Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15666

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
NL17.13801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13801


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 18 juni 2017 niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 18 juni 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië in Libanon in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 28 mei 2017 tot 21 juni 2017. Gelet daarop zijn de Italiaanse autoriteiten op 9 augustus 2017 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening). Zij hebben daarmee op 28 september 2017 ingestemd.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

Anders dan eiser heeft betoogd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een kopie van het paspoort van eiser met daarin het Italiaanse visum bij de Italiaanse autoriteiten op te vragen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van de juistheid van de EU-Vis registratie in Eurodac mag worden uitgegaan. Voorts heeft verweerder zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de onderzoeksplicht bij de ontvangende lidstaat ligt en dat de Italiaanse autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd.

2.2

Eiser heeft onder verwijzing van het arrest Ghezelbash van 7 juni 2016 van het Europees Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2016:409, betoogd dat het claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten onvolledig was, nu daarin niet de medische omstandigheden van eiser zijn genoemd. Uit het arrest Ghezelbash volgt dat een asielzoeker zich er in het kader van een rechtsmiddel tegen een jegens hem genomen overdrachtsbesluit op kan beroepen dat een verantwoordelijkheidscriterium van hoofdstuk III van de Dublinverordening verkeerd is toegepast (zie met name punten 34, 51 tot en met 53, 57 en 61 van dit arrest). Uit hoofdstuk III van de Dublinverordening volgt niet dat de medische situatie van een vreemdeling relevant is voor de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Het claimverzoek is er alleen op gericht de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen. Verweerder heeft zich gelet daarop dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de medische situatie van de vreemdeling niet in het claimverzoek kenbaar hoeft te worden gemaakt.

2.3

De medische situatie van een vreemdeling kan er echter wel toe leiden dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekt, ook als een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is.

2.4

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het EVRM).

2.5

Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eiser anders dan de Afdeling te oordelen. Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2.6

Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat niet is gebleken waarom Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiser te behandelen en dat Italië vergelijkbare medische voorzieningen heeft.

2.7

Voor zover eiser heeft betoogd dat hij als zieke, bejaarde man, kwetsbaar is, overweegt de rechtbank dat eiser anders dan de vreemdelingen in het arrest Tarakhel, met de door hem overgelegde stukken noch door eerdere ervaringen in Italië aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in dat land geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen.

Verweerder heeft voorts ter zitting verklaard dat met toestemming van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat een gezondheidsverklaring wordt gezonden, waarin informatie wordt gegeven over de bijzondere behoeften en de fysieke en mentale gezondheidstoestand van de vreemdeling. Ook zonder toestemming van de vreemdeling wordt alleen de essentiële medische informatie doorgegeven. Indien de Italiaanse autoriteiten te kennen geven dat zij niet in de voor eiser benodigde voorzieningen kunnen voorzien, dan zal geen overdracht plaatsvinden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1304 geoordeeld dat verweerder met deze werkwijze voldoende heeft gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Gelet hierop zijn voor eiser geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig. De omstandigheid dat eiser en zijn gemachtigde geen inzage krijgen in de gezondheidsverklaring en niet kunnen controleren of verweerder dit daadwerkelijk aan de Italiaanse autoriteiten opstuurt, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de weergegeven werkwijze van verweerder te twijfelen.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.