Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15791

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
NL17.4174 en NL17.4175
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, Pashtun, relaas over zelfmoordaanslag ongeloofwaardig, geen art. 64 Vw i.v.m. psychische problemen, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.4174 en NL17.4175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2017 in de zaak tussen


1. [eiser]eiser,

2. [eiseres],eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen:

[kind] en
,

hierna tezamen ‘eisers’

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop
Bij besluiten van 26 juni 2017 en 27 juni 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Wasseghi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eisers bezitten de Afghaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum] en eiseres op [geboortedatum]. De kinderen Omran en [kind] zijn geboren op [geboortedatum], respectievelijk [geboortedatum]. Op 26 november 2015 hebben eiser en eiseres aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag van eiseres heeft mede betrekking op de kinderen.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij als supervisor werkzaam was op het vliegveld van Mazar-i-Sharif. Hij is op een avond door vier leden van de Taliban, waaronder twee neven van hem, benaderd om een zelfmoordaanslag op dit vliegveld te plegen. Hij zou de volgende ochtend met zijn auto explosieven moeten ophalen en daarmee naar het vliegveld moeten rijden om de explosieven te bevestigen aan een tankwagen als die een vliegtuig van UNAMA van brandstof zou voorzien. Met een telefoon zou hij de tankwagen vervolgens tot ontploffing moeten brengen. Diezelfde nacht hebben eisers hun huis verlaten en hebben zij via Kabul het land verlaten. Eiseres heeft een van eiser afhankelijk asielrelaas.

3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en Pashtun afkomst van eisers aannemelijk zijn. De verklaringen over het moeten plegen van een zelfmoordaanslag op het vliegveld van Mazar-i-Sharif door eiser acht verweerder ongeloofwaardig.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eisers voeren aan dat verweerder hun asielrelazen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eisers verwijzen naar hetgeen zij in de gehoren en de zienswijze naar voren hebben gebracht en stellen dat de medische situatie van eiser maakt dat hij niet gedetailleerder heeft kunnen verklaren. Daarnaast is volgens eisers na hun vertrek uit Afghanistan hun woning door de Taliban vernield. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een politieverklaring en foto’s overgelegd.

6. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig is onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder volgt weliswaar dat eisers niet kunnen verklaren waarom de leden van de Taliban bepaalde keuzes hebben gemaakt, maar de wijze van handelen van deze leden is op meerdere fronten dermate ongeloofwaardig dat daarmee de asielrelazen als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt. Verweerder wijst er op dat het vliegveld van Mazar-i-Sharif een van de grootste luchthavens van Afghanistan is en bovendien een internationaal civiel en militair vliegveld is. Verder zijn daar en in de directe omgeving ervan vele buitenlandse troepen gestationeerd. Aangenomen kan dus worden dat dit vliegveld en de nabije omgeving goed beveiligd zijn. Dat eiser ongezien explosieven vanuit zijn auto in of aan een tankwagen zou kunnen bevestigen, is daarom niet aannemelijk. Aangezien ook de Taliban op de hoogte waren van de situatie op het vliegveld, is evenmin aannemelijk dat zij desondanks een dergelijk groot risico op betrapping zouden willen nemen. Verder valt niet in te zien hoe eiser het in zijn eentje voor elkaar zou kunnen krijgen om de explosieven in zijn eigen auto te vervoeren en deze vervolgens te bevestigen aan of in een tankwagen. Dat de leden van de Taliban direct op de eerste avond dat zij naar eisers woning kwamen om hem tot de zelfmoordaanslag te dwingen, hem uitgebreide en gedetailleerde instructies zouden hebben verschaft is eveneens ongerijmd, temeer omdat eiser hen aanvankelijk had laten weten dat hij weigerde deze actie uit te voeren. Ook het feit dat de vier leden van de Taliban zijn vertrokken na het instrueren van eiser is vreemd. Het zou immers meer voor de hand hebben gelegen dat zij eiser hadden meegenomen, dan wel dat zij bij eiser zouden zijn gebleven om zich ervan te vergewissen dat eiser zich de volgende dag zou melden om de actie uit te voeren.

Daarnaast heeft verweerder eiser tegengeworpen dat zijn verklaring dat hij door het doen van aangifte problemen zou krijgen met de autoriteiten vanwege familiaire banden met enkele van de Talibanleden, eveneens ongeloofwaardig is. Deze verklaring is niet onderbouwd en niet valt in te zien dat eiser, die immers werkzaam was op het internationale vliegveld van Mazar-i-Sharif, problemen zou ondervinden als hij een aanslag op dit vliegveld zou weten te voorkomen door de daders aan te geven.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de hiervoor weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de asielrelazen van eisers niet geloofwaardig zijn.

Eisers hebben niet betwist dat de beoordeling van de asielrelazen dient te geschieden tegen de achtergrond dat het vliegveld van Mazar-i-Sharif (één van) de grootste vliegvelden van Afghanistan is, zeker gelet op het groot aantal buitenlandse troepen dat daar en in de directe omgeving daarvan is gelegerd, en dat verondersteld en aangenomen mag worden dat de bewaking op dit vliegveld en omgeving ervan groot is. Verweerder wordt dan ook gevolgd in het standpunt dat niet geloofwaardig is dat de Taliban de actie als succesvol zouden inschatten en dat eiser de opdracht zou hebben gekregen, zoals door hem is verklaard. Dat eiser op medische gronden, die niet zijn onderbouwd, niet in staat zou zijn geweest om meer details te verklaren, zoals in beroep is betoogd, is onvoldoende voor een ander oordeel. De reden dat verweerder de asielrelazen als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, zoals hierboven onder 6. uiteengezet, is immers niet gelegen in het ontbreken van gedetailleerde verklaringen. De juistheid van deze stelling kan daarom in het midden blijven.

De vernieling van de woning van eisers leidt evenmin tot een ander oordeel. In de bestreden besluiten is hierop reeds ingegaan. Verweerder heeft daarbij onderbouwd aangegeven dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun woning na hun vertrek uit Afghanistan door de Taliban is vernietigd. Eisers hebben niet gemotiveerd waarom de betreffende overwegingen in de bestreden besluiten onjuist zouden zijn. Deze grond behoeft daarom hier geen verdere bespreking.

8. De rechtbank stelt vast dat niet (meer) in geschil is dat in Afghanistan geen sprake is van een zogenoemde 15c-situatie. Voor zover eisers hun vrees baseren op hun eigen verklaringen, wordt overwogen dat hun relazen, zoals hierboven onder 7. is overwogen, door verweerder niet ten onrechte als niet geloofwaardig is aangemerkt. Nu eisers niet hebben onderbouwd dat er andere redenen zijn op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel en voorzienbaar risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slaagt deze beroepsgrond niet.

9. Tot slot hebben eisers zich erop beroepen dat aan hen uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw vanwege hun medische situatie. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij op 28 september 2017 hun patiëntendossiers overgelegd.

10. Ter zitting hebben eisers verklaard dat de gestelde medische problematiek in verband met artikel 64 van de Vw uitsluitend betrekking heeft op psychische problemen van eiser. Door eiser is daarbij verklaard dat hij ongeveer één week voor de zitting voor het eerst een intakegesprek met een psycholoog heeft gehad en dat hij niet over stukken beschikt om zijn psychische problemen te onderbouwen. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat hij al meer dan twee jaar in behandeling is bij een psycholoog. De rechtbank stelt vast dat, wat van de gestelde psychologische behandeling en de duur daarvan ook zij, eiser zijn gestelde medische problemen niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een relevante verklaring van zijn huisarts, een psychiater en/of een psycholoog. Uit zijn, eerst in beroep, overgelegde patiëntendossier blijkt evenmin dat hij aan een psychiatrische of psychische aandoening lijdt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden terecht heeft overwogen dat onvoldoende aanleiding bestaat om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Deze beroepsgrond faalt.

11. De slotsom is dat verweerder de asielaanvragen van eisers terecht heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

12. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.