Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
NL17.11555
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

proces-verbaal mondelinge uitspraak, Dublin Spanje, niet aannemelijk gemaakt langer dan drie maanden het grondgebied van de EU verlaten, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11555


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Issa),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11556, plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is N. Soleman als tolk ter zitting verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertegen – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser betoogt dat Spanje niet verplicht is het verzoek om internationale bescherming te behandelen, omdat hij voor de komst naar Nederland gedurende zes maanden het Dublingebied heeft verlaten. Eiser heeft een huurovereenkomst overgelegd, waaruit blijkt dat hij gedurende zes maanden voor zijn komst naar Nederland in Marokko heeft verbleven. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst naar het ‘Country Report: Spain update 2016’, Asylum Information Database (AIDA) van februari 2017. Er zijn zorgen over het schenden van het beginsel van non-refoulement door Spanje en er is geen toegang tot een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser doet een beroep op de uitspraak van 3 oktober 2017 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met de zaaknummers 8675/15 en 8697/15, N.D. en N.T. tegen Spanje.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser en het door eiser ingediende asielverzoek niet in behandeling heeft genomen. Spanje is verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Er is een claim op Spanje gelegd. Spanje heeft deze claim geaccepteerd. Eiser stelt dat hij minimaal drie maanden in Marokko is geweest. Met de overgelegde huurovereenkomst is dit echter niet aangetoond en is er ook geen begin van bewijs geleverd dat eiser de Europese Unie heeft verlaten. Niet is in te zien waar deze overeenkomst is opgemaakt en het toont niet de uitreis en de inreis aan. De looptijd van de huurovereenkomst is bovendien bijzonder bevreemdend. De overeenkomst gaat in op september 2017, terwijl eiser al in juli 2017 in Nederland asiel heeft aangevraagd. De dagtekening van de huurovereenkomst is in januari 2017. Daarmee volgt de rechtbank verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na het in Spanje ingediende asielverzoek de Europese Unie drie maanden of langer heeft verlaten.

6. De andere gronden die eiser heeft aangedragen waarom hij niet overgedragen kan worden aan Spanje, kunnen ook niet slagen. Eiser stelt dat er geen rechtsbijstand in Spanje is. Verweerder heeft terecht gesteld dat de Spaanse asielprocedure niet strijdig is met de Procedurerichtlijn. Ook de stelling dat er geen opvangplekken in Spanje zijn, volgt de rechtbank niet. Dit blijkt niet uit het eigen relaas en ook niet uit de rapporten die zijn overgelegd. Eiser stelt dat Spanje hem zal terugsturen naar Syrië. De vrees voor refoulement volgt de rechtbank tevens niet. Spanje is lid van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Verweerder mag er dan ook van uitgaan dat Spanje zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Ter zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.