Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15960

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
AWB 15-21619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers herhaalde aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens het beroep tegen deze beslissing heeft verweerder de minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht (IAB) laten opstellen. Daarna heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van nova. Eiser heeft aangevoerd dat het IAB buiten beschouwing moet blijven. Het is opgesteld in strijd met zijn recht op privéleven en recht op een eerlijk proces. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het IAB aan zijn standpunt ten grondslag heeft mogen leggen en dat eisers gronden over privéleven en het recht op een eerlijk proces niet slagen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/21619

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Azerbeidzjaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, rechtsopvolger van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Waaijer).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard.

Op 8 december 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist.

De mondelinge behandeling van het beroep is gestart op 21 december 2015. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep geschorst om verweerder gelegenheid te bieden om een onderzoek te doen, zoals verzocht door verweerder. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiser om verweerder te verbieden hem uit te zetten toegewezen op dezelfde datum.

Op 12 oktober 2016 heeft de rechtbank van verweerder een op zijn verzoek door de minister van Buitenlandse Zaken (BuZa) opgesteld individueel ambtsbericht (IAB) van 31 augustus 2016 ontvangen. Op 1 november 2016 heeft de rechtbank een reactie van eiser op dit IAB ontvangen. Verweerder heeft op 7 november 2016 een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van het beroep is voortgezet op 10 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.R. Toussaint. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Turkse taal.

De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het beroep nogmaals geschorst om partijen de gelegenheid te bieden zich uit te laten over alternatieven voor de procedure op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om eiser het IAB en de onderliggende stukken te laten controleren en te bevragen. Verweerder beroept zich op geheimhouding van delen van de onderliggende stukken.

Op 17 november 2016 en 2 december 2016 heeft de rechtbank in dit verband brieven van eiser ontvangen. Op 5 december 2016 heeft de rechtbank een reactie van verweerder daarop ontvangen. Op 27 december 2016 heeft de rechtbank nogmaals een brief van eiser ontvangen, waarop verweerder bij brief van 5 januari 2017 heeft gereageerd.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 6 januari 2017 bericht dat zij uit de correspondentie opmaakt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een alternatief. De rechtbank heeft daarom eiser gevraagd of hij wil dat de rechtbank onderzoekt of geheimhouding van (delen van) de stukken gerechtvaardigd is in de procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb. Eiser heeft in zijn brief van 13 januari 2017 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toepassing van artikel 8:29 Awb door de rechtbank.

Op 5 juli 2017 heeft deze rechtbank in andere samenstelling beslist dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van de volledige versie van het IAB en de onderliggende stukken bij de beoordeling van dit beroep.

De mondelinge behandeling van het beroep is voortgezet op 19 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Ook was aanwezig [naam] , tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

De aanvraag van eiser en wat daaraan voorafging

1. Eiser deed een eerste asielaanvraag op 24 juli 2012. Eiser heeft bij die aanvraag verklaard dat hij is gevlucht omdat hij bang is opgepakt en vastgezet te worden voor uitlatingen die hij over de Azerbeidzjaanse overheid in verschillende media heeft gedaan naar aanleiding van de arrestatie van zijn broer, zijn lidmaatschap van jongerenorganisatie [naam] en deelname aan verschillende demonstraties gericht tegen de overheid in Azerbeidzjan.

2. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen in zijn besluit van 1 augustus 2012. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 mei 2013, met zaaknummer 201302392/1/V3.

3. Eiser heeft een nieuwe aanvraag gedaan op 8 juli 2015. Over die aanvraag gaat dit beroep. Eiser heeft aan deze aanvraag hetzelfde relaas ten grondslag gelegd. Daaraan heeft eiser toegevoegd dat zijn vader is bedreigd met het oogmerk de verblijfplaats van eiser te achterhalen, en dat zijn broer is lastiggevallen door de politie. Bij de aanvraag heeft hij de volgende stukken overgelegd:

  • -

    politieoproepen gericht aan eiser van de Azerbeidzjaanse politie van 19 augustus 2014 (met nummer [nummer] ) en 6 november 2014 (met nummer [nummer] );

  • -

    bijzondere oproep gericht aan eiser van het Azerbeidzjaanse Openbaar Ministerie van 18 februari 2015 met nummer [nummer] (tezamen met de politieoproepen: de oproepen);

  • -

    brief gericht aan eiser van het Azerbeidzjaanse Ministerie van Binnenlandse zaken van 6 november 2015, met nummer [nummer] ;

  • -

    rapport van 2 juli 2015 van [naam] , Deputy Director Europe and Central Asia Division Human Rights Watch ;

  • -

    rapport van 3 juli 2015 van [naam] , Expert op het gebied van de landen behorend tot de voormalige Sovjet-Unie ;

  • -

    brief [naam] , Manager Expertise Vluchtelingenwerk Nederland , van
    23 december 2014;

  • -

    rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) van 19 augustus 2015.

Eiser heeft in het verloop van de procedure verder nog de volgende aanvullende stukken overgelegd:

- een verklaring van [naam] , [functie] en [functie] van [naam] , over een in de vorige procedure overgelegde brief van 18 juli 2012;

- een kopie paspoort van [naam] ;

- een domicilieverklaring van het adres van de moeder van eiser;

- een huurcontract van het adres [naam] ;

- getuigenverklaringen en een ambulanceverklaring ter onderbouwing van de verblijfplaats van eiser en zijn familieleden;

- een artikel van de BBC over strafbaarstelling van het beledigen van de president;

- een artikel van FMS over dissidenten in Azerbeidzjan;

- een artikel van Amnesty International over gevangenisstraf wegens graffiti in Azerbeidzjan;

- een verzoek van 14 december 2016 van advocaat [naam] aan het ministerie van Binnenlandse Zaken van Azerbeidzjan waarin wordt gevraagd of eiser is opgeroepen om naar het politieonderdeel 16 te komen;

- een (bevestigend) antwoord van 14 december 2016 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Azerbeidzjan;

- de identiteitskaart van advocaat [naam] ;

- een brief van 8 februari 2017 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Azerbeidzjan gericht aan de advocaat [naam] .

De besluitvorming van verweerder

4. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 omdat de aanvraag van eiser een opvolgende aanvraag betreft waaraan geen nieuwe relevante elementen of bevindingen (nova) aan ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van de oproepen heeft verweerder overwogen dat deze niet als nova kunnen gelden en daarvoor verwezen naar een rapport van Bureau Documenten (BD) van 29 juli 2015. In dit rapport concludeert BD dat onvoldoende referentiemateriaal aanwezig is om de authenticiteit van de oproepen te kunnen vaststellen. Ten aanzien van de rapporten van [naam] , [naam] en [naam] heeft verweerder overwogen dat zij niet afkomstig zijn van een objectieve en verifieerbare bron en daarom niet als nova aangemerkt kunnen worden. Ten aanzien van het iMMO-rapport heeft verweerder het volgende overwogen. Het rapport, waarin de conclusie is opgenomen dat de psychische klachten van eiser interfereren met het vermogen om een compleet, coherent en consistent relaas te kunnen doen kan niet als novum gelden. Het rapport is drie jaar na het nader gehoor in de eerste aanvraag opgemaakt, verweerder heeft destijds advies ingewonnen van Medifirst waaruit niet van met verklaringen interfererende psychische klachten bleek en uit de verklaringen van eiser in het nader gehoor, ook niet desgevraagd, is gebleken van dergelijke problemen.

5. Nadat verweerder het IAB heeft ontvangen heeft verweerder zijn standpunten over nova gehandhaafd. De minister van BuZa concludeert onder andere dat de overgelegde oproepen geen onvervalste documenten betreffen, dat eiser geen lid was van [naam] en dat de in de eerste procedure overgelegde brief van [naam] van 18 juli 2012 geen onvervalst document is. Verweerder gaat uit van het IAB omdat het een deskundigenbericht is. In de kritische kanttekeningen van eiser ziet verweerder geen aanleiding om het IAB niet bij de procedure te betrekken. Het is daarom geenszins aannemelijk dat eiser wordt gezocht door de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Verweerder neemt daarom de conclusies van het IAB over.

De beoordeling van de rechtbank

Hoe moet het besluit van verweerder worden gekwalificeerd?

6. Voorop staat dat niet in geschil is dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a van de Vw 2000. Omdat de aanvraag dateert van vóór de implementatie van de Procedurerichtlijn1 kon verweerder niet afdoen op deze manier. Dit kon alleen toen de richtlijn in werking was getreden. Verweerder had ervoor kunnen kiezen de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

7. Voordat de rechtbank over dit verzoek van verweerder kan beslissen ziet zij zich voor de vraag gesteld of verweerder hier binnen het kader van artikel 4:6 van de Awb heeft beslist. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 31 van de Vw 2000 heeft gemaakt door het laten uitvoeren van een onderzoek door BuZa en het opstellen van het IAB. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het IAB is aangevraagd om zekerheid te krijgen over de vraag of eiser nova aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. De vragen van verweerder die ten grondslag lagen aan het IAB zien immers op hetgeen eiser als nova heeft aangevoerd. Dat daarin een vraag besloten ligt naar vervolging door de Azerbeidzjaanse overheid is inherent aan de inhoud van deze stukken en kan daaraan dus niet afdoen.

8. De rechtbank zal het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. De rechtsgevolgen van de gehanteerde afdoeningswijze zijn namelijk niet wezenlijk verschillend van de rechtsgevolgen van de juiste afdoeningswijze. Eiser is door het gebrek dus niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank zal het besluit van verweerder toetsen aan de hand van de beroepsgronden van eiser als ware de aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Dit houdt in dat de rechtbank een oordeel moet geven over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nova aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Daarbij zal de rechtbank ook kijken naar de stukken die eiser daaraan heeft toegevoegd in de beroepsfase.

Heeft eiser nova aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd?

9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn standpunt dat eiser geen nova heeft aangevoerd onvoldoende heeft gemotiveerd. Primair heeft eiser het standpunt ingenomen dat verweerder niet heeft betwist dat hij de president heeft beledigd en dat hij naar buitenlandse ambassades is gegaan voor hulp. De situatie in Azerbeidzjan is gewijzigd omdat critici van de overheid harder worden aangepakt. Dit alles is voldoende om negatieve belangstelling aan te nemen. Eiser verwijst hiervoor naar een artikel van Amnesty International van 26 oktober 2016 getiteld ‘Azerbaijan: Ten years in jail for youth activist who sprayed graffiti is a travesty of justice’, een artikel van de BBC van 1 december 2016 getiteld ‘Azerbaijanis may be jailed for insulting president on social media’ en een artikel van FMS van 24 november 2016, getiteld ‘Interview with [naam] : Azeri dissidents and human rights activists’.

10. De rechtbank overweegt dat in rechte vaststaat dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet vanwege zijn kritiek op de president in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. De gewijzigde situatie, onderbouwd met de overgelegde artikelen, doet daar niet aan af, omdat er niet uit volgt dat eiser persoonlijk wordt vervolgd voor zijn uitlating jegens de president of bezoeken aan de ambassade, dan wel dat eiser lid was van de [naam] beweging.

11. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder niet van het IAB heeft mogen uitgegaan, omdat bij het opstellen daarvan diverse rechtsregels zijn geschonden. Zo is zonder toestemming van eiser gevoelige informatie met de minister van Buitenlandse Zaken en diens vertrouwenspersoon in Azerbeidzjan gedeeld. Dat is in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en eisers recht op privéleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).2 Ook is het zonder toestemming delen van de informatie en de wijze waarop aan eiser inzicht wordt onthouden in de totstandkoming van het IAB in strijd met het verdedigingsbeginsel vervat in artikel 6 van het EVRM.3 Eiser heeft vooraf geen enkele invloed kunnen uitoefenen op het onderzoek en kan het voor hem belastende IAB niet weerleggen op basis van de vorm waarin de onderliggende stukken aan hem zijn overgelegd, omdat deze voor een groot deel geheim zijn gehouden. De procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb vormt een onvoldoende waarborg ter bescherming van deze persoonlijke rechten.

12. De rechtbank volgt dit betoog niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, heeft hij op grond van de Wbp en het Voorschrift Vreemdelingen (VV) de bevoegdheid om bijzondere persoonsgegevens in het kader van een asielaanvraag te verstrekken aan de minister van BuZa of door de minister van BuZa voorgedragen onderzoekers voor het verrichten van onderzoek in het buitenland.4 Het verbod op verwerking van bijzondere persoonsgegevens (zonder toestemming) is hier niet van toepassing. Verweerder heeft blijkens de toelichting bij het VV deze uitzondering op de Wbp gemaakt in het kader van een zwaarwegend algemeen belang. Dat belang ziet naar het oordeel van de rechtbank op de zorgvuldige behandeling van een asielaanvraag, waarbij verweerder eiser tegemoet komt in de bewijslast. Verweerder heeft verder regels gesteld ter waarborging van het recht op privéleven in de artikelen 7.1c, tweede lid, en 7.1d van het VV. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden. De inmenging in het privéleven van eiser is voorzien bij wet en noodzakelijk ter bescherming van het economisch welzijn van het land en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

13. Verweerder heeft verder verklaard dat eiser niet is betrokken bij het opstellen van het IAB om de vertrouwelijkheid van de door BuZa gebruikte methoden en de veiligheid van ingezette personen in Azerbeidzjan te waarborgen. Mede gelet op de beslissing van deze rechtbank dat vertrouwelijkheid van de niet met eiser gedeelde gegevens gerechtvaardigd is, heeft verweerder dit standpunt kunnen innemen. Het beroep van eiser op artikel 6 van het EVRM dan wel artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie kan hem hier niet baten. Eiser heeft in dit verband een arrest van het [naam] aangehaald. Dit arrest ziet niet op de situatie van eiser. In de zaak die daar voorlag waren aan de justitiabele hoge boetes opgelegd. In dat arrest was sprake van punitieve sancties. De situatie van eiser is daarmee niet vergelijkbaar. Eiser vraagt verweerder om bescherming, waarbij verweerder eiser tegemoet komt in de bewijslast die bij die claim hoort. De rechtbank erkent dat eiser met een gebrek aan mogelijkheden kampt om te kunnen controleren of het IAB zorgvuldig is opgesteld en bij het bestrijden van de conclusies die volgen uit de geraadpleegde bronnen. De rechtbank overweegt dat de rechtbank in andere samenstelling de geheimhouding (kritisch) heeft bekeken en na nadere vragen akkoord heeft bevonden. Eiser is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank door de procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb en het inzien van de onderliggende stukken door de rechtbank binnen de mogelijkheden voldoende gecompenseerd. Verweerder heeft dan ook het IAB aan zijn afwijzing ten grondslag kunnen leggen.

14. De rechtbank is concluderend van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nova aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het IAB met toestemming van partijen gezien. Gelet op de inhoud daarvan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser de authenticiteit van de oproepen en de brief van 6 november 2015 van het Azerbeidzjaanse ministerie van Binnenlandse Zaken, alsmede zijn lidmaatschap van [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt. De door eiser in beroep overgelegde brieven van advocaat [naam] en de antwoorden daarop van de Azerbeidzjaanse autoriteiten die eiser op 13 januari 2017 heeft overgelegd kunnen hieraan niet afdoen. Het rapport van [naam] van 3 juli 2015 kan deze conclusies ook niet weerleggen. In het rapport worden de documenten immers op ‘plausibility’ beoordeeld voornamelijk in de context van de algemene situatie en de politieke verhoudingen in Azerbeidzjan. Dit kan niet tot een ander oordeel leiden over de authenticiteit van de documenten. Voor zover door [naam] gebruik is gemaakt van vergelijkingsmateriaal is onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de methoden zijn die hij heeft gebruikt om tot zijn conclusies te komen. Deze conclusies zijn dus onvoldoende verifieerbaar. In de brieven van [naam] van 2 juli 2015 en [naam] van 23 december 2014 worden vergelijkbare analyses verricht, waarin conclusies over de plausibiliteit van eisers verhaal gebaseerd worden op de algemene situatie in Azerbeidzjan. Net als het rapport van [naam] en eisers beroep op de verslechtering van de situatie in Azerbeidzjan kunnen deze brieven dus ook niet als nova gelden nu ze niet ingaan op persoonlijke risico’s die eiser loopt bij terugkeer, ofwel niet in de plaats kunnen worden gesteld van de beoordeling van verweerder in het besluit op de vorige aanvraag. De brief van [naam] van 18 juli 2012 was al in de vorige procedure overgelegd. Daarover heeft verweerder overwogen dat uit de inhoud niet blijkt dat eiser lid was van [naam] . De verklaring van de gestelde opsteller dat hij deze brief zelf getekend heeft en een bijgevoegde kopie van diens paspoort maken dat niet anders. Dit zijn dus ook geen nova. De stukken van eiser die zien op de plekken waar hij en zijn familie wonen of gewoond hebben in Azerbeidzjan zijn in het licht van het voorgaande van onvoldoende zelfstandige betekenis om af te doen aan het vorige besluit en kunnen dus daarom niet gelden als nova.

15. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport van 19 augustus 2015 geen novum is. Voorzover in het rapport uitspraken worden gedaan over de geloofwaardigheid van eisers relaas kan dat slechts dienen als steunbewijs en niet als weerlegging van de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder.5 Voorzover het rapport ziet op het vermogen van eiser om te verklaren heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het rapport 3 jaar na de gehoren in de eerste aanvraag is opgesteld en daarom niet als novum kan gelden.

16. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

17. De rechtbank zal verweerder wegens het onder 6. geconstateerde gebrek in de door eiser gemaakte proceskosten veroordelen. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3167. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 21 december 2015, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 10 november 2016, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 19 oktober 2017, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

2 Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale raad van beroep van 11 januari 2017, (ECLI:NL:CRVB:2017:51).

3 In dit verband verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese Unie van 17 december 2015, met zaaknummer C-419/14.

4 Op grond van de artikelen 23, aanhef en eerste lid, onder e van de Wbp in samenhang met artikel 7.1a, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 7.1c, eerste lid, aanhef en onder a, van het VV.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2016 (201605668/1/V2).