Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/8354
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: verweerder) heeft in afwachting van een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag tot toepassing van artikel 64 Vw het vertrek van eiser opgeschort. Eiser voert aan dat hij in die periode tot de opvangvoorzieningen van het COA dient te worden toegelaten. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voor opvang in aanmerking komt. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat verweerder ten aanzien van dit punt niet bevoegd was om eiser in zijn bezwaar te ontvangen, omdat op grond van de Wet COA het COA het bevoegde orgaan is om op dit punt een besluit te nemen. De rechtbank volgt verweerder hierin. Op grond van artikel 2:3, eerste lid, Awb dient verweerder eisers verzoek tot toelating tot de opvang, door te zenden aan het COA ter behandeling.

Verder voert eiser aan dat hij op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw rechtmatig verblijf heeft en dat hij ingevolge artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, Vb recht heeft op een door verweerder verstrekt document. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw, omdat het BMA de gezondheidstoestand van eiser nog niet inhoudelijk heeft beoordeeld en daarom geen sprake isvan een situatie als bedoeld in artikel 64 Vw. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Immers, verweerder heeft ook het voorlopige uitstel van vertrek uitdrukkelijk gebaseerd op artikel 64 Vw. Dat het BMA de gezondheidstoestand van eiser nog niet heeft beoordeeld, doet daar niet aan af.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Algemene wet bestuursrecht 2:3
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8354

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van onbekende nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C. Mayne, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat eiser in aanmerking komt voor opschorting van het vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor een periode van maximaal drie maanden, te weten van 6 februari 2017 tot en met 6 mei 2017, of zoveel korter tot het moment waarop op de aanvraag van 6 februari 2017 is beslist.

Bij besluit van 6 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 27 oktober 2017 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij een ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) gelijkgestelde vreemdeling is. Een gelijkgestelde vreemdeling wordt toegelaten tot de opvangvoorzieningen die door het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) worden verstrekt. De Rva is een algemeen verbindend voorschrift waar verweerder niet met beleid van kan afwijken.

1.1

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voor opvang in aanmerking komt, omdat hij in de schriftelijke kennisgeving niet heeft aangegeven voor opvang in aanmerking te willen komen, hetgeen een voorwaarde is, zoals volgt uit A3/7.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

1.2

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van de opvang niet bevoegd was om eiser op dit punt in het bezwaar te ontvangen, omdat op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) het COA het bevoegde orgaan is om op dit punt een besluit te nemen en te beoordelen of eiser voldoet aan de voorwaarden voor opvang.

1.3

De rechtbank volgt verweerder hierin. Uit artikel 3 van de Wet COA volgt dat het COA is belast met de beoordeling of een vreemdeling voor opvang in aanmerking komt en is het COA het bevoegde bestuursorgaan om een besluit te nemen op het in het bezwaarschrift opgenomen verzoek van eiser om als gelijkgestelde vreemdeling te worden toegelaten tot de opvang. Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte op dit punt in zijn bezwaar heeft ontvangen en daar een beslissing op heeft genomen. Op grond van artikel 2:3 eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder dit verzoek door te zenden aan het COA ter behandeling.

2. Eiser voert voorts aan dat hij op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw rechtmatig verblijf heeft. Gelet daarop heeft hij ingevolge artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) recht op een door verweerder verstrekt document. Artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, Vb is een algemeen verbindend voorschrift waar verweerder niet met zijn beleid, als bedoeld in A3/7.2 Vc, van kan afwijken.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een identiteitsdocument, als bedoeld in artikel 4.21 Vb. Nu eiser geen paspoort heeft overgelegd is hij, conform het beleid als neergelegd in A3/7.2 Vc, in het bezit gesteld van een brief waarin verweerder heeft aangegeven dat eiser van deze brief gebruik kan maken om zijn rechtmatig verblijf aan te tonen in afwachting van een definitieve beslissing op zijn aanvraag.

2.1.1

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw, verder toegelicht. In artikel 8, aanhef en onder j, Vw wordt verwezen naar artikel 64 Vw. In artikel 64 Vw is bepaald dat uitzetting achterwege blijft indien het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen. Of daarvan sprake is, wordt beoordeeld door het Bureau Medische Advisering (BMA). Pas als het BMA tot het advies komt dat het wegens de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om de vreemdeling uit te zetten, zal verweerder met toepassing van artikel 64 Vw uitzetting achterwege laten. In het geval van eiser heeft het BMA de gezondheidstoestand van eiser nog niet inhoudelijk beoordeeld en daarom is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 64 Vw en is geen sprake van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw.

2.2

De rechtbank volgt verweerder hierin niet en overweegt daartoe het volgende.

2.2.1

In het primaire besluit van 21 februari 2017, onder het kopje ‘2. Besluit’, is het volgende opgenomen:

‘Aan betrokkene wordt in afwachting van een beslissing op voornoemde beoordeling om toepassing van artikel 64 Vw uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw voor een periode van maximaal 3 maanden, te weten van 6 februari 2017 tot en met 6 mei 2017, of zoveel korter tot het moment waarop de aanvraag d.d. 6 februari 2017 is beslist.’

In het primaire besluit van 21 februari 2017, onder het kopje ‘5. Rechtsgevolgen van deze beschikking’, is het volgende opgenomen:

‘Gedurende de periode van opschorting van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft betrokkene rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, lid 1 sub j, Vw.’

In de beslissing op bezwaar van 6 april 2014, onder het kopje ‘5. Rechtsgevolgen van deze beschikking’, is het volgende opgenomen:

‘(…)
Bij beschikking van 21 februari 2017 is op betrokkene artikel 64 Vw toegepast. Derhalve heeft betrokkene gedurende de periode van opschorting van vertrek op grond van artikel 64 Vw rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 lid 1 sub j Vw.’

2.2.2

Zoals uitdrukkelijk blijkt uit het primaire besluit van 21 februari 2017 heeft verweerder op grond van artikel 64 Vw uitstel van vertrek verleend. Dat het BMA de gezondheidstoestand van eiser nog niet heeft beoordeeld, doet daar niet aan af. Uit de tekst van artikel 64 Vw blijkt ook niet dat voor de toepassing van dit artikel een advies van het BMA noodzakelijk is. De verwijzing van verweerder naar A3/7.2 Vc treft geen doel. In dit beleid is neergelegd dat de vreemdeling gedurende zijn aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 Vw. In de zaak van eiser heeft verweerder daarentegen uitdrukkelijk besloten om met toepassing van artikel 64 Vw uitzetting achterwege te laten.

2.2.3

Dit betekent dat eiser, anders dan verweerder van oordeel is, op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw rechtmatig verblijf heeft, zoals overigens ook door verweerder in zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar onder de kopjes ‘Rechtsgevolgen van deze beschikking’ is weergegeven. De beroepsgrond slaagt.

3. De rechtbank zal het beroep, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit dat eiser geen recht heeft op een identiteitsdocument, gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12 Awb tot stand gekomen.

4. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen voor zover het bestreden besluit erop ziet dat eiser geen recht heeft op een identiteitsdocument en zal verweerder opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen.

5. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

6. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit, inhoudende dat eiser geen recht heeft op een identiteitsdocument, met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op € 168,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 990,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.