Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15906

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
NL17.11366
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran, asielrelaas niet geloofwaardig, gestelde incidenten en bekering tot soennisme.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11366


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11367, plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 30 november 2015 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in het geheim en tegen de uitdrukkelijke wens van haar familie in met zijn echtgenote is gehuwd en naar [plaats 1] is verhuisd. Vanaf haar geboorte was zijn echtgenote voorbestemd om met haar neef [persoon] te huwen. Als gevolg van het huwelijk is zijn echtgenote door haar familie verstoten en is [persoon] van plan om zijn eer en de eer van de familie herstellen door de echtgenote van eiser te vermoorden. In [plaats 1] is eiser bekeerd van het sjiitische tot het soennitische islamitische geloof. Vanwege zijn bekering heeft eiser problemen ondervonden. Hij is gearresteerd en gedetineerd en zijn woning en die van zijn ouders zijn door de autoriteiten onderzocht. Eiser is vervolgens met zijn gezin naar [plaats 2] verhuisd. In [plaats 2] heeft eiser na zes jaar een incident op de markt meegemaakt. Daar is zijn echtgenote van eiser herkend door haar neef [persoon] . [persoon] en zijn handlangers hebben de vrouw van eiser geslagen en met een mes aangevallen. De zoon van eiser is hierbij met een mes in zijn buik geraakt. Eiser en zijn gezin zijn vervolgens gevlucht naar [plaats 3]. In [plaats 3] is de echtgenote van eiser in de deuropening van hun woning aangevallen en met een mes gestoken door een onbekende Arabische man. Na dit incident is de echtgenote van eiser veelvuldig telefonisch bedreigd en is de zoon van eiser op straat aangesproken. Als gevolg van het incident in [plaats 3] heeft eiser besloten om zijn land van herkomst te verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) huwelijk en eerkwestie;

3) verandering van geloofsstroming;

4) incident in [plaats 1];

5) incident in [plaats 2];

6) incident in [plaats 3] en telefonische bedreigingen.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Daarentegen zijn de onder punt 2 tot en met 6 vermelde relevante elementen door verweerder niet geloofwaardig bevonden.

Voorts kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder werpt eiser tegen dat hij onbegrijpelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. In de zienswijze zijn echter nadere verklaringen hieromtrent gegeven, die verweerder ten onrechte van de hand wijst. Eiser is dan ook van mening dat verweerder zijn asielrelaas geloofwaardig had moeten vinden.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser omtrent zijn huwelijk en de eerkwestie niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het is immers opmerkelijk dat eiser nauwelijks kennis heeft over [persoon] , de persoon voor wie hij en zijn echtgenote stellen te vrezen in het kader van de eerkwestie. Dat eiser geen behoefte had om veel over [persoon] te weten te komen, dat hij Fars is en [persoon] een Arabier is die gebonden is aan stamculturen, dat [persoon] hem en zijn vrouw wilde vermoorden en dat eiser een gevoel van trots heeft omdat hij tegen de wil van [persoon] en de familie van zijn echtgenote toch met haar is gehuwd, is hiertoe onvoldoende. De eerwraak betreft immers de reden voor eiser en zijn echtgenote om het land te verlaten.

Verweerder heeft voorts bevreemding wekkend mogen achten dat eiser met zijn gezin naar [plaats 2] verhuist als hij vreest voor eerwraak door zijn schoonfamilie. [plaats 2] ligt aanzienlijker dichter bij het ouderlijk huis van zijn echtgenote dan [plaats 1]. Met deze verhuizing heeft eiser het risico op een ontmoeting met zijn schoonfamilie en de stamgenoten van zijn echtgenote vergroot. Dat deze verhuizing was ingegeven door de bekering van eiser en de omstandigheid dat hij door de Iraanse veiligheidsdiensten in de gaten werd gehouden, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser had ook naar een andere plaats in Iran kunnen verhuizen.

7.2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het geval van eiser volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld en de gestelde bekering van eiser naar het soennisme niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft eiser geen inzicht kunnen geven in de redenen om afstand te doen van het sjiisme. Eiser is van jongs af aan bekend met de sjiitische rituelen en heeft zelfs bij herdenkingen als klaagzanger opgetreden. Aangezien eiser heeft verklaard dat er slechts twee moskeeën in het zuiden van [plaats 1] zijn die extreme sjiitische rituelen uitvoeren, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem aanleiding is geweest om de religie als zodanig te verwerpen. Eiser heeft ook geen inzicht in het proces van bekering gegeven en zijn kennis van het soennisme is zeer summier. Voorts heeft verweerder het bevreemdend wekkend kunnen vinden dat eiser, die hier te lande vrij is om de soennitische religie verder vorm te geven, zijn religie niet anders is gaan praktiseren dan toen hij nog sjiiet was. Hij heeft slechts enkele keren een soennitische moskee bezocht en heeft hij pas in zijn zienswijze en niet in de gehoren de naam van deze moskee kunnen noemen.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het incident in [plaats 2] niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo hebben eiser en zijn vrouw tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het moment waarop dit incident heeft plaatsgevonden. Voorts stelt eiser dat hij aangifte van dit incident heeft gedaan bij de politie, maar heeft hij deze aangifte niet overlegd. Eiser heeft dan ook niet aangetoond dat dit incident zich heeft voorgedaan. Dit klemt des te meer nu eiser en zijn echtgenote wel een document hebben overgelegd ten aanzien van de gestelde aanval op eiseres in [plaats 3]. Eiser kan bovendien het nummer van het politiebureau waar hij aangifte zou hebben gedaan niet noemen. Hoewel eiser medische stukken ten aanzien van zijn zoon heeft overgelegd, blijkt hieruit enkel dat zijn zoon met buikpijn in het ziekenhuis is opgenomen maar niet wat de oorzaak is voor de opname van de zoon van eiser met buikpijn.

7.4.

Verweerder heeft ook het incident in [plaats 3] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser en zijn echtgenote hebben tegenstrijdig verklaard over de verwondingen die de echtgenote van eiser bij deze aanval heeft opgelopen. De verklaringen van eiser en die van zijn echtgenote omtrent de dagelijkse telefonische bedreigingen komen ook niet met elkaar overeen. Eiser heeft verklaard dat zijn echtgenote meestal de telefoon opnam en dat er ook gebeld werd wanneer hij op zijn werk was, zodat hij de telefoon niet op kon nemen. De echtgenote van eiser heeft daarentegen verklaard dat zij zelf telkens de telefoon heeft opgenomen. Ook over het al dan niet doen van aangifte naar aanleiding van deze telefoontjes hebben eiser en zijn echtgenote niet eenduidig verklaard. Eiser heeft verklaard dat er geen aangifte is gedaan, maar ook dat hij zich dit niet exact kan herinneren, maar dat hij dat waarschijnlijk heeft gedaan. De echtgenote van eiseres heeft echter verklaard dat er geen aangifte is gedaan, omdat ze besloten hebben om het land te verlaten.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiser inconsequente, bevreemding wekkende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, zodat verweerder de door hem ingediende asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft kunnen afwijzen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.