Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15907

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
NL17.11368
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, asielrelaas niet geloofwaardig, gestelde incidenten en bekering tot soennisme

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11368


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

mede namens haar minderjarig kind [kind], V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11369, plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1978. Haar minderjarig kind is geboren op [geboortedatum] 2003. Beiden hebben de Iraanse nationaliteit. Op 30 november 2015 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in het geheim en tegen de uitdrukkelijke wens van haar familie in met haar echtgenoot is gehuwd en naar [plaats 1] is verhuisd. Vanaf haar geboorte was zij voorbestemd om met haar neef [neef] te huwen. Als gevolg van het huwelijk is eiseres door haar familie verstoten en is [neef] van plan om zijn eer en de eer van de familie herstellen door haar te vermoorden. In [plaats 1] is de echtgenoot van eiseres bekeerd van het sjiitische tot het soennitische islamitische geloof. Vanwege zijn bekering heeft de echtgenoot van eiseres problemen ondervonden. Hij is gearresteerd en gedetineerd en de woning van eiseres en die van haar schoonouders zijn door de autoriteiten onderzocht. Eiseres is vervolgens met haar gezin naar [plaats 2] verhuisd. In [plaats 2] heeft eiseres na zes jaar een incident op de markt meegemaakt. Daar is eiseres herkend door haar neef [neef]. [neef] en zijn handlangers hebben haar geslagen en met een mes aangevallen. De zoon van eiseres is hierbij met een mes in zijn buik geraakt. Eiseres en haar gezin zijn vervolgens gevlucht naar [plaats 3]. In [plaats 3] is eiseres in de deuropening van haar woning aangevallen en met een mes gestoken door een onbekende Arabische man. Na dit incident is eiseres veelvuldig telefonisch bedreigd en is de zoon van eiseres op straat aangesproken. Als gevolg van het incident in [plaats 3] heeft eiseres besloten om haar land van herkomst te verlaten. Bovendien geeft eiseres aan dat zij bekeerd is van het sjiitische tot het soennitische islamitische geloof.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) huwelijk en eerkwestie;

3) incident in [plaats 1];

4) incident in [plaats 2];

5) incident in [plaats 3] en telefonische bedreigingen;

6) verandering van geloofsstroming.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Daarentegen zijn de onder punt 2 tot en met 6 vermelde relevante elementen door verweerder niet geloofwaardig bevonden.

Voorts kan eiseres niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder werpt eiseres tegen dat zij onbegrijpelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. In de zienswijze zijn echter nadere verklaringen hieromtrent gegeven, die verweerder ten onrechte van de hand wijst. Eiseres is dan ook van mening dat verweerder haar asielrelaas geloofwaardig had moeten bevinden.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiseres omtrent haar huwelijk en de eerkwestie niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het is immers opmerkelijk dat eiseres nauwelijks kennis heeft over [neef], de persoon voor wie eiseres en haar echtgenoot stellen te vrezen in het kader van de eerkwestie en met wie zij vanaf haar geboorte voorbestemd was mee te huwen. Dat eiseres geen behoefte heeft om veel over [neef] te weten te komen, dat zij hem tijdens haar leven amper heeft gezien en dat zij niet aan hem herinnerd wil worden, is hiertoe geen afdoende verklaring. De eerwraak betreft immers de reden voor eiseres en haar echtgenoot om het land te verlaten. Verweerder heeft voorts bevreemding wekkend mogen achten dat eiseres met haar gezin naar [plaats 2] verhuist als zij vreest voor eerwraak door haar familie. [plaats 2] ligt aanzienlijker dichter bij haar ouderlijk huis dan [plaats 1]. Met deze verhuizing heeft eiseres het risico op een ontmoeting met haar familie en stamgenoten vergroot. Dat deze verhuizing was ingegeven door de bekering van de echtgenoot van eiseres en de omstandigheid dat hij door de Iraanse veiligheidsdiensten in de gaten werd gehouden, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres had ook naar een andere plaats in Iran kunnen verhuizen.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het incident in [plaats 2] niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over het moment waarop dit incident heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft ook de leeftijd van haar zoon [kind] op het moment van de aanval niet correct aangegeven. Als het incident heeft plaatsgevonden in november 2011, zoals eiseres heeft aangegeven, was haar zoon op dat moment dertien jaar oud. Eiseres geeft daarentegen aan dat haar zoon ten tijde van het incident zeven of acht jaar oud was en op een later moment geeft zij aan dat hij tien of elf jaar oud was. Voorts stelt eiseres dat zij aangifte van dit incident heeft gedaan bij de politie, maar heeft zij deze aangifte niet overlegd. Eiseres heeft dan ook niet aangetoond dat dit incident zich heeft voorgedaan. Dit klemt des te meer nu eiseres wel een document heeft overgelegd ten aanzien van de gestelde aanval in [plaats 3]. Eiseres kan bovendien het nummer van het politiebureau waar zij aangifte zou hebben gedaan niet noemen. Hoewel eiseres medische stukken ten aanzien van haar zoon heeft overgelegd, blijkt hieruit enkel dat haar zoon met buikpijn in het ziekenhuis is opgenomen maar niet wat de oorzaak is voor de opname van de zoon van eiseres met buikpijn.

7.3.

Verweerder heeft ook het incident in [plaats 3] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiseres en haar echtgenoot hebben tegenstrijdig verklaard over de verwondingen die zij bij deze aanval heeft opgelopen. De verklaringen van eiseres en die van haar echtgenoot omtrent de dagelijkse telefonische bedreigingen komen ook niet met elkaar overeen. Eiseres heeft verklaard dat zij zelf de telefoon opnam, terwijl haar echtgenoot heeft verklaard dat eiseres meestal de telefoon opnam en dat er ook gebeld werd wanneer hij op zijn werk was, zodat hij de telefoon niet op kon nemen. Ook over het al dan niet doen van aangifte naar aanleiding van deze telefoontjes hebben eiseres en haar echtgenoot niet eenduidig verklaard. Eiseres heeft verklaard dat er geen aangifte is gedaan, omdat ze besloten hebben om het land te verlaten. Haar echtgenoot heeft verklaard dat er geen aangifte is gedaan, maar ook dat hij zich dit niet exact kan herinneren, maar dat hij dat waarschijnlijk heeft gedaan.

7.4.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het geval van eiseres volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld en de gestelde bekering van eiseres naar het soennisme niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft eiseres geen inzicht kunnen geven in de redenen om afstand te doen van het sjiisme. Dat eiseres bekeerd is omdat er voor haar meer vrijheid is onder het soennisme dan onder het sjiisme, maakt nog niet dat er sprake is van een oprechte bekering. Eiseres geeft aan dat de strenge rituelen als zelfkastijding voor haar mede een reden zijn geweest om zich te bekeren. Dit heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden, nu deze rituelen enkel door extreme sjiieten worden uitgeoefend. Een andere reden om zich te bekeren zou zijn ingegeven door de moeder van eiseres die haar hierin stimuleerde. Verweerder heeft het niet ten onrechte bevreemdend gevonden dat de bekering van eiseres is ontstaan door haar moeder, terwijl eiseres aangeeft dat zij slechts sporadisch en enkel telefonisch contact had met haar moeder en dat zij dan spraken over het wederzijds welzijn van de gezinsleden. Eiseres heeft bovendien geen inzicht in het proces van bekering gegeven en haar kennis van het soennisme is zeer summier. Dit laatstgenoemde heeft verweerder eiseres mogen aanrekenen, nu zij ruimschoots in de gelegenheid is geweest om zich ook hier te lande verder in het soennisme te verdiepen.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiseres inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, zodat verweerder de door haar ingediende asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft kunnen afwijzen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.