Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:15658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
SGR 17/688
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit voorziet in de mogelijkheid om een megabioscoop en leisurecenter met in totaal 11 filmzalen met gezamenlijk 2.550 stoelen en 900 m² aan horeca te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank kan één van de eiseressen, Utopia Nederland B.V., op grond van het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb thans geen beroep bij de rechter instellen. Eén van de andere eiseressen, Unibail Rodamco Nederland Winkels B.V., is volgens de rechtbank niet als concurrent-belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken. Het beroep voor zover ingesteld door Utopia Nederland B.V. en Unibail Rodamco Nederland Winkels B.V. wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

De laatste eiseres, Kinepolis Group N.V., kan naar het oordeel van de rechtbank wel als concurrent-belanghebbende worden aangemerkt. De in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitseis staat evenwel aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van Kinepolis over de gestelde strijd met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in de weg. Het beroep voor zover ingesteld door Kinepolis Group N.V. wordt dan ook ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7783
AR 2018/512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/688

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2017 in de zaak tussen

Unibail Rodamco Nederland Winkels B.V. (UR) te Haarlemmermeer,

Kinepolis Group N.V. te Brussel, België, en Utopia Nederland B.V. te Utrecht en/of één of meerdere aan haar gelieerde vennootschappen, eiseressen

(gemachtigde: mr. M.C.T.M. Sonderegger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Argos Projectmanagement N.V., te Herzele, België, en

Euroscoop Den Haag B.V., te Tilburg,

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bioscoopcomplex met parkeergarage met horecavoorzieningen alsmede het plaatsen van reclame-uitingen op het perceel omsloten door de Guldenlaan-Guldenpad-Monarchielaan en de Prinses Catharina Amaliastraat te Den Haag.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017.

Namens UR is verschenen [persoon 1]. Eiseressen hebben zich voorts laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Daarnaast was voor eiseressen [persoon 2] van deskundigenbureau LAgroup aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren voorts aanwezig [persoon 3], en [persoon 4] van Stec Groep. Namens de derde-partij is de gemachtigde verschenen, en [persoon 5] van adviesonderneming BRO.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 december 2015 heeft de derde-partij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een bioscoopcomplex met parkeergarage met horecavoorzieningen alsmede het plaatsen van reclame-uitingen op het perceel omsloten door de Guldenlaan-Guldenpad-Monarchielaan en de Prinses Catharina Amaliastraat (het bouwplan). De aanvraag bestaat uit de volgende activiteiten: bouwen en handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening. Verweerder heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals voorgeschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevolgd. Verweerder heeft een ontwerpbeschikking verleend voor het bouwplan. Deze is met ingang van 14 juni 2016 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd.

1.2.

Het bestreden besluit voorziet in de mogelijkheid om ter plaatse een megabioscoop en leisurecenter met in totaal 11 filmzalen met gezamenlijk 2.550 stoelen en 900 m² aan horeca te realiseren.

2.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Utopia Nederland B.V. kan worden ontvangen in haar beroep. In geschil is of door haar zienswijzen zijn ingediend tegen de ontwerpbeschikking.

2.2.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan, voor zover hier van belang, geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat bij brief van 22 juli 2016 namens UR en Kinepolis Group N.V. en/of één of meerdere aan haar gelieerde vennootschappen zienswijzen zijn ingediend tegen de ontwerpbeschikking. Naar het oordeel van de rechtbank is de zinssnede ‘en/of één of meerdere aan haar gelieerde vennootschappen’ te onbepaald om daaruit af te kunnen leiden dat de zienswijzen ook door Utopia Nederland B.V. zijn ingediend. Weliswaar staat onder het kopje ‘feiten en omstandigheden’ onder punt 1.2. vermeld dat Utopia Nederland B.V. een aan Kinepolis gelieerde vennootschap is en Utopolis Zoetermeer exploiteert, maar dat is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat Utopia Nederland B.V. ook niet in de conclusie van de zienswijzen wordt genoemd. In die conclusie wordt alleen door UR en Kinepolis verzocht de vergunningaanvraag af te wijzen.

2.4.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Utopia Nederland B.V. op grond van het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb thans geen beroep bij de rechter kan instellen. De rechtbank zal het beroep derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

3.1.

De rechtbank dient vervolgens ambtshalve de vraag te beantwoorden of de overige eiseressen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Om te bepalen of iemand belanghebbende is, zijn in onder andere de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) criteria ontwikkeld. Zo moet iemand een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Van een persoonlijk belang zal sprake zijn in de situatie waarin een besluit tot omzetverlies bij een concurrent kan leiden, de exploitant van de concurrerende onderneming wordt dan als belanghebbende aangemerkt. Daarbij geldt dat de concurrent in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied actief moet zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:183). Voor vastgoedeigenaren die in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied actief zijn, te weten de verhuur of verkoop van winkelruimte binnen een bepaald verzorgingsgebied, geldt eveneens dat zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt indien en voor zover niet is uitgesloten dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van hun pand(en). De enkele omstandigheid dat een pand tevens gebruikt kan worden voor andere doeleinden dan detailhandel laat onverlet dat de vergunde activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van het pand (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2897).

3.2.1.

Namens UR is aangevoerd dat zij als concurrent-belanghebbende dient te worden aangemerkt, aangezien zij door het bioscoopcomplex in haar eigendomsbelangen wordt geraakt. De rechtbank stelt vast dat UR eigenaar is van winkelcentrum Leidsenhage in Leidschendam-Voorburg. Dit winkelcentrum wordt herontwikkeld en getransformeerd tot de “Mall of the Netherlands” (de Mall). Binnen de Mall wordt de realisatie voorzien van een bioscoop met 10 zalen en 1.800 stoelen. Naar verwachting zal deze bioscoop in april 2019 in gebruik worden genomen. Eiseressen stellen dat Kinepolis Group N.V., als internationale bioscoopexploitant, deze bioscoop zal gaan exploiteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft UR niet aannemelijk gemaakt dat zij als eigenaar van het bioscooppand in de Mall in haar commerciële belangen wordt geraakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat het pand momenteel door UR aan Kinepolis Group N.V. wordt verhuurd. Voor zover de verhuurbaarheid van het bioscooppand al zou worden aangetast ten gevolge van het bouwplan, heeft UR niet aannemelijk gemaakt dat het niet voor andere doeleinden te verhuren zou zijn.

3.2.2.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat UR niet als concurrent-belanghebbende bij het bestreden besluit is aan te merken. De rechtbank zal het beroep voor zover ingesteld door UR derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

3.3.1.

Namens Kinepolis Group N.V. is aangevoerd dat zij concurrent-belanghebbende is bij het bestreden besluit, aangezien zij de bioscoop in de Mall zal gaan exploiteren. In dit verband heeft zij gewezen op de tussen haar en UR gesloten huurovereenkomst.

3.3.2

Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat UR het bioscooppand in de Mall aan Kinepolis Group N.V. heeft verhuurd. Op pagina 2 van deze overeenkomst staat vermeld dat de bedrijfsruimte bestemd is voor de exploitatie van een bioscoop volgens de Kinepolis formule onder gebruik van de handels- dan wel merknaam “Kinepolis”. Op basis van deze huuroverkomst acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat Kinepolis Group N.V. de bioscoop in de Mall zal gaan exploiteren.

3.3.3.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank Kinepolis Group N.V. (Kinepolis) aanmerken als concurrent-belanghebbende bij het bestreden besluit en haar ontvangen in haar beroep.

4.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

4.2.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening.

4.3.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

4.4.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

4.5.

Ingevolge artikel 2.12 van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1˚ met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5. Het project is in strijd met de ingevolge de vigerende bestemmingsplannen “Ypenburg Nootdorp” en “Ypenburg Nootdorp 3e herziening” op het perceel rustende bestemmingen “Uit te werken gebied voor bedrijfsdoeleinden”, “Kantoor” en “Verkeer – Verblijfsgebied”. Verweerder heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo.

6. Kinepolis stelt, kort samengevat, dat het bouwplan niet voldoet aan de zogenaamde ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Volgens Kinepolis is voorts sprake van strijd met de Verordening ruimte 2014 van de Provinciale Staten van Zuid-Holland (de provinciale verordening), nu evenmin wordt voldaan aan de daarin voorgeschreven ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.

7.1.

Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (het Bor) zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing.

7.2.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zoals dit gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:353 (Goeree-Overflakkee)). Dit geldt ook voor de bepalingen ten aanzien van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ zoals opgenomen in de provinciale verordening.

9.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

9.2.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

9.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de rechtsregel neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro moet onderscheid worden gemaakt tussen de belangen die genoemde bepaling beoogt te beschermen en de belangen van de rechtzoekende die deze rechtsregel inroept. Hetzelfde geldt met betrekking tot de bepalingen over de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ die in de provinciale verordening zijn opgenomen.

9.4.

Voor zover de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in rechte wordt ingeroepen door een concurrent die kwalificeert als belanghebbende bij het besluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat zijn onderneming werkzaam is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied, en wiens belang bij de toepassing van die Ladder uitsluitend is gelegen in het concurrentiebelang, geldt het volgende (uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 (Wijchen), van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2855 (Venlo) en van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3137 (Zundert)). Zodanige concurrent dient, als hij stelt dat het plan in strijd is met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’, daarbij feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor hem relevante leegstand zal kunnen leiden. In dat geval staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet aan inhoudelijke beoordeling van de gestelde strijd met ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’ in de weg. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het plan zodanige leegstandseffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Daarbij betrekt de bestuursrechter het oordeel van het bestuursorgaan over de aanvaardbaarheid van die leegstandseffecten (uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 (Wijchen)).

9.5.

Voor het aannemen van voor een concurrent relevante leegstand als hiervoor bedoeld, is onvoldoende dat de voorziene ontwikkeling leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de desbetreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw, is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen. Voorts zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de directe omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand (uitspraken van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2855 (Venlo) en van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3106 (Oldebroek)).

10. Gelet op voormelde jurisprudentie van de Afdeling dient de concurrent feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor hem relevante leegstand zal kunnen leiden.

11. Voor zover Kinepolis betoogt dat het bouwplan een daling van het bezoekersaantal van de bioscoop in de Mall met zich zal brengen en daarmee ook een daling van haar omzet, is de rechtbank van oordeel dat hiermee niet is onderbouwd dat dit relevante leegstand als bedoeld in voormelde jurisprudentie van de Afdeling oplevert. Voor zover het bouwplan tot bedrijfsbeëindiging zou leiden, is de rechtbank voorts niet gebleken dat andersoortig gebruik van het bioscooppand - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden zou behoren. Weliswaar is aangevoerd dat het om een moeilijk herinvulbaar complex gaat, maar deze stelling is niet nader onderbouwd.

12.1.

Relevante leegstand kan zich ten slotte ook voordoen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de directe omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kinepolis niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het bouwplan in de directe omgeving van het bioscooppand in de Mall leegstand zou ontstaan, reeds nu zich daar geen andere bioscopen bevinden. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2065).

12.2.

Door Kinepolis is ten slotte aangevoerd dat het bouwplan tot leegstand van winkels in de Mall zal leiden. Voor zover deze gestelde leegstand al van betekenis zou kunnen zijn voor het ondernemingsklimaat van Kinepolis, wijst de rechtbank op de rapportage van 18 mei 2017 die Stec Groep op verzoek van verweerder heeft opgesteld. In dit rapport wordt een inschatting gegeven van het mogelijke effect van het bouwplan op het aantal bezoekers van de Mall. Dit effect wordt als minimaal ingeschat (<1%). De rechtbank ziet geen reden om hier aan te twijfelen. Dat het bouwplan leidt tot langdurig en structurele leegstand in de Mall acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.

13. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitseis aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van Kinepolis over de gestelde strijd met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in de weg staat.

14. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover ingesteld door Kinepolis, ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep voor zover ingesteld door Utopia Nederland B.V. en Unibail Rodamco

Nederland Winkels B.V. niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover ingesteld door Kinepolis Group N.V. ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. M.M. Meessen en mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.