Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Migrerend werknemer. Reële en daadwerkelijke arbeid? Herziening artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Raulintoelage.

Geen sprake van reële en daadwerkelijke arbeid.

Tijdens de in geding zijnde perioden had eiser een arbeidsovereenkomst met XX als studenttutor. Blijkens deze overeenkomst bestonden de werkzaamheden uit het geven van bijles aan andere studenten. In het zich bij de stukken bevindende rapport van de FIOD, dossiernummer xxx, van x-x 2015, zijn diverse verklaringen opgenomen van studenten die een arbeidsovereenkomst hadden met XX, als ook een verklaring van de directeur van XX, de heer Y. Uit deze verklaringen blijkt dat een student die een arbeidsovereenkomst sloot met XX geacht werd om zich 32 uur per maand beschikbaar te houden voor het geven van bijles aan andere buitenlandse studenten. De studenten die bijles wilden nemen dienden in het bezit te zijn van een XX abonnement. De kosten van dit abonnement bedroegen ongeveer € 400 per maand. De lessen konden alleen afgenomen worden van een student die zelf ook een abonnement bij XX had. Daaruit volgt dat zowel de student die les gaf als de student die les nam, in het bezit moest zijn van een XX abonnement, met als bedoeling dat zich een marktplaats zou ontvouwen van en voor buitenlandse studenten. Voor het zich beschikbaar houden voor het geven van bijles ontvingen de studenten per maand een loon van ongeveer € 290. Het loon werd verrekend met de abonnementskosten zodat iedere student per saldo in elk geval ruim € 100 per maand betaalde aan XX.

Naar het oordeel van de rechtbank is in een dergelijk geval geen sprake van een reële constructie waarbij conform de overeengekomen uren bijles werd gegeven en waarbij voor het betaalde abonnementsgeld bijles werd genoten. Uit de verklaringen van diverse studenten en de heer Y. blijkt dat er geen controle werd gehouden op de uren waarin (eventueel) bijles werd gegeven. Er zijn studenten die in het geheel geen bijles hebben gegeven, maar desondanks salarisspecificaties ontvingen waarop stond dat zij die maand 32 uur gewerkt hadden. Voor zover er door studenten al arbeid is verricht, is in elk geval geen sprake van arbeid onder het gezag van een ander. Ook is niet gebleken dat er een verplichting bestond tot het persoonlijk verrichten van de arbeid. De rechtbank overweegt voorts dat in het geval waarbij studenten verplicht waren om maandelijks een bedrag te betalen voordat werkzaamheden verricht mochten worden, en er per saldo – de studiefinanciering buiten beschouwing gelaten – geen positief resultaat werd behaald, geen sprake is van een beloning voor verrichte arbeid. Ook daarom kan geen sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid in de zin van het EU-recht. Een beloning voor een verrichte prestatie is immers een wezenlijk kenmerk van een arbeidsverhouding (ro. 22. HvJ, 30 maart 2006, Mattern/Cikotik; C-10/05).

De stelling dat het zich 32 uur beschikbaar houden voor arbeid al moet worden aangemerkt als reële en daadwerkelijke arbeid volgt de rechtbank niet.

Herziening.

Verweerder heeft de studiefinanciering van eiser herzien op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Herziening met toepassing van deze bepaling vindt plaats op grond van het feit dat, voor zover hier van belang, een beschikking is genomen waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser redelijkerwijs kunnen weten dat de toekenning van studiefinanciering onjuist was. Eiser heeft tegen een netto betaling aan XX de beschikking gekregen over urenstaten en salarisspecificaties over de in geding zijnde perioden waarin is opgenomen dat hij 32 uur had gewerkt. Eiser heeft in die maanden echter helemaal geen werkzaamheden voor XX verricht. Op grond van deze omstandigheid heeft eiser moeten beseffen dat hij niet voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als migrerend werknemer.

Raulintoelage.

Op grond van de uitspraak van het Hof van Justitie EU (Hof van Justitie van de EU; C-357/89). dient Nederland EU-studenten een gelijke tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage (collegegeld) te geven als Nederlandse studenten. De vanaf september 2002 ingevoerde zogenoemde ‘Raulinvergoeding’ bood EU-studenten die in Nederland studeren, onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit - dus ook als zij in verband met de nationaliteitseis geen aanspraak hebben op (Nederlandse) studiefinanciering - deze tegemoetkoming. De Raulinvergoeding is per 1 september 2007 vervangen door de invoering van het collegegeldkrediet met de ‘Wet Financiering in het hoger onderwijs’. Uit de brief van de Staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap van 22 mei 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 387 en 22 452, nr. 53) leidt de rechtbank af dat met de invoering van deze wet – onder meer – is beoogd om in het geheel van studiefinanciering een onderscheid te maken tussen de tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud en de kosten van de onderwijsbijdrage. Het collegegeldkrediet, waarmee studenten het verschuldigde collegegeld kunnen lenen, werd op dat moment voor iedereen de (enige) tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage. De overige vormen van studiefinanciering, zoals de basisbeurs, zijn bestemd voor de kosten van levensonderhoud.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat de basisbeurs voor thuiswonende studerenden ook moet worden beschouwd als bijdrage in de kosten van onderwijs geen steun vindt in de wet en evenmin in voormelde uitspraak van het Hof. Het collegegeldkrediet is vanaf 1 september 2007 de voorziening om het collegegeld te kunnen betalen en is in die zin bedoeld als waarborg van de toegang tot het onderwijs.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/3905

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde mr. P.S. Folsche)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 2 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 2 maart 2017 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2017.

Eiser is vertegenwoordigd door mr. G. Gabrelian, een kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] en

[persoon 3] .

Gelijktijdig met het onderhavige beroep zijn op deze zitting 31 vergelijkbare beroepszaken behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is burger van één van de lidstaten van de Europese Unie (EU).

Op 24 oktober 2012 heeft hij een aanvraag om studiefinanciering gedaan.

Aan eiser is vanaf november 2012 studiefinanciering toegekend.

2. Bij bericht van 22 april 2016 is aan eiser, voor zover hier van belang, meegedeeld dat hij over de maanden november 2012 tot en met januari 2013 geen recht heeft op studiefinanciering omdat hij minder dan het vereiste aantal uren per maand heeft gewerkt. De teveel ontvangen studiefinanciering zal worden verrekend of moet worden terugbetaald.

3. Bij beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil
4. In geschil is of eiser over de in geding zijnde periode voldeed aan de voorwaarden om als migrerend werknemer te worden aangemerkt. Daarbij houdt partijen verdeeld of eiser reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht.

5. Eiser stelt dat hij is aan te merken als migrerend werknemer omdat hij een arbeids- overeenkomst had met [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) voor 32 uur per maand. Eiser kon bijles geven en moest opdrachten maken. Eiser verwijst naar de overgelegde loonspecificaties van [bedrijf]. Eiser beroept zich op de reikwijdte van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Eiser stelt dat hij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en niet louter marginale en bijkomstige werkzaamheden.

Eiser stelt voorts dat verweerder bij de herziening van het recht van eiser op studiefinanciering heeft miskend dat eiser in ieder geval aanspraak kan maken op de Raulin-toelage (Hof van Justitie van de EU; C-357/89). Eiser stelt zich op het standpunt dat de basisbeurs voor een thuiswonende daaronder valt, zodat bij de herziening deze in elk geval gehandhaafd diende te worden.

Verder neemt eiser het standpunt in dat verweerder niet bevoegd was om de beschikking te herzien. Verweerder is slechts in een beperkt aantal gevallen bevoegd om een beschikking te herzien. Geen van de situaties, limitatief opgesomd in artikel 7.1 van de Wet studiefinanciering 2000, doet zich hier voor.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van het bestreden besluit en verzoekt de rechtbank om te bepalen dat eiser recht heeft op studiefinanciering over de in geding zijnde periode.

6. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het VWEU (voorheen artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij. Ingevolge het tweede lid van dit artikel houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Het werknemersbegrip in de zin van artikel 45 van het VWEU heeft een communautaire inhoud en mag niet eng worden uitgelegd. Voor de vraag of een EU-burger werknemer is, is bepalend of hij reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat (vgl. HvJ 26 februari 1992, V.J.M. Raulin v Minister van Onderwijs en Wetenschappen, C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87).

8. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

9. Ter uitvoering van de hierboven genoemde bepaling heeft verweerder d.d. 13 december 2012 een Beleidsregel vastgesteld inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wsf 2000
(nr. HO&S/463528, de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap, hierna: de Beleidsregel). In deze Beleidsregel, zoals die luidde tot en met december 2013, gaat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ervan uit dat iedere studerende afkomstig uit een van de lidstaten van de Europese Unie die over de controleperiode 32 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee recht heeft op studiefinanciering in dat studiefinancieringstijdvak.

10. Artikel 7.1. van de Wsf 2000 bepaalt, voor zover hier van belang:

“Herziening door Minister

1. Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij:

a. studiefinanciering is toegekend,

b. (…)

2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:

a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,

(…)

3. Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, (…) kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, (…).”

Beoordeling van het geschil

Reële en daadwerkelijke arbeid

11. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU heeft een EU-onderdaan de hoedanigheid van communautair/migrerend werknemer indien deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Daarbij hoeft de omstandigheid dat in een arbeidsverhouding een zeer gering aantal uren is gewerkt, niet in de weg te staan aan de conclusie dat sprake is van communautair/migrerend werknemerschap. Voorts moeten alle feiten en omstandigheden, betrekking hebbend op zowel de aard van de werkzaamheden als de betreffende arbeidsverhouding, in ogenschouw worden genomen. Volgens deze rechtspraak (o.a. HvJ, 30 maart 2006, Mattern/Cikotik; C-10/05, ECLI:EU:C:2006:220) is het kenmerk van de arbeidsverhouding, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen een beloning.

12. In de onderhavige zaak, alsook in de overige zaken die gelijktijdig ter zitting zijn behandeld, is sprake van buitenlandse studenten afkomstig uit een EU-lidstaat. Tijdens de in geding zijnde perioden hadden deze studenten, waaronder ook eiser, een arbeids- overeenkomst met [bedrijf] of een voorganger daarvan als studenttutor. Blijkens deze overeenkomst bestonden de werkzaamheden uit het geven van bijles aan andere studenten. In het zich bij de stukken bevindende rapport van de FIOD, dossiernummer [dossiernummer], van 16 januari 2015, zijn diverse verklaringen opgenomen van studenten die een arbeids- overeenkomst hadden met [bedrijf], als ook een verklaring van de directeur van [bedrijf], [directeur]. Uit deze verklaringen blijkt dat een student die een arbeidsovereenkomst sloot met [bedrijf] geacht werd om zich 32 uur per maand beschikbaar te houden voor het geven van bijles aan andere buitenlandse studenten. De studenten die bijles wilden nemen dienden in het bezit te zijn van een [bedrijf] abonnement. De kosten van dit abonnement bedroegen ongeveer € 400 per maand. De lessen konden alleen afgenomen worden van een student die zelf ook een abonnement bij [bedrijf] had. Daaruit volgt dat zowel de student die les gaf als de student die les nam, in het bezit moest zijn van een [bedrijf] abonnement, met als bedoeling dat zich een marktplaats zou ontvouwen van en voor buitenlandse studenten. Voor het zich beschikbaar houden voor het geven van bijles ontvingen de studenten per maand een loon van ongeveer € 290. Het loon werd verrekend met de abonnementskosten zodat iedere student per saldo in elk geval ruim € 100 per maand betaalde aan [bedrijf]. Gesteld noch gebleken is dat dit in het geval van eiser anders was.

13. In de door eiser overgelegde nadere stukken, bestaande uit een tweetal mappen, zijn afdrukken opgenomen van een drietal bronbestanden afkomstig uit de administratie van [bedrijf]. Blijkens de toelichting op deze stukken gegeven door [persoon 4] betrokken bij [bedrijf], betreft bijlage 2 ‘[bijlage 2]’ een bronbestand met alle afspraken die zijn gemaakt om les te krijgen in de periode maart 2012 t/m maart 2013. Dit bestand zou echter per regel niet te herleiden zijn tot een individu. Bijlage 3, ‘[bijlage 3]’ betreft alle tutors die zich hadden aangesloten op het platform. Iedere tutor kreeg een uniek ID. ‘[bijlage 4] ‘ (bijlage 4) betreft een bronbestand waarbij sender ID’s zijn te matchen aan de ID uit de userlijst. Eiser komt in bijlage 3 voor en heeft als ID nummer [ID nummer]. Dit nummer komt echter in de in geding zijnde periode niet voor in bijlage 4, noch onder sender ID noch onder notificabel_id. De rechtbank leidt daaruit af dat eiser in deze periode geen bijles heeft gegeven.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reële constructie waarbij conform de overeengekomen uren bijles werd gegeven en waarbij voor het betaalde abonnementsgeld bijles werd genoten. Uit de verklaringen van diverse studenten en [directeur] blijkt dat er geen controle werd gehouden op de uren waarin (eventueel) bijles werd gegeven. Er zijn studenten die in het geheel geen bijles hebben gegeven, maar desondanks salarisspecificaties ontvingen waarop stond dat zij die maand 32 uur gewerkt hadden. Voor zover er door studenten al arbeid is verricht, is in elk geval geen sprake van arbeid onder het gezag van een ander. Ook is niet gebleken dat er een verplichting bestond tot het persoonlijk verrichten van de arbeid. De rechtbank overweegt voorts dat in de omstandigheden van het geval, waarbij studenten verplicht waren om maandelijks een bedrag te betalen voordat werkzaamheden verricht mochten worden, en er per saldo – de studiefinanciering buiten beschouwing gelaten – geen positief resultaat werd behaald, geen sprake is van een beloning voor verrichte arbeid. Ook daarom kan geen sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid in de zin van het EU-recht. Een beloning voor een verrichte prestatie is immers een wezenlijk kenmerk van een arbeidsverhouding (ro. 22 van C-10/05, reeds aangehaald).

15. De stelling van eiser dat het zich 32 uur beschikbaar houden voor arbeid al moet worden aangemerkt als reële en daadwerkelijke arbeid slaagt niet. Hoewel het zich beschikbaar houden voor arbeid een rol kan spelen bij de beoordeling of sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, dient in een dergelijk geval wel vast komen te staan dat er daarnaast werkzaamheden zijn verricht die wel een reëel en daadwerkelijk karakter hebben. Zoals hierboven reeds is geoordeeld is daar met betrekking tot de door eiser voor [bedrijf] verrichte werkzaamheden geen sprake van. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval wel sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid.

Herziening

16. Verweerder heeft de studiefinanciering van eiser herzien op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

Herziening met toepassing van deze bepaling vindt plaats op grond van het feit dat, voor zover hier van belang, een beschikking is genomen waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Niet in geschil is dat de herziening van de studiefinanciering van eiser is geschied binnen vijf jaar.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser redelijkerwijs kunnen weten dat de toekenning van studiefinanciering onjuist was. Daartoe is het volgende van belang.

Eiser heeft tegen een netto betaling aan [bedrijf] de beschikking gekregen over urenstaten en salarisspecificaties over de periode november en december 2012 en januari 2013 waarin is opgenomen dat hij 32 uur had gewerkt. Eiser heeft in die maanden echter helemaal geen werkzaamheden voor [bedrijf] verricht. Op grond van deze omstandigheid heeft eiser moeten beseffen dat hij niet voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als migrerend werknemer.

De stelling van eiser dat hij mocht menen dat het zich 32 uur beschikbaar houden voor arbeid voor [bedrijf] voldoende was om als migrerend werknemer te worden aangemerkt volgt de rechtbank niet. In het door verweerder overgelegde voorlichtingsmateriaal dat beschikbaar is op de website van DUO wordt duidelijk aangegeven dat een studerende in ieder geval iedere maand 32 uur moet werken. Op deze website wordt voorts verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregel. Nog daargelaten dat verweerder heeft verklaard dat voorlichtings- materiaal ten tijde van geding ook beschikbaar was in het Engels, lag het op de weg van eiser, als aanvrager van de studiefinanciering, om zich op de hoogte te stellen van de voorwaarden tot het verkrijgen daarvan. In het geval dat eiser, na raadpleging van het voorlichtingsmateriaal, nog twijfel gehad zou hebben of hij wel aan de voorwaarden voldeed, had hij zich voor verdere informatie tot DUO moeten wenden. (vgl. Centrale Raad van Beroep, 11 september 2009; ECLI:NL:CRVB:2009). Dat hij dit niet heeft gedaan valt hem toe te rekenen. De nadelige gevolgen daarvan komen dan ook voor zijn risico en rekening.

18. Namens eiser is nog aangevoerd dat alle informatie die verweerder thans aan de herziening ten grondslag legt al bekend was in 2012 toen er contact is geweest tussen [bedrijf] en DUO. Voor zover eiser hiermee bedoelt te stellen dat verweerder zijn recht op herziening heeft verspeeld, heeft te gelden dat, zoals hiervoor is overwogen, verweerder op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000, binnen vijf jaar de beschikking mocht herzien. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het recht tot herziening in te perken op de enkele grond dat het tijdsverloop lang is geweest. Daarbij komt dat verweerder geloofwaardig heeft verklaard dat in 2012 de werkwijze van [bedrijf] voor DUO nog niet duidelijk was. Pas nadat de FIOD rapport had uitgebracht begin 2015 werd de onder 12 genoemde constructie duidelijk. Nu alle herzieningsbeschikkingen, waaronder die van eiser, zijn genomen in de eerste helft van 2016 kan van rechtsverwerking geen sprake zijn.

Raulinvergoeding

19. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7966). Ter zitting is nader toegelicht dat in de visie van eiser het bedrag van de basisbeurs voor een thuiswonende bedoeld is voor de dekking van de kosten die zijn verbonden aan de toegang tot het onderwijs, zodat in elk geval dat deel van de studiefinanciering in stand gelaten had moeten worden.

20. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat deze beroepsgrond als tardief moet worden aangemerkt. Subsidiair stelt verweerder dat de Raulin-toelage is vervangen door de invoering van het collegegeldkrediet. Bij de studenten die dit krediet hebben aangevraagd en toegekend gekregen, is dat bij de herziening van de studiefinanciering gehandhaafd. De basisbeurs voor een thuiswonende studerende behoort niet tot het deel van de studiefinanciering dat bestemd is om de toegang tot het onderwijs te waarborgen, maar valt onder het begrip sociaal voordeel, aldus verweerder. Studenten die dit niet hebben aangevraagd kunnen niet alsnog met terugwerkende kracht in aanmerking komen voor toekenning van het collegegeldkrediet.

21. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de Raulin-toelage niet als tardief moet worden beschouwd. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden van 9 oktober 2017 aangevoerd (punt 26) dat verweerder geen toepassing heeft gegeven aan de Raulin-uitspraak. Verweerder heeft daarmee voldoende tijd gehad om een standpunt in te nemen op dit punt. Verweerder heeft dat ook gedaan en op de stelling van eiser gereageerd in zijn verweerschrift van 7 november 2017 en ook ter zitting de stellingen van eiser (gemotiveerd) weersproken.

Dat deze grief niet reeds in bezwaar is aangevoerd maakt het bovenstaande niet anders.

22. Op grond van de door eiser aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie EU dient Nederland EU-studenten een gelijke tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage (collegegeld) te geven als Nederlandse studenten. De vanaf september 2002 ingevoerde zogenoemde ‘Raulinvergoeding’ bood EU-studenten die in Nederland studeren, onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit - dus ook als zij in verband met de nationaliteitseis geen aanspraak hebben op (Nederlandse) studiefinanciering - deze tegemoetkoming. De Raulinvergoeding is per 1 september 2007 vervangen door de invoering van het collegegeldkrediet met de ‘Wet Financiering in het hoger onderwijs’. Uit de brief van de Staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap van 22 mei 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 387 en 22 452, nr. 53) leidt de rechtbank af dat met de invoering van deze wet – onder meer – is beoogd om in het geheel van studiefinanciering een onderscheid te maken tussen de tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud en de kosten van de onderwijsbijdrage. Het collegegeldkrediet, waarmee studenten het verschuldigde collegegeld kunnen lenen, werd op dat moment voor iedereen de (enige) tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage. De overige vormen van studiefinanciering, zoals de basisbeurs, zijn bestemd voor de kosten van levensonderhoud.

23. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat de basisbeurs voor thuiswonende studerenden ook moet worden beschouwd als bijdrage in de kosten van onderwijs geen steun vindt in de wet en evenmin in voormelde uitspraak van het Hof. Het collegegeldkrediet is vanaf 1 september 2007 de voorziening om het collegegeld te kunnen betalen en is in die zin bedoeld als waarborg van de toegang tot het onderwijs.

24. Ter zitting is door verweerder (onweersproken) gesteld dat bij de studerenden, die in de in geding zijnde perioden een collegegeldkrediet hebben aangevraagd en toegekend gekregen, die tegemoetkoming niet is herzien en niet is teruggevorderd. Verweerder heeft aldus gehandeld overeenkomstig zijn verplichtingen die het EU-recht met zich brengt. Eiser heeft voor de in geding zijnde periode geen aanvraag voor toekenning van collegegeldkrediet gedaan.

Voor zover eiser bedoelt te stellen dat in voorkomende gevallen de studerenden alsnog voor de in geding zijnde periode een aanvraag collegegeldkrediet kunnen indienen, heeft te gelden dat op grond van artikel 3.21 van de Wsf 2000 studiefinanciering of de verhoging daarvan niet wordt toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten
26. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, voorzitter, mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. A.D. van Riel, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.