Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15813

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4140
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om de plaatsing op een ARO-lijst (Agressie Registratiesysteem Overheden) ongedaan te maken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/4140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Backer),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Riet).

Procesverloop

Bij brief van 29 december 2016 heeft verweerder eiser een waarschuwing gegeven en eiser medegedeeld dat zijn gegevens op een waarschuwingslijst, de ARO-lijst (Agressie Registratiesysteem Overheden), zijn gezet.

Bij besluit van 9 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot verwijdering van zijn gegevens van de ARO-lijst afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de gegeven waarschuwing betreft en ongegrond verklaard voor zover het de verwijdering van eisers gegevens van de ARO-lijst betreft.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in de brief van 29 december 2016 eiser een waarschuwing gegeven en medegedeeld dat de gegevens van eiser op een waarschuwingslijst zijn geplaatst, omdat eiser via zijn beroepschrift in een andere procedure discriminerende en beledigende opmerkingen heeft gemaakt aan het adres van een medewerker van het UWV.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het geven van een waarschuwing geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nu dit geen publiekrechtelijke rechtshandeling is. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het bezwaar van eiser tegen de weigering zijn gegevens van de ARO-lijst te halen heeft verweerder overwogen dat eiser in het desbetreffende stuk heeft aangegeven dat de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep liegt en hij heeft dit gekoppeld aan diens afkomst. Nu aan eiser een waarschuwing is gegeven in verband met ongewenst gedrag ligt het in de rede dat dit aan alle medewerkers bekend moet kunnen zijn. Het middel hiervoor is het plaatsen op de ARO-lijst. De verwerking van de persoonsgegevens van eiser was derhalve noodzakelijk voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak, als bedoeld in artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Er is geen sprake van onevenredige benadeling van eiser of van disproportionaliteit, aldus verweerder.

3. Ingevolge artikel 6 van de Wbp worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.

Ingevolge artikel 7 van de Wbp worden persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld.

Ingevolge artikel 8 van de Wbp mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien:
(…);
e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of
(…).

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wbp, kan degene aan wie overeenkomst artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

4. Eiser betoogt dat de door verweerder verrichte ARO-melding niet gerechtvaardigd is. Uit artikel 8 van de Wbp blijkt dat gegevensverwerking alleen mag wanneer dit noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak. Voor de vraag of de gegevensverwerking noodzakelijk is, moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Verweerder heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat de noodzakelijkheid alleen kan worden beoordeeld in een klachtenprocedure tegen de gegeven waarschuwing, aldus eiser.

Eiser betoogt voorts dat hij niet agressief heeft gehandeld, nu hij geen materiële, emotionele of fysieke schade heeft toegebracht. Ook is er geen sprake van uitschelden, schreeuwen, discrimineren, dreigen met vernielingen, dreigen met geweld in woord, spugen, schoppen. De hem verweten handelingen voldoen niet aan de in het door verweerder gehanteerde agressieprotocol gebruikte definitie van agressie. Dat de verzekeringsarts zich beledigd heeft gevoeld, maakt niet dat eiser zich agressief heeft gedragen. De plaatsing op de ARO-lijst was dan ook niet noodzakelijk voor de goede invulling van een publieke taak of voor behartiging van het gerechtvaardigde belang van verweerder. Met de gegevensverwerking heeft verweerder een inbreuk gemaakt op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Voorts wordt eiser onevenredig is zijn belangen geschaad en is de verwerking disproportioneel. Verweerder had immers kunnen volstaan met een waarschuwing, aldus eiser. Verder betoogt eiser dat het alle schijn heeft dat de plaatsing op de ARO-lijst een ander doel heeft gehad dan waarvoor de ARO-lijst is bedoeld. Zo is plaatsing op de lijst pas gebeurd nadat verweerder op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat hij een klacht heeft ingediend bij het Medisch Tuchtcollege, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de aan eiser gegeven waarschuwing geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ook de plaatsing op de ARO-lijst, als gevolg van die waarschuwing, is geen besluit in de zin van dat artikel. De plaatsing op de lijst berust niet op een wettelijk voorschrift en brengt geen wijziging in de rechtspositie van eiser. De lijst is immers alleen bedoeld voor medewerkers van verweerder ter attendering van de aan eiser gegeven waarschuwing. (Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3726).

5.2

De weigering de gegevens van eiser op zijn verzoek van de ARO-lijst te verwijderen is ingevolge artikel 45 van de Wbp wel een voor beroep vatbaar besluit. Nu tegen de waarschuwing geen beroep open staat, kan ook in de procedure over de verwijdering van eisers persoonsgegevens van de ARO-lijst, de waarschuwing niet inhoudelijk aan de orde komen. De rechtbank zal in deze procedure daarom uitgaan van de door verweerder gestelde door eiser gebezigde agressie en zich in deze procedure alleen uitlaten over de vraag of de verwerking van de persoonsgegevens van eiser op de ARO-lijst, als gevolg van de waarschuwing, voldoet aan de in de Wbp gestelde voorschriften, als bedoeld in artikel 36 van de Wbp.

5.3

Eiser is gewaarschuwd en op de ARO-lijst geplaatst op grond van het Agressieprotocol van verweerder. Op pagina 1 van dat Agressieprotocol staat onder het kopje “Statement” dat verweerder zorgdraagt voor de veiligheid en het welbevinden van haar medewerkers, maar ook van cliënten en bezoekers van UWV locaties. Verweerder ziet het als haar taak een werkklimaat te scheppen waarin respect bestaat voor de persoonlijke integriteit van haar medewerkers. Onder hoofdstuk 7.1 van het Agressieprotocol staat vermeld dat het melden van een agressie-incident onder meer het doel dient dat collega’s gewaarschuwd worden voor mogelijke agressieve klanten en dat zij zich daarop kunnen voorbereiden. Deze doeleinden zijn naar het oordeel van de rechtbank welbepaald en uitdrukkelijk omschreven als bedoeld in artikel 7 van de Wbp.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wbp volgt dat doeleinden alleen gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 7 van de Wbp, indien deze met inachtneming van artikel 8 kunnen worden bereikt (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 79). In dit geval is van belang of de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat een goede uitvoering van de publiekrechtelijke taak met zich meebrengt dat alle medewerkers van het UWV hun werk veilig en met welbevinden kunnen uitvoeren. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat niet onmiddellijk een waarschuwing is gegeven, omdat de verzekeringsarts verwachtte dat de rechtbank in haar uitspraak in de andere procedure een oordeel zou geven over de brief van eiser. Dit heeft de rechtbank echter nagelaten en daarom heeft verweerder alsnog besloten actie te ondernemen in de vorm van de waarschuwing aan eiser, aldus verweerder. De rechtbank acht deze verklaring niet onaannemelijk en van misbruik van bevoegdheid is de rechtbank dan ook niet gebleken.

De verwerking van de persoonsgegevens van eiser op de ARO-lijst is gelet op voorgaande niet in strijd met artikelen 7 en 8 van de Wbp. Ook ziet de rechtbank, gelet op voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de plaatsing op de ARO-lijst in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

5.4

Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA8742) blijkt dat voor de vraag of de persoonsgegevens conform artikel 6 van de Wbp in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze zijn verwerkt relevant is of de definitie van agressie voldoende duidelijk is en niet leidt tot willekeur.

In hoofdstuk 2.0 van het Agressieprotocol wordt de door verweerder gehanteerde definitie van agressie gegeven: “het welbewust verbaal uiten, gebruiken van fysieke kracht of macht, dan wel het dreigen daarmee, gericht tegen een medewerker, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van de publieke taak, wat resulteert of waarschijnlijk zal resulteren in een gevoel van bedreiging, materiële schade, letsel, psychische schade of de dood.”

In hoofdstuk 5.1 van dit protocol wordt agressief gedrag onderverdeeld in vier typen gedragingen. Eén van de gedragingen (C gedrag) wordt omschreven als: “de cliënt richt zich op de medewerker met kritiek, beledeging of bedreiging.”

In hoofdstuk 5.2 staat voorts dat het gesprek met cliënt wordt beëindigd als de cliënt overgaat tot persoonlijke intimidatie, discriminatie of bedreiging.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende duidelijk omschreven hoe zij agressief gedrag definieert en hiermee heeft verweerder voldoende inzicht gegeven in hoeverre discriminatie leidt tot plaatsing op de ARO-lijst.

5.5

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser niet onevenredig in zijn belangen is geschaad en is de verwerking van zijn persoonsgegevens niet disproportioneel. De privacybelangen van eiser wegen niet op tegen het belang van verweerder zijn medewerkers te kunnen attenderen op agressieve personen. Gelet daarop kon ook niet met alleen een waarschuwing worden volstaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gegevens van eiser voor de beperkte duur van één jaar op de ARO-lijst worden geplaatst.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.