Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15915

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
NL17.11626
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, niet als minderjarige hoeven aanmerken, geen authentieke en identificerende documenten overgelegd, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11626


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11627, plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M. Issa, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is A. Solomon als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 6 juli 2017 asiel aangevraagd en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2000 en de Eritrese nationaliteit te hebben.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hier niet tijdig op gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres meent dat zij niet naar Italië mag worden overgedragen omdat zij minderjarig is en zich als alleenstaande minderjarige niet in Italië kan handhaven. De omstandigheden in Italië zijn slecht. Opvang, watervoorzieningen en medische zorg ontbreken. Italië komt zijn internationale verplichtingen niet na. Eiseres meent dat het niet in behandeling nemen van het asielverzoek getuigt van onevenredige hardheid. Eiseres beroept zich op artikel 17 van de Dublinverordening.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 7 oktober 2016 op illegale wijze via Italië het EU-gebied is ingereisd. Eiseres heeft op 3 maart 2017 in Duitsland asiel aangevraagd als [naam eiseres], geboren op [geboortedatum 2] 1996 van Eritrese nationaliteit. Duitsland heeft Italië op 10 april 2017 gevraagd eiseres over te nemen op grond van de Dublinverordening. Door niet te reageren, is Italië hiermee akkoord gegaan. Op 15 juni 2017 hebben de Duitse autoriteiten het asielverzoek van eiseres afgewezen, welk besluit op 29 juni 2017 rechtsgeldig is geworden. Eiseres is op 1 augustus 2017 gemeld aan Italië als met onbekende bestemming vertrokken.

5.2

Tussen partijen is in geschil of verweerder eiseres als minderjarige had moeten aanmerken. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2000 en heeft ter onderbouwing van haar stelling een vaccinatieboekje en een kopie van de doopakte overgelegd. De originele doopakte was ten tijde van het onderzoek nog onderweg. Verweerder handhaaft de geboortedatum van eiseres waarmee zij in Duitsland is geregistreerd, te weten [geboortedatum 2] 1996.

5.3

Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2017(ECLI:NL:RVS:2017:134) overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van de registratie in Duitsland eiseres als meerderjarige kan aanmerken. Dat eiseres bij haar asielverzoek in Nederland een andere geboortedatum heeft opgegeven, doet daar niet aan af. Eiseres heeft immers geen authentieke identificerende documenten overgelegd waaruit de door haar gestelde geboortedatum blijkt. Verweerder heeft op goede gronden het door eiseres overgelegde vaccinatieboekje en doopakte niet als zodanig aangemerkt. Deze documenten voldoen niet aan de vereisten zoals neergelegd in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waarin wordt bepaald documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten moeten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. De rechtbank constateert dat de doopakte noch het vaccinatieboekje de geboorteplaats van eiseres vermelden en niet voorzien zijn van een pasfoto. Daarnaast is de doopakte niet afgegeven door de Eritrese overheid. Gelet hierop heeft verweerder ook geen onderzoek hoeven te verrichten naar de authenticiteit van de door eiseres overgelegde documenten.

5.4

Het betoog van eiseres dat verweerder haar niet mag overdragen aan Italië omdat de omstandigheden daar slecht zijn, faalt eveneens. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van- en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling heeft daarnaast, onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), al geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971).

5.5

Gezien het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien het asielverzoek van eiseres aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder eiser mag overdragen aan Italië.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.