Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15788

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
NL17.3848, NL17.2849 en NL17.3850
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fayli-Koerden, Irak, Iran, land van herkomst, artikel 2, aanhef en onder n, van de Definitierichtlijn, staatloos, bekering, vluchtelingschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.3848, NL17.3849 en NL17.3850


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2017 in de zaken tussen

[eiser 1], eiser 1,

[eiser 2] , eiser 2,

[eiser 3] , eiser 3,

hierna gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).


Procesverloop
Bij drie afzonderlijke besluiten van 14 juni 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig [naam] en [naam].

Overwegingen

1. Eisers, geboren op respectievelijk [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum], zijn Fayli-Koerden uit Iran en stellen staatloos te zijn. Eiser 1 is de neef van de broers eisers 2 en 3. Op 4 november 2015 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag hebben zij ten grondslag gelegd dat zij in Iran problemen hebben gekregen nadat zij zijn bekeerd tot het christendom. Eisers zijn via [collega], een collega van eiser 1, met het christendom in aanraking gekomen. Zij zijn met [collega] meegegaan naar bijeenkomsten van een huiskerk. De familie van eisers is achter de bekering gekomen. Er is ruzie ontstaan en de buurman van eiser heeft de politie gebeld. De politie is langsgekomen en heeft de spullen van eisers doorzocht. Hierbij zijn onder meer de bijbels van eisers gevonden. Eisers zijn gevlucht en hebben het land op 8 oktober 2015 verlaten.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De staatloosheid van eisers wordt niet geloofwaardig geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers als Fayli-Koerden de Iraakse nationaliteit hebben of deze kunnen herkrijgen. De gestelde bekering van eisers tot het christendom acht verweerder ook niet geloofwaardig. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in Irak problemen zullen ondervinden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de nationaliteit

4. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van de Iraakse nationaliteit. Weliswaar blijkt uit de openbare bronnen dat het herkrijgen van de Iraakse nationaliteit voor Fayli-Koerden mogelijk is, maar het is zeer moeilijk. Niet vast staat dat eisers de Iraakse nationaliteit kunnen herkrijgen. Eisers hebben niet de benodigde documenten.

5. Niet in geschil is dat eisers Fayli-Koerden zijn, dat zij geboren zijn in Iran en daar hun hele leven hebben gewoond. In geschil is allereerst wat het land van herkomst van eisers is.

6. In artikel 2, aanhef en onder n, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn) is bepaald dat als land van herkomst geldt: het land of de landen van de nationaliteit of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats.

7. In het beleid van verweerder over Irak, neergelegd in hoofdstuk C7/13.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, staat vermeld dat verweerder Fayli-Koerden, van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Sadam Hoessein, niet als staatloos aanmerkt. Verweerder neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van december 2013 staat vermeld dat de decreten die de ontneming van het Iraaks staatsburgerschap betroffen, zijn herroepen met de inwerkingtreding van de Transitional Administrative Law. Ingevolge de Nationaliteitswet nr. 26 uit 2006 worden personen die op basis van onder meer Decreet 666 de Iraakse nationaliteit zijn kwijtgeraakt, beschouwd als Iraaks staatsburger. Verder is vastgelegd dat Irakezen van wie eerder de Iraakse nationaliteit was ontnomen, het recht hebben de Iraakse nationaliteit te herkrijgen. Dit geldt ook voor de kinderen van personen die de Iraakse nationaliteit zijn kwijtgeraakt. De Nationaliteitswet bevat in de artikel 17 en 18 voorwaarden om nationaliteitsrechten weer te laten gelden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de bovengenoemde informatie niet af te leiden dat Fayli-Koerden van rechtswege de Iraakse nationaliteit opnieuw hebben verkregen na het vervallen van Decreet 666. Om in aanmerking te komen voor herkrijging van de Iraakse nationaliteit is nodig dat de vreemdeling terugkeert naar Irak en daar gedurende een periode van minimaal één jaar verblijft (artikel 10 van de Nationaliteitswet). Vervolgens kan in persoon een aanvraag worden ingediend, waarbij een groot aantal documenten moeten worden overgelegd. Onduidelijk is of de Iraakse nationaliteit ook kan worden geweigerd, als niet alle benodigde documenten bij de aanvraag worden overgelegd, of anderszins niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom worden aangenomen dat eisers de Iraakse nationaliteit op dit moment nog niet hebben. Eisers zijn dus (vooralsnog) als staatloos aan te merken. De bestreden besluiten zijn daarom onvoldoende gemotiveerd en komen wegens schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de bekering

9. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering van eisers tot het christendom niet geloofwaardig is.

10. Verweerder past bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging een vaste gedragslijn toe, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die grofweg worden onderverdeeld in vragen over motieven voor en het proces van bekering, waaronder de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling, algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk en kerkgang (indien de vreemdeling stelt dat dat onderdeel is van zijn geloofsovertuiging). Deze gedragslijn is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) rechtmatig bevonden, onder meer in de uitspraak van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955). Uit andere jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801) volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht kan toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eisers - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers met hun verklaringen onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun motieven voor en het proces van bekering en dat de bekering tot het christendom niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat de kritiek die eisers hebben op de islam, niet ziet op de essentie van de islam, maar voornamelijk op de uiterlijke kenmerken daarvan en de wijze waarop de islam in Iran is vormgegeven. Dat de grondwet in Iran is gebaseerd op de islam en dat Iran eisers nooit rechten hebben gegeven, beschrijft niet wat eisers nu precies tegenstaat aan de islam. De verklaringen zijn oppervlakkig en algemeen en getuigen niet van dieperliggende motieven voor de gestelde afkeer van de islam. Ook de verklaring van eisers dat zij veel slechtheid zien in de islam, getuigt niet van een dieperliggend motief. Eisers hebben verklaard de koran nooit gelezen te hebben en de prediking van geweld en slechtheid alleen van anderen hebben gehoord. Ook de verklaringen over wat eisers aansprak in het christendom blijven in algemene en vage termen steken. Dat het hen gaat om ‘de oprechtheid, eerlijkheid en liefde in het christendom’ vormt geen diepgravende verklaring waarom zij de islam de rug hebben toegekeerd, aangezien deze elementen niet alleen in het christendom, maar ook in de islam (en andere religies) een rol plegen te spelen.

12. Verder hebben eisers hun proces van bekering niet inzichtelijk gemaakt. Verweerder heeft hierbij bevreemdend kunnen vinden dat eisers zich in het bijzijn van [collega] al snel negatief hebben uitgelaten over de islam. Eisers kenden [collega] immers nog niet lang. Verweerder heeft verder terecht tegengeworpen dat eisers onderling tegenstrijdig hebben verklaard over hoe zij [collega] hebben ontmoet en hoe [collega] in aanraking is gekomen met het christendom. [collega] heeft eisers ingewijd in het christendom en speelt daarom een cruciale rol in de bekering van eisers. Gelet hierop mag van eisers dan ook worden verwacht dat zij over [collega] op details gelijkluidend verklaren. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers weinig gedetailleerd verklaren over de bezoeken aan de huiskerken. Tot slot heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de kennis van eisers over het christendom zeer summier is. Zo kunnen eisers niet verklaren over de geschiedenis van het christendom, de diverse stromingen binnen het christelijke geloof en waarom zij voor het protestantisme hebben gekozen.

13. De overgelegde doopakte, de (schriftelijke) verklaringen van de diverse leden van de kerk als getuigen en de rapporten van de stichting Gave van juni 2017 kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Hoewel dergelijke stukken kunnen dienen ter staving van een bekering, laat dit de verantwoordelijkheid van eisers onverlet om zelf met betrekking tot het proces dat tot de bekering heeft geleid overtuigende verklaringen af te leggen (zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2059).

14. De rechtbank volgt eisers verder niet in hun stelling dat zij als afvalligen aangemerkt moeten worden, ook als de bekering niet geloofwaardig wordt bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eisers niet valt af te leiden dat hun afvalligheid van de islam als losstaand van de bekering tot het christendom en dus als afzonderlijk asielmotief moet worden beschouwd. Niet gebleken is dat eisers van het islamitisch geloof zijn afgestapt voordat zij met het christelijk geloof in aanraking kwamen. Gelet hierop was een afzonderlijke beoordeling door verweerder van de door eisers gestelde afvalligheid niet vereist. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:280.

Ten aanzien van vluchtelingschap

15. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Irak problemen zullen ondervinden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of in artikel 3 van het EVRM. Zoals de rechtbank onder 8 heeft vastgesteld, is het land van herkomst van eisers, zoals bedoeld in artikel 2 van de Definitierichtlijn, Iran. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de vrees die eisers in Iran stellen te ondervinden niet getoetst. Het beroep is ook hierom gegrond en de bestreden besluiten dienen ook hierom te worden vernietigd.

16. De rechtbank zal vervolgens bezien in hoeverre de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand gelaten kunnen worden.

17. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat verweerder de bekering van eisers niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Gelet hierop heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat ook de problemen die eisers stellen te hebben ondervonden als gevolg van hun bekering niet geloofwaardig zijn. Eisers hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran hebben te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade.

Conclusie

18. De slotsom is dat verweerder de asielaanvragen van eisers terecht heeft afgewezen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand te laten.

19. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 990,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,-, drie samenhangende zaken en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond:

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-
    (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.