Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15678

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28747 en AWB - 17_259
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsbeëindiging wegens verblijf van langer dan zes maanden buiten Nederland, artikel 4:84 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/28747 en AWB 17/259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2013 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking “voortgezet verblijf” en met een geldigheidsduur van 17 augustus 2011 tot 17 augustus 2016, ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 6 februari 2012.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 november 2013 ongegrond verklaard, met dien verstande dat aan de intrekking van de verblijfsvergunning terugwerkende kracht wordt toegekend vanaf 24 juli 2012.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AWB 16/28747).

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 februari 2016 tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” afgewezen.

Bij (separaat) besluit van 7 december 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 24 juni 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AWB 17/259).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide beroepen heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [broer], zijn broer.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1973 en van Marokkaanse nationaliteit, is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf” met een geldigheidsduur van 30 maart 2001 tot 22 januari 2006.

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “voortgezet verblijf” verleend met een geldigheidsduur van 16 mei 2006 tot 16 mei 2011.

Op 24 februari 2011 heeft eiser een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld, omdat eiser de verschuldigde leges niet had voldaan. Het bezwaar van eiser tegen deze buitenbehandelingstelling is ongegrond verklaard bij besluit van 8 juli 2011.

Op 17 augustus 2011 heeft eiser opnieuw een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning ingediend. Bij besluit van 24 oktober 2011 is deze aanvraag ingewilligd en is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf” verleend met een geldigheidsduur van 17 augustus 2011 tot

17 augustus 2016. Het tegen de ingangsdatum ingediende bezwaarschrift is bij besluit van

9 mei 2012 ongegrond verklaard. Hierdoor is een verblijfsgat ontstaan van 16 mei 2011 tot 17 augustus 2011.

Op 27 december 2010 heeft eiser een naturalisatieverzoek ingediend. Op 27 december 2011 is dit verzoek afgewezen wegens het voornoemde verblijfsgat. Bij besluit van 27 juli 2012 is het bezwaar tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verweerder eiser medegedeeld dat uit ambtshalve ter beschikking staande informatie uit de Gemeentelijke Basisadministratie (thans Basisregistratie Personen, BRP) is gebleken dat eiser sinds 6 februari 2012 geregistreerd staat met de aanduiding “Verblijf onbekend waarheen“ (VOW), en dat dit een indicatie is dat eiser het hoofdverblijf niet in Nederland heeft, maar verplaats heeft naar het buitenland. Gelet hierop is verweerder voornemens de verblijfsvergunning van eiser in te trekken met ingang van 6 februari 2012. Verweerder heeft eiser bij deze brief een termijn van een week gegeven om een zienswijze in te dienen.

Nadat verweerder geen reactie van eiser op het voornemen heeft ontvangen, heeft verweerder bij besluit van 18 november 2013 de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 6 februari 2012, op de grond dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar het buitenland.

3. Op 10 februari 2016 heeft eiser de onderhavige aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” ingediend.

Bij brief van 25 april 2016 heeft verweerder eiser naar aanleiding van de voornoemde aanvraag medegedeeld dat gebleken is dat zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Daarbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om met bewijsstukken te onderbouwen dat eiser zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.

Bij brief van 9 mei 2016 is namens eiser gesteld dat eiser nimmer zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst en dat het feit dat eiser gedurende de door verweerder genoemde periode niet in BRP ingeschreven stond, te maken heeft met een gokverslaving en ontruiming van zijn huis in verband met huurachterstand en schulden, waardoor eiser niet een nieuw huurcontract kon aangaan. Eiser heeft in die periode soms bij de [stichting] en bij familie geslapen.

Bij brief van 2 juni 2016 is namens eiser een aanvullende reactie en bewijsstukken ingediend ter onderbouwing van de stelling dat eiser zijn hoofdverblijf nimmer naar het buitenland heeft verplaatst. Daarbij is namens eiser gesteld dat eiser het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning nimmer heeft ontvangen.

4. Bij het besluit van 24 juni 2016 heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” afgewezen, omdat bij het besluit van 18 november 2013 de verblijfsvergunning van eiser is ingetrokken met ingang van

6 februari 2012 en eiser daardoor niet voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken verblijf op het moment van de aanvraag of het moment van het besluit op de aanvraag.

5. Eiser heeft bij brief van 22 juli 2016 een bezwaarschift ingediend tegen het besluit van 24 juni 2016.

Bij brief van 23 augustus 2016 heeft eiser de bezwaargronden ingediend en onder andere aangevoerd dat het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning niet rechtsgeldig is bekendgemaakt en dat er daarom geen sprake is van een rechtsgeldige intrekking. Het adres waarnaar dat besluit is gestuurd (de daklozenopvang) was niet het officiële adres van eiser. Dat betekent dat de verblijfsvergunning thans op zijn minst kan worden verlengd. Er is dus weldegelijk sprake van rechtmatig verblijf van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen”.

6. Bij brief van 17 oktober 2016 heeft verweerder eiser laten weten dat zijn bezwaarschrift van 22 juli 2016 tegen de afwijzing van de aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” tevens wordt aangemerkt als een bezwaarschrift dat is gericht tegen het besluit van 18 november 2013 tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Verweerder acht dit bezwaarschrift ontvankelijk.

7. Op 21 november 2016 is eiser gehoord op zijn bezwaren tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor “voortgezet verblijf” en de afwijzing van zijn aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen”.

Blijkens het gehoorverslag is eiser toen geconfronteerd met het feit dat uit de door hem als bewijs voor het niet verplaatst hebben van zijn hoofdverblijf overgelegde bankafschriften blijkt dat hij in de periode van 24 juli 2012 tot 3 juni 2013 geld heeft opgenomen alleen in Marokko.

Eiser heeft verklaard dat dit juist is en dat hij in deze periode in Marokko heeft verbleven om tot rust te komen. De reden hiervoor is dat eiser lichamelijke, psychische en financiële problemen heeft, in Nederland geen zelfstandige woonruimte kon krijgen en in Marokko in de woning van zijn vader kon verblijven.

8. Bij separate besluiten van 7 december 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

8.1

In het besluit op bezwaar aangaande de intrekking van de verblijfsvergunning heeft verweerder aangenomen dat het besluit van 18 november 2013 aan eiser bekendgemaakt is op 24 juni 2016. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de verklaring van eiser op de hoorzitting, eiser in de periode van 24 juli 2012 tot 3 juni 2013 zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Gelet hierop heeft verweerder aan de intrekking terugwerkende kracht toegekend vanaf 24 juli 2012.

8.2

In het besluit op bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” heeft verweerder overwogen dat weliswaar de verblijfsvergunning is ingetrokken met ingang van 24 juli 2012 in plaats van 6 februari 2012, maar dat ook dit betekent dat er geen sprake is van vijf jaar rechtmatig verblijf op het moment van de aanvraag dan wel op het moment van het besluit daarop.

9.1

Eiser heeft met betrekking tot de intrekking van zijn verblijfsvergunning, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiser heeft nimmer de intentie gehad om zijn hoofdverblijf buiten Nederland te verplaatsen. Weliswaar heeft hij langer dan zes maanden in het buitenland verbleven, maar zijn hoofdverblijf hield hij in Nederland. De termijnoverschrijding is te wijten aan omstandigheden die buiten eisers schuld zijn gelegen, namelijk gokverslaving en fysieke kwalen. Eiser heeft met de overgelegde bewijsstukken in bezwaar aangetoond dat hij het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland heeft verplaatst. De intrekking van de verblijfsvergunning is onredelijk, ook mede gelet op het tijdsverloop. Eiser is de afgelopen vier jaar nimmer geconfronteerd geweest met het feit dat hij niet meer over een geldige verblijfsvergunning zou beschikken, bijvoorbeeld bij het reizen via Schiphol en het ontvangen van zijn WAO-uitkering. Uit niets heeft eiser kunnen weten dat verweerder het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft genomen.

De intrekking van zijn verblijfsvergunning is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, gelet op het familieleven van eiser met zijn twee kinderen uit een eerdere relatie en het familieleven met zijn huidige vriendin. Eiser woont meer dan 20 jaar in Nederland en is al 16 jaar geleden arbeidsongeschikt geraakt door een ernstig ongeluk. Eiser vreest voor zijn toekomst als hij naar Marokko zou moeten terugkeren.

9.2

Met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” heeft eiser voor de beroepsgronden verwezen naar hetgeen hij met betrekking tot de intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft aangevoerd.

10. De rechtbank overweegt het volgende.

10.1

Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder a, van die wet, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

Volgens het door verweerder ter zake gevoerde beleid, neergelegd in paragraaf B1/6.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover thans van belang, wordt aangenomen dat een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst, wanneer hij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.

Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Eiser heeft onbestreden gesteld dat hij in 2012-2013 dakloos was en financiële problemen had door gokverslaving. Daarnaast kampte eiser met gezondheidsproblemen. Eiser heeft daarom destijds langer dan zes maanden in Marokko, in zijn ouderlijke huis verbleven.

De door eiser aangevoerde redenen voor de overschrijding van de zesmaandenperiode komen de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Ook uit zijn handelen en het voortzetten van zijn bestaan in Nederland na de bedoelde periode blijkt dat eiser niet het oogmerk heeft gehad om zijn hoofdverblijf buiten Nederland te verplaatsen. Eiser heeft in de jaren nadien niet voor meer dan zes maanden buiten Nederland verbleven. Eiser heeft zich weer in de BRP ingeschreven en heeft op tijd, voor afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend, wat ook zijn intentie om zijn verblijf te continueren in Nederland aanduidt.

Hierbij is tevens van belang dat eiser sinds 1997 verblijf in Nederland heeft, in het overgrote deel van deze periode een verblijfsvergunning heeft gehad en telkens aan de inhoudelijke voorwaarden voor verlenging van zijn verblijfsvergunning voldeed. Eiser heeft kinderen en familie van Nederlandse nationaliteit in Nederland, hij is arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. Het besluit van 18 november 2013 is eerst op 24 juni 2016 in werking getreden met de bekendmaking van dat besluit aan eiser. In de tussenliggende periode is eiser ongemoeid door de overheid gelaten en in de gelegenheid geweest zijn leven in Nederland voort te zetten. Eiser is in die periode meermaals het land legaal, op een gecontroleerde wijze, in- en uitgereist. De eenmalige overschrijding van de voornoemde termijn van zes maanden, afgezet tegen de verblijfsduur in Nederland nadien en in samenhang bezien met alle feiten en omstandigheden van het geval, leidt de rechtbank tot het oordeel dat er niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd.

Daarbij komt dat niet aannemelijk is gemaakt welke zwaarwegende belangen in dit geval tot de verblijfsbeëindiging in 2016, met terugwerkende kracht tot 24 juli 2012, noopten. Zoals namens verweerder in het bestreden besluit en ter zitting is aangegeven, zou eiser op grond van (verdrags)afspraken, die tussen Nederland en Marokko bestaan, ook na terugkeer in Marokko zijn Nederlandse WAO-uitkering behouden. Er kan dan ook niet worden gezegd dat er een economisch belang zich tegen de continuering van eisers verblijf in Nederland verzet. Belangen van openbare orde zijn ten tijde van de bekendmaking van het primaire en het bestreden besluit gesteld noch gebleken.

Wat het algemeen belang van de Nederlandse overheid, genoemd in het bestreden besluit, betreft, dat vreemdelingen enkel in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning als zij aan alle voorwaarden voldoen, overweegt de rechtbank, dat dit algemeen belang met het beleid wordt gediend, maar dat met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van dat beleid kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dit artikel. Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat hier van een bijzonder samenstel van omstandigheden sprake is op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht gebruik mocht maken.

11. Het beroep AWB 16/28747 is gezien het vorenstaande gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 en artikel 4:84 van de Awb. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking.

Aangezien hetzelfde gebrek aan de totstandkoming van het primaire besluit kleeft, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12. Hieruit volgt dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten” van een onjuiste aanname met betrekking tot het verblijfsrecht van eiser is uitgegaan. Het beroep AWB 17/259 is daarom gegrond. Het besluit op bezwaar ter zake de afwijzing van de aanvraag, dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Aangezien hetzelfde gebrek aan de totstandkoming van het primaire besluit kleeft, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder dient opnieuw op de aanvraag van 10 februari 2016 te beslissen.

13. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, totaal ad € 336,-, vergoedt.

14. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2970,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiser voor beide beroepsprocedures een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep AWB 16/28747 gegrond;

- vernietigt het besluit op bezwaar van 7 december 2016 ter zake van de intrekking van de

verblijfsvergunning;

- herroept het primaire besluit van 18 november 2013;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verklaart het beroep AWB 17/259 gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 december 2016 tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen

de afwijzing van de aanvraag om een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten”;

- herroept het primaire besluit van 24 juni 2016;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2970,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 336,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.