Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15798

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/8076 en 17/8078(vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als zelfstandige”. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: 17/8076 (beroep) en 17/8078 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1965, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser)

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).

Procesverloop

Met het besluit van 11 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het besluit van 29 maart 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiser zijn procedure in Nederland mag afwachten en in de tussentijd arbeid mag verrichten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was de heer A. Baksoellah, tolk in de taal Urdu, aanwezig. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser heeft in Griekenland de status van langdurig ingezetene als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn langdurig ingezeten.1

1.2.

Op 14 oktober 2016 dient eiser een aanvraag in om arbeid als zelfstandige te verrichten. Bij deze aanvraag overlegt eiser een bewijs bekendmaking bij de Basisregistratie Personen van 12 oktober 2016 en kopieën van zijn Pakistaans paspoort en Grieks verblijfsdocument.

1.3.

Met het primaire besluit is de aanvraag afgewezen omdat eiser niet heeft aangetoond werkzaam te zijn als zelfstandige. Met het bezwaar tegen het primaire besluit overlegt eiser diverse stukken ter onderbouwing van zijn zelfstandigheid. Deze stukken bestaan uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel, waaruit volgt dat eiser een eenmanszaak voert onder de naam [slagerij] , een brief waarbij de belastingplicht op € 0,- wordt vastgesteld, een aangifte omzetbelasting, twee offertes uitgebracht aan [bedrijf] en [restaurant] respectievelijk voor slagers- en chef-kok-werkzaamheden voor twintig uur per week tegen een uurtarief van €12,95 en daaropvolgende opdrachtovereenkomsten, twee facturen van 1 januari 2017, een bankafschrift van [slagerij] waaruit volgt dat [restaurant] en [bedrijf] beide een bedrag van € 1.358,02 hebben overgemaakt en een portfolio.

Standpunten partijen

2.1

Met het bestreden besluit verklaart verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond. Volgens verweerder is – kort samengevat – niet aangetoond dat eiser zelfstandig arbeid verricht als kok bij [restaurant] en als slager bij [bedrijf] .

2.2

In beroep voert eiser aan dat hij wel degelijk arbeid als zelfstandige verricht. Uit zijn portfolio blijkt dat hij twee beroepen heeft: kok en slager. Eiser is niet werkzaam als kok bij het [restaurant] . Eiser bereidt tandoor gerechten voor in de slagerij van [bedrijf] en levert deze gerechten aan het restaurant. Daarnaast is bij [bedrijf] geen persoon werkzaam die bekwaam is om het vlees voor de slagerij klaar te maken. Er is geen sprake van een gezagsverhouding, omdat eiser geen opdrachten van een werkgever hoeft te volgen. Ook werkt eiser niet in loondienst en bepaalt eiser zijn eigen werktijden en de wijze waarop hij de producten aanlevert. Eiser voert verder aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

3.1

De rechtbank stelt vast dat eiser langdurig ingezetene is in Griekenland en daarom niet hoeft te voldoen aan de eis dat zijn onderneming bijdraagt aan een wezenlijk Nederlands belang. Wel moet eiser voldoen aan de eis dat hij arbeid als zelfstandige verricht en dat die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan opleveren. (artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000). Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiser met de door hem overgelegde stukken onvoldoende heeft aangetoond dat hij arbeid als zelfstandige verricht.

3.2

De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of eiser de arbeid als zelfstandige verricht, bepalend is dat de werkzaamheden zonder gezagsverhouding worden uitgeoefend. Het uitoefenen van de arbeid onder eigen verantwoordelijkheid speelt hierbij een rol. Verder is van belang of de overeenkomsten van opdracht die eiser met [restaurant] en [bedrijf] heeft afgesloten aan te merken zijn als arbeidsovereenkomsten.

3.3

Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen betrokken worden die partijen bij het sluiten van een overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook rekening worden gehouden met de wijze waarop partijen in de praktijk uitvoering geven aan hun rechtsverhouding. (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495).

3.4

Uit het voorgaande volgt dat de overgelegde overeenkomsten van opdracht en facturen niet zonder meer betekenen dat eiser arbeid als zelfstandige verricht. Van belang is de wijze waarop eiser en [restaurant] en [bedrijf] uitvoering geven aan hun rechtsverhouding, oftewel, blijkt uit de feitelijke situatie dat eiser arbeid als zelfstandige verricht bij [restaurant] en [bedrijf] ? Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Zoals verweerder tijdens de mondelinge behandeling terecht heeft opgemerkt kunnen de werkzaamheden van eiser als kok en slager naar hun aard niet worden aangemerkt als zelfstandig arbeid, omdat deze functies doorgaans zijn onderworpen aan het gezag van de eigenaren van een restaurant en slagerij. Verder volgt uit de overeenkomsten dat eiser bij beide bedrijven werkzaam is voor een vast aantal uren per week, namelijk twintig uur, en dat eiser per uur wordt betaald. Omdat eiser een vast aantal uur per week werkt, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat hij zijn eigen werktijden bepaalt. Dat eiser – zoals hij tijdens de mondelinge behandeling nader heeft aangevoerd – de gerechten voor het restaurant klaarmaakt in de slagerij en geen vast aantal uren hoeft te werken maar het er alleen om gaat dat hij zijn werk af heeft, acht de rechtbank niet aannemelijk. In de overeenkomsten is namelijk enkel opgenomen hoeveel uur hij moet werken en niet welk resultaat behaald moet worden. Verder acht de rechtbank van belang dat het eiser niet is toegestaan om de werkzaamheden door een ander te laten verrichten, dat eiser niet zelf over bedrijfsmiddelen beschikt en zelf geen ondernemingsrisico loopt. Uit het voorgaande volgt dat eiser, [restaurant] en [bedrijf] in de praktijk op een zodanige wijze uitvoering geven aan de overeenkomsten van opdracht dat deze aan te merken zijn als arbeidsovereenkomsten.

3.5

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat het karakter van zelfstandige arbeid ontbreekt. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen.

Hoorplicht

4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiser in bezwaar te horen, vanwege het volgende. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar van het horen afzien als er, naar objectieve maatstaven bezien, van te voren redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is, dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2803). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop. In het primaire besluit is aan eiser tegengeworpen dat eiser als zelfstandige niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. In bezwaar heeft eiser stukken overgelegd waaruit volgt dat het zelfstandige karakter van de arbeid ontbreekt. Hierdoor was er, naar objectieve maatstaven bezien, van te voren redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk, dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit.

Conclusie

5. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe dat eiser zijn procedure in Nederland mag afwachten en in de tussentijd arbeid mag verrichten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat heden op het beroep is beslist en daardoor geen aanleiding meer is tot het treffen van de gevraagde voorziening.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer 17/8076,verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer 17/8078,wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.