Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
NL17.13770
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13770


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 29 augustus 2017 niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017.

Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 29 augustus 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 april 2016 en op 20 mei 2016 op illegale wijze de buitengrens van de lidstaten via Italië heeft overschreden. Daarnaast is gebleken dat eiser op 23 mei 2016 in Italië en op 9 en 10 juni 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat zijn verzoek in Duitsland is afgewezen.

Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 21 september 2017 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening). Nu de autoriteiten van Duitsland niet binnen twee weken op het verzoek hebben gereageerd, staat daarmee sinds 6 oktober 2017 de verantwoordelijkheid van Duitsland vast. De Duitse autoriteiten hebben op 11 oktober 2017 de verantwoordelijkheid bevestigd.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft met het door zijn in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft zijn stellingen daaromtrent niet onderbouwd. Voor zover eiser heeft gesteld dat Duitsland handelt in strijd met de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser daarover bij de Duitse autoriteiten dient te klagen en dat niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk was. De omstandigheid dat eiser niet wist waar en hoe hij daarover bij de Duitse autoriteiten moest klagen, doet daar niet aan af. Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn gestelde medische omstandigheden niet met medische stukken onderbouwd. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat niet is gebleken waarom Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiser te behandelen en dat Duitsland vergelijkbare medische voorzieningen heeft. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen. Van indirect refoulement is derhalve geen sprake. Gelet op voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.