Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1567

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/26132
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag na intrekking reguliere verblijfsvergunning, homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/26132

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. M.C. Heijnneman,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 november 2016 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan eiser, geboren op [geboortedatum] en van Marokkaanse nationaliteit, is bij besluit van 16 augustus 2005 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij partner [naam 1] verleend met ingang van 7 juni 2005. Bij besluit van 13 oktober 2006 is deze vergunning verlengd tot 7 juni 2011. Bij besluit van

17 januari 2012 is de aanvraag van eiser om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier afgewezen omdat eiser niet meer voldoet aan de beperking, nu hij niet meer samenwoont met zijn partner en zij geen gezamenlijke huishouding meer voeren.

2. Bij besluit van 14 maart 2012 is aan eiser een terugkeerbesluit uitgereikt en een inreisverbod opgelegd. Bij uitspraak van 19 juli 2012 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard. Op 6 oktober 2012 is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod opgelegd. Bij uitspraak van 7 november 2012 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep tegen het terugkeerbesluit wederom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.

3. Op 5 december 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘conform beschikking minister’. Bij besluit van 22 januari 2013 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 mei 2013 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft eiser geen beroep ingesteld.

4. Op 7 maart 2013 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend (hierna: de asielaanvraag). Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Bij besluit van 14 maart 2013 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Op 14 maart 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het afwijzende besluit. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft gesteld over de beoordeling van de geloofwaardigheid van een door een vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid onder het unierecht. Bij brief van 30 juli 2015 heeft verweerder het besluit van 14 maart 2013 ingetrokken naar aanleiding van de beantwoording door het Hof van de prejudiciële vragen en de daarop volgende uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170).

5. Bij besluit van 16 januari 2016 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij uitspraak van 11 februari 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2016 vernietigd.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde homoseksuele gerichtheid en de problemen die hij daardoor stelt te hebben ondervonden, acht verweerder niet geloofwaardig.

7. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna - voor zover van belang - ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Eiser verblijft sinds 7 juni 2011 onrechtmatig in Nederland. Pas in 2013 heeft eiser tijdens zijn verblijf in vreemdelingendetentie, toen uitzetting naar zijn land van herkomst in zicht kwam, een asielaanvraag ingediend. Dit doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Voorts heeft eiser tegenstrijdig en ongerijmd verklaard over zijn bewustwordingsproces. Zo heeft hij verklaard dat verkrachtingen in zijn jeugd de aanzet hebben gevormd voor dit proces, maar is dit niet nader toegelicht of geconcretiseerd. Daar komt bij dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe oud hij was toen de verkrachtingen plaatsvonden. Tijdens het nader gehoor is verklaard dat eiser toen negen jaar oud was, terwijl tijdens het aanvullend gehoor is verklaard dat hij toen zes of zeven jaar oud was. Ook over de leeftijd waarop hij zich voor het eerst bewust werd van zijn homoseksuele gerichtheid heeft eiser tegenstrijdig verklaard. Tijdens het nader gehoor is verklaard dat eiser toen zeventien of achttien jaar oud was, terwijl tijdens het aanvullend gehoor is verklaard dat hij toen vijftien of zestien jaar oud was. Nu eiser afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit strafbaar is gesteld, mag van hem verwacht worden dat hij consistent en coherent kan verklaren over zijn bewustwordingsproces. Verder heeft eiser wisselend, vaag en summier verklaard over zijn relatie met [naam 2] en [naam 3] . Zo weet eiser niet wat hun achternamen zijn, wanneer hij voor het eerst seksueel contact met hen had en of zij problemen hebben ondervonden vanwege hun homoseksuele gerichtheid. Verder zijn eisers verklaringen over zijn ontmoeting met [naam 1] en de start van hun relatie tegenstrijdig met de informatie omtrent de door [naam 1] ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Ook over de relatie met [naam 1] heeft eiser vage en summiere verklaring afgelegd. Zo weet eiser niet wat de leeftijd en geboortedatum van [naam 1] is, welke opleiding hij heeft gevolgd, bij welk bedrijf hij werkte, hoe zijn ouders heten en hoeveel broers of zussen [naam 1] heeft. Van eiser mag worden verwacht dat hij meer weet te verklaren over de man met wie hij stelt bijna vijf jaar een relatie te hebben gehad. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de mishandelingen die in Marokko plaats zouden hebben gevonden. Tijdens het nader gehoor stelt eiser drie keer in elkaar geslagen te zijn, maar in het aanvullend gehoor verklaart hij dat dat twee keer is gebeurd. Tot slot heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij zeer summiere kennis heeft over de rechten van homoseksuelen in Nederland en over de situatie van homoseksuelen in Marokko.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voormelde motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat in de onderhavige zaak overeenkomstig Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) is gehoord en beslist. In de WI 2015/9 is vermeld dat in zaken waarin homoseksualiteit als asielmotief geldt, vooral waarde wordt gehecht aan verklaringen omtrent de eigen ervaringen zoals bewustwording en zelfacceptatie van de vreemdeling met betrekking tot zijn of haar seksuele oriëntatie. Dit geldt volgens verweerder temeer als de vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd of strafbaar is. In dit geval heeft eiser te weinig en tegenstrijdig verklaard over onder meer zijn bewustwordingsproces. Eiser heeft het verband tussen de verkrachtingen in zijn jeugd en zijn bewustwordingsproces niet concreet kunnen maken. Nu ook anderszins niet is gebleken van enig proces van bewustwording en eiser bovendien diverse (onder 8 genoemde) tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, heeft verweerder kunnen concluderen dat de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is.

10. Eiser heeft aangevoerd dat de verkrachtingen traumatische ervaringen zijn en dat daarom niet van hem verwacht zou mogen worden dat hij daar duidelijker over kan verklaren. Dat kan niet tot een ander oordeel leiden. Nu eiser zelf heeft verklaard dat de verkrachtingen verband houden met zijn bewustwordingsproces, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij dit nader kan toelichten. Bovendien heeft verweerder eiser terecht tegengeworpen niet alleen hierover maar ook over andere essentiële (onder 8 genoemde) punten tegenstrijdig, wisselend of vaag te hebben verklaard.

11. De ter zitting namens eiser gemaakte opmerking dat aan eiser in 2005 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij (een mannelijke) partner is verleend en dat destijds niet werd getwijfeld aan de relatie met [naam 1] , geeft evenmin aanleiding tot een ander oordeel. Dat in 2005 in het kader van reguliere vergunningverlening door verweerder - al dan niet terecht - is aangenomen dat sprake was van een relatie tussen eiser en [naam 1] maakt niet dat thans - in het kader van een asielaanvraag - niet kan worden geoordeeld dat de verklaringen over die relatie ongeloofwaardig zijn. Zoals onder 8 is overwogen mag van eiser worden verwacht dat hij meer weet te verklaren over de man met wie hij stelt bijna vijf jaar een relatie te hebben gehad. Ook wat verder is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: