Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1570

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
17/2657
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Eurodac resultaat, illegale grensoverschrijding. Artikel 13, Dublinverordening. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Geen kwetsbaar persoon als bedoeld in het arrest Tarakhel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/2657

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.P.M. Sio,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Bruin.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/2658, plaatsgevonden op 16 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S. Zwiers, waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig B. Arabi, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. Voor zover eiseres met haar beroepsgrond betoogt dat verweerder het overnameverzoek aan Italië heeft gebaseerd op een verkeerde grondslag, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten immers verzocht eiseres over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening aangezien gebleken is dat eiseres eerder in Italië is geweest, althans illegaal de Italiaanse grens heeft overgestoken. Zoals ook volgt uit het bestreden besluit stelt verweerder zich niet op het standpunt dat eiseres in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Deze grond faalt.

3. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in vergelijkbare gevallen niet kijkt of asielzoekers elders geregistreerd staan of dat verweerder in vergelijkbare gevallen geen claimverzoek heeft ingediend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

4. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat ten aanzien van Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen verwezen naar het rapport "Aufnahmebedingungen in Italien. Zur aktuellen Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Rückkehrenden in Italien" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van augustus 2016 (hierna: het rapport van de SFH) en naar een rapport van Amnesty International (AI), ‘Hotspot Italy, How EU’s flagship approach leads to violations of refugee and migrants rights’ van 3 november 2016.

5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) geoordeeld dat er ten aanzien van Italië nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dit oordeel heeft de Afdeling voornoemd rapport van de SFH betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank schetst de informatie in de door eiseres aangehaalde rapporten, voor zover deze niet reeds in de hiervoor genoemde uitspraak zijn betrokken, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. De recente rapporten van de SFH en AI bevestigen dat sprake is van tekortkomingen, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank merkt voorts nog op dat de situatie die wordt beschreven in het rapport van AI geen betrekking heeft op vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening aan Italië worden overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan er in beginsel op vertrouwd worden dat Italië de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen en er derhalve geen sprake zal zijn van indirect refoulement. De stelling van eiseres, dat haar in Italië te kennen was gegeven dat zij het land diende te verlaten, maakt dit niet anders. Eiseres heeft nagelaten op dat moment een asielaanvraag in te dienen. Ten aanzien van het standpunt dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten met het overnameverzoek hebben ingestemd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten stilzwijgend akkoord zijn gegaan met het Nederlandse terugnameverzoek in de zin van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening, daarvoor voldoende bewijs levert.

7. De rechtbank overweegt verder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het arrest Tarakhel tegen Zwitserland. Het enkele feit dat zij een alleenstaande jonge vrouw is maakt niet dat zij kwetsbaar is als bedoeld in voornoemd arrest. Verweerder was dan ook niet gehouden om individuele garanties te vragen van de Italiaanse autoriteiten.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 16 februari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.