Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15838

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
NL17.13231
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syrische nat, Bulgarije, bescherming, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13231


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.13232, plaatsgevonden op 7 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

F. Boone, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 7 november 2017 een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit is de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser met ingang van 27 december 2016 in Bulgarije internationale bescherming geniet. Verder is verweerder van mening dat er geen aanleiding is om ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Verweerder beoordeelt niet ambtshalve eisers beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vw.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, nu ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De situatie voor statushouders in Bulgarije is zodanig slecht dat er sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling de volgende documentatie overgelegd:

* AIDA rapport van maart 2016 en update 2016

* jaarrapport Amnesty International van februari 2016

* rapport Amnesty International van februari 2015

* rapport ECRE en ELENA van februari 2016

* artikel van Forced Migration Review van 17 januari 2016.

Daarnaast heeft eiser, onder verwijzing naar de prejudiciƫle vragen in de verwijzingsuitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van 17 oktober 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) (C-540/17), de rechtbank verzocht het beroep aan te houden, in afwachting van de beantwoording van deze vragen. Tot slot heeft eiser zijn beroep op artikel 8 van het EVRM gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

Ingevolge artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

5. Niet in geschil is dat aan eiser met ingang van 27 december 2016 internationale bescherming in Bulgarije is verleend.

6. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:885), dat verweerder terecht heeft gesteld dat hij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Bulgarije in algemene zin de verplichtingen, die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, naleeft. Dit ligt anders als eiser concrete aanwijzingen aanvoert dat Bulgarije deze verplichtingen niet nakomt. Daarbij mag verweerder van eiser verwachten dat hij zich tot de autoriteiten wendt om de uit zijn vluchtelingenstatus voortvloeiende rechten uit te oefenen.

7. Dat wat eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om niet langer uit te mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de door eiser overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de situatie voor statushouders in Bulgarije niet optimaal is, maar daaruit blijkt onvoldoende dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De door eiser bij zijn zienswijze overgelegde stukken zien hoofdzakelijk op de situatie van (kwetsbare) asielzoekers en Dublinclaimanten, terwijl eiser statushouder is. Uit het AIDA rapport update 2016, p. 64 en 68, blijkt met betrekking tot erkende vluchtelingen dat zij aanspraak kunnen maken op een gelijke behandeling als burgers met de Bulgaarse nationaliteit (met uitzondering van het kiesrecht) en dat zij financiƫle bijstand krijgen voor huisvesting voor een periode van 6 maanden. Indien zij er niet in slagen een woning te vinden is het toegestaan in het oorspronkelijke opvangcentrum te verblijven. Ook uit eisers eigen ervaringen in Bulgarije blijkt niet dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft naar eigen zeggen ruim twee maanden in Bulgarije in de opvang verbleven, had toegang tot werk en tot het rechtssysteem. Hij heeft immers verklaard dat hij getuige was bij een strafzitting van mensensmokkelaars, waarbij 15 jaar gevangenisstraf is opgelegd. Verweerder heeft voorts terecht gewezen op de korte duur van eisers verblijf in Bulgarije als statushouder, zodat niet valt in te zien dat hij alle beschikbare middelen heeft aangewend om de hem ter beschikking staande mogelijkheden te benutten.

8. De rechtbank ziet voorts in de bovengenoemde verwijzingsuitspraak van 17 oktober 2017 aan het HvJ EU geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden. Anders dan eiser heeft gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank immers geenszins uit deze verwijzingsuitspraak worden afgeleid dat het Bundesverwaltungsgericht reeds aanneemt dat ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

9. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat, nu sprake is van een aanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, niet ambtshalve getoetst wordt of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daartoe is eiser aangewezen op het indienen van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning. Hierbij heeft verweerder overigens terecht opgemerkt dat een dergelijke aanvraag reeds op 19 juli 2017 is afgewezen omdat de feitelijke gezinsband met zijn gestelde echtgenote niet met documenten is aangetoond.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.