamic

State (IS) althans (een) aan IS gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie die de

gewelddadige Jihadstrijd voorstaat,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven,

namelijk

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of

-het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

B. zich heeft geuit over zijn wens zich te begeven naar Syrië en

zich aan te sluiten bij de gewapende Jihadstrijd en

C. via Duitsland de reis naar Turkije en vervolgens naar de grens van

Turkije-Syrië hebben gemaakt en

D. via een illegale oversteekplaats hebben getracht de Turks-Syrische

grens over te steken in de richting van Syrië en

E. een of meerdere notitie(s) heeft gemaakt, althans onder zich heeft gehad, betreffende de gewapende Jihadstrijd en

F. hebben gecommuniceerd door middel van WhatsApp met een persoon die

zich in Syrië bevindt en aan welke persoon verdachte en zijn mededader hulp

hebben gevraagd om Syrië in te komen en welke persoon aan verdachte

en zijn mededader informatie/advies heeft gegeven over het (illegaal) passeren

van de Turks-Syrische grens om zodoende in het strijdgebied van Syrië te

komen en welke persoon aan verdachte en zijn mededader informatie/advies

heeft gegeven over hetgeen verdachte en zijn mededader moesten doen als

zij eenmaal in Syrië waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/767070-16):

1.

in de periode van 27 februari 2016 tot en met 13 mei 2016

te Nederland en Duitsland en Bulgarije en Turkije,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om deel te nemen

aan een organisatie, te weten Islamic State (IS) althans (een) aan IS gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot

oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, namelijk

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96

lid 2) en/of

-het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

C. via Duitsland en Bulgarije de reis naar Turkije heeft gemaakt, en

D. in de Turkse stad Hatay, nabij de Syrische grens, is verbleven ten behoeve

van het zich begeven naar het strijdgebied in Syrië,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

in de periode van 27 februari 2016 tot en met 13 mei 2016

te Nederland en Duitsland en Bulgarije en Turkije,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte,

C. via Duitsland en Bulgarije de reis naar Turkije gemaakt, en

D. in de Turkse stad Hatay, nabij de Syrische grens verbleven ten behoeve van

het zich begeven naar het strijdgebied in Syrië,

in welke strijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk.

Bijlage III: De beslaglijst

 1 1 rugtas;

 1 2 mobiele telefoons waarvan 1 Samsung S4 mini (waarop jihadistische teksten en/of afbeeldingen staan);

 1 Een schrift en enkele losse blaadjes met daarop Arabische leuzen.

1 Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 3

2 Voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkelingen in Syrië, zie het vonnis van de rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 6

3 Getiteld ‘Van opstand naar jihad, (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak’, versie van 17 februari 2016

4 [deskundige 1] , 17 februari 2016, p. 12

5 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014

6 [deskundige 1] , 17 februari 2016, paras 2.4 en 2.7

7 Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), 8th Report d.d. 13 augustus 2014

8 IICIS omschrijft dit in een Oral Update op 18 maart 2014 als “imposing their radical ideologies on the civilian population”, zie [deskundige 1] , 17 februari 2016, paras 2.4 en 2.7

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van: het proces-verbaal met het nummer 2015117105 (zaaksdossier Kronos), van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, Basisteam Beresteinlaan, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 522) (hierna: PVI); het proces-verbaal met het nummer DH3R016025/2016059311 (zaaksdossier Ziva), van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche District C, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 50) (hierna: PVII); het proces-verbaal met het nummer DH3R016025/2016059311 (vervolgdossier Ziva), van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche District C, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 21) (hierna: PVIII)

10 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2015, pp 54 en 55

11 PVI, proces-verbaal van verdenkingen d.d. 10 maart 2015 met bijlagen, pp. 17 en 18

12 PVI, proces-verbaal van verdenkingen d.d. 10 maart 2015 met bijlagen, pp. 15 en 20

13 Schriftelijk bescheid, brief van het Openbaar Ministerie van de Republiek Servië d.d. 10 juni 2015, met bijlagen, ongenummerd

14 PVI, proces-verbaal van verdenking d.d. 20 januari 2015, p. 34

15 Schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 2

16 PVI, proces-verbaal van verdenkingen d.d. 10 maart 2015 met bijlagen, p. 38

17 PVI, proces-verbaal van aanhouding en overgave, p. 44; schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 2

18 PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2015, pp. 195-197

19 PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2015, p. 200; PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 november 2015, pp. 362-363

20 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 februari 2017

21 Schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 2

22 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2015, pp. 68-71; PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2015, p. 198; PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 november 2015, pp. 361-362; proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 487-492

23 PVI, proces-verbaal van verdachte d.d. 29 april 2015, p. 198; PVI, proces-verbaal van verdachte d.d. 30 november 2015, pp. 357 en 359

24 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 385, 391 en 442; schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 21;

25 Schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 21

26 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, p. 449

27 Proces-verbaal van bevindingen gebruiker id facebook [bijnaam Soufiane Z.] d.d. 18 februari 2014, p. 3; proces-verbaal van bevindingen herkenning [Soufiane Z.] ‘Oh Oh Aleppo’ d.d. 17 september 2014, p. 1

28 Proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [Soufiane Z.] d.d. 21 oktober 2015, pp. 1-2

29 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2015, p. 2; schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 21

30 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 442-460

31 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 445-446

32 PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 november 2015, pp. 357-358

33 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 februari 2017

34 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, p. 456

35 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 februari 2017

36 De zegelvlag is een vlag die door al-Qaeda is ontworpen. Het ontwerp van deze vlag was gebaseerd op een uitvoerige studie van de islamitische religieuze en historische bronnen over de vlag van de profeet. Omdat niet bekend is hoe de vlag van de profeet er uitzag staat het niet vast dat de door al-Qaeda ontworpen vlag daadwerkelijk de vlag van de profeet of van de islam is. De zegelvlag is door ISI (Islamitische Staat in Irak), later ISIS/ISIL, thans IS geclaimd als hun officiële vlag.

37 PVI, proces-verbaal van bevindingen, onderzoek facebook accounts [naam verdachte] d.d. 19 april 2015, pp. 74-79

38 PVI, proces-verbaal van bevindingen, onderzoek twitter account [naam twitteraccount] d.d. 28 april 2015, pp. 177-179

39 PVI, proces-verbaal van bevindingen, onderzoek Youtube kanaal [naam youTubekanaal] d.d. 28 april 2015, pp. 180-183

40 PVI, proces-verbaal van bevindingen, jihadistische liederen mobiele telefoon [naam verdachte] d.d. 19 juli 2015, pp. 202-205

41 PVI, proces-verbaal van bevindingen onderzoek mobiele telefoon [naam verdachte] d.d. 19 juli 2015, p. 206; PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2015, pp. 210-218

42 Voorts heeft verdachte verklaard dat tijdens zijn detentie niemand anders gebruik maakte van zijn telefoon, zie PVI, proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 november 2015, p. 355 Tijdens mijn detentie maakte niemand anders gebruik van mijn telefoon.

43 PVI, proces-verbaal van bevindingen onderzoek mobiele telefoon [naam verdachte] d.d. 19 juli 2015, p. 206

44 PVI, proces-verbaal van bevindingen chatgesprekken 68 en 75 d.d. 28 april 2015, pp. 114-169

45 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2015, p. 55

46 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2015, pp. 68-71; PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 november 2015, pp. 361-362; proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 487-492; PVI, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2015, pp. 197-198

47 Zie in dit verband ECLI:NL:PHR:2016:1296

48 Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 18

49 ECLI:NL:HR:2010:BK5193, r.o. 4.3

50 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4

51 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2.

52 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 9.

53 HR 6 oktober 1992 NJ 1993, 100 en HR 8 mei 1978 NJ 1978, 314

54 ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, r.o. 10.6.1.1.2.

55 ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4

56 United Nations Human Rights Council, Third report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, U.N. Doc. A/HRC/21/50 (16 August 2012); ICRC, Syria: ICRC and Syrian Arab Red Crescent maintain aid effort amid increased fighting, 17 juli 2012

57 Jabhat al Nusra is op 29 mei 2013 en 30 mei 2013 op respectievelijk de EU sanctielijst en de VN sanctielijst geplaatst; IS (toen nog ISIL) is op 30 mei 2013 en 1 juli 2013 op respectievelijk de VN sanctielijst en EU sanctielijst geplaatst, zie [deskundige 1] , december 2014, pp. 47 en 71

58 ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3

59 HR 3 juli 2012 LJN BW5132, r.o. 2.2.3. en 2.4

60 Zie: artikel 140a, derde lid, jo. 140 Sr, vierde lid, Sr

61 HR 8 oktober 2002 NJ 2003, 64 r.o. 3.3

62 PVII, proces-verbaal van verdenking d.d. 29 februari 2016, p. 18

63 PVIII, schriftelijk bescheid, Europol Siena Information Exchange message d.d. 29 maart 2016, pp. 20-21

64 PVII, proces-verbaal van relaas d.d. 12 juli 2016, p. 4; PVII, schriftelijk bescheid, mail van [naam liaison] van de Liaison Group van de ambassade van Nederland in Turkije, datum onbekend, p. 33

65 De rechtbank verwijst naar hetgeen zij reeds ten aanzien van Dagvaarding I heeft overwogen omtrent de jihadistische strijdgroepen in Syrië, die kunnen worden aangemerkt als terroristische criminele organisaties, en de deelname daaraan.

66 PVI, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016, pp. 442-460

67 Schriftelijk bescheid, vonnis van rechtbank Noord-Holland inzake [medeverdachte] d.d. 26 mei 2016, p. 2

68 Zie in dit verband ECLI:NL:PHR:2016:1296