Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15881

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
17/3219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift ex art. 591a Sv. Verzoeker is een politieambtenaar. Het verzoek is gericht op vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand. Deze kosten voor de rechtsbijstand van verzoeker zijn betaald door de werkgever van verzoeker, de nationale politie. De raadsman stelt zich op het standpunt dat dit moet worden gezien als een voorschot door de werkgever, welke voorschot is verstrekt onder de voorwaarde dat indien verzoeker de kosten op derden kan verhalen (in dit geval de Staat), het door hem ontvangen bedrag aan zijn werkgever zal worden gerestitueerd.

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 69a Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 5 lid 3 van de Regeling niet volgt dat sprake is van een voorschot. Nu niet is gebleken dat de kosten van rechtsbijstand ten laste van verzoeker komen, ziet de rechtbank geen gronden van billijkheid om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand ex artikel 591a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: -

Kenmerk RK: 17/3219

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum]

te dezer zake domicilie kiezende aan de Alexanderstraat 10, 2514 JL te Den Haag, ten kantore van advocaat mr. drs. M.J.N. Vermeij,

ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 8 augustus 2017, strekkende tot een vergoeding ten laste van de Staat van de kosten van zijn raadsman tot een bedrag van in totaal € 3.267,-, vermeerderd met € 280,- dan wel € 550,- voor het opstellen en indienen van onderhavig verzoek.

De rechtbank heeft dit verzoek op 28 november 2017 in raadkamer behandeld.

Verzoeker is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsman, mr. drs. M.J.N. Vermeij, advocaat te Den Haag.

De raadsman heeft in zijn verzoekschrift – kort gezegd – aangevoerd dat de kosten voor de rechtsbijstand van verzoeker zijn betaald door de werkgever van verzoeker, de nationale politie. Deze betaling van de kosten van de rechtsbijstand door de werkgever van verzoeker moet worden beschouwd als de verstrekking van een voorschot ten behoeve van verzoeker, welke voorschot is verstrekt onder de voorwaarde dat indien verzoeker de kosten op derden kan verhalen (in dit geval de Staat), het door hem ontvangen bedrag aan zijn werkgever zal worden gerestitueerd. Dat de kosten van de verleende rechtsbijstand op grond van artikel 69a, lid 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) ten laste zijn gebracht van verzoekers werkgever en verzoeker in zoverre zelf geen schade heeft geleden vormt volgens de raadsman geen beletsel om aan verzoeker een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. De raadsman heeft in raadkamer onder andere, in aanvulling op het verzoekschrift, naar voren gebracht dat de werkgever in het kader van ‘goed werkgeverschap’ verplicht is om de kosten van de rechtsbijstand voor een werknemer te betalen en dat het in strijd is met het doel en de strekking van die dwingendrechtelijke plicht van de werkgever dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte daardoor niet zou hoeven te betalen. De raadsman verwijst hierbij naar een beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017 waarin het Hof om deze reden het verzoek ex art. 591a Sv in een zelfde soort zaak heeft toegewezen.

De officier van justitie heeft schriftelijk en in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, nu artikel 591a Sv bepaalt dat aan een gewezen verdachte, wiens zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, een vergoeding toegekend wordt uit ’s Rijks kas voor de kosten van een raadsman welke hij werkelijk heeft geleden. Verzoeker heeft in onderhavige zaak zelf geen schade geleden en derhalve is artikel 591a Sv niet van toepassing. Artikel 69a Barp kent aan een politieambtenaar een tegemoetkoming door de werkgever toe voor de kosten van rechtskundige hulp. Aan deze bepaling zijn geen voorwaarden aan verbonden en hieruit blijkt ook niet dat er sprake is van een voorschot door de werkgever waardoor de kosten uiteindelijk wel voor rekening van verzoeker zouden komen. Van één van de uitzonderingsituaties zoals in artikel 69a lid 4 Barp zijn genoemd is ook geen sprake, waardoor het verzoek dient te worden afgewezen.

Beoordeling van het verzoek.

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door middel van een brief van de officier van justitie d.d. 9 mei 2017 aan verzoeker met de mededeling dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek en het verzoek is tijdig ingediend.

De kosten van de aan verzoeker verleende rechtsbijstand zijn gedeclareerd aan en op grond van de toepasselijk rechtspositieregelingen voldaan door de werkgever van verzoeker, de nationale politie.

Het toepasselijke rechtspositiebesluit en de onderliggende regeling luiden – voor zover van belang – als volgt:

Artikel 69a lid 1 van het Barp:

Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

Artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna: de Regeling):

In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 591a lid 2 Sv kan, als de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte op diens verzoek uit ’s Rijks kas vergoeding worden toegekend in de kosten van een advocaat.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft toekenning van een vergoeding steeds plaats als en voor zover daarvoor, naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van alle omstandigheden, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat het bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat om kosten die werkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen of welke door hem zijn geleden.

Uit de hiervoor geciteerde bepalingen uit het Barp en de Regeling volgt dat de werkgever van verzoeker de kosten van de raadsman draagt, welke kosten ook daadwerkelijk door verzoekers werkgever zijn voldaan. Derhalve zijn de kosten van de raadsman geen kosten die ten laste van verzoeker zijn gekomen.

Beoordeeld dient te worden of de kosten alsnog ten laste van verzoeker komen indien hij géén 591a-verzoek indient of indien dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen; in dat geval zou er sprake zijn van een daadwerkelijk voorschot.

Uit artikel 69a Barp en artikel 5 lid 3 van de Regeling volgt niet dat sprake is van een voorschot. De verzoeker heeft enkel de verplichting om een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a Sv in te dienen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een situatie waarop artikel 591a Sv niet van toepassing is.

De omstandigheid dat het Gerechtshof Den Haag recentelijk op 14 november 2017 – blijkens de overgelegde beschikking – in een vergelijkbare zaak heeft beslist dat het in strijd is met het doel en de strekking van de dwingendrechtelijke verplichting van de werkgever van ‘goed werkgeverschap’ dat het voldoen daaraan door een werkgever tot gevolg heeft dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet zou hoeven te betalen, doet niet af aan het uitgangspunt dat in het geval de werkgever de kosten van rechtsbijstand draagt, zoals in het onderhavige geval, deze kosten niet ten laste van verzoeker zijn gekomen en daarom op grond van artikel 591a Sv niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu niet is gebleken dat de kosten van rechtsbijstand ten laste van verzoeker komen, ziet de rechtbank geen gronden van billijkheid om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand ex artikel 591a Sv.

Het moge zo zijn dat het, wanneer de politie bij een vrijspraak van een politieambtenaar geen vergoeding krijgt voor de proceskosten, onbevredigend wordt gevonden, maar het kan niet zo zijn dat daardoor moet worden afgeweken van de wet. Om hiervan af te wijken dient er andere regelgeving te komen, waardoor de wetgever, en niet de rechter, hier aan zet is.

De rechtbank zal evenmin kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift toekennen. Onder ‘de kosten van een raadsman’ waarvoor een vergoeding uit ’s Rijks kas kan worden toegekend als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 591a Sv vallen ook de kosten van de raadsman ter zake advisering, opstelling en behandeling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van artikel 591a Sv. Deze kosten zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen (vgl. HR 20 mei 1986, NJ 1987, 28). De rechtbank komt daarom wat betreft deze kosten tot hetzelfde oordeel als wat betreft de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, namelijk dat de kosten van de indiening en de behandeling van het verzoekschrift op grond van art 69a Barp ook door de werkgever gedragen dienen te worden.

Beslissing.

De rechtbank wijst het verzoek af.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. M.A.J. van de Kar, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. A.A.M. Doornekamp en F. Westhoek, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2017.