Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
NL17.13859
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13859


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 7 juli 2017 niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.13860, plaatsgevonden op 19 december 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D.J. Doets. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 7 juli 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 20 mei 2017 op illegale wijze de buitengrens van de lidstaten via Italië heeft overschreden. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 9 augustus 2017 gevraagd om eiser over te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Op 3 oktober 2017 hebben de Italiaanse autoriteiten middels het claimakkoord, op grond van artikel 13, eerste lid van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het EVRM).

3. Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eiser anders dan de Afdeling te oordelen. Met de aangehaalde rapporten heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft zich –met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzicht van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt.

4. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij niet is gehoord door een registertolk, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 10 juli 2013 in zaak nr. 201300100/0/V4) stelt artikel 28, vierde lid van de Wet beëdigde tolken en vertalers, gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Nu uit het rapport aanmeldgehoor Dublin blijkt dat er geen registertolk tijdig beschikbaar was, en verweerder heeft verwezen in het voornemen en in het besluit naar de vereiste spoed in de Dublinprocedure, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Overigens is uit het aanmeldgehoor of de beroepsgronden niet gebleken dat sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser en de tolk. Derhalve is hij niet in zijn belangen geschaad.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.